Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-13
ECLI:NL:RBNNE:2017:5189
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Meervoudige kamer Locatie Groningen zaak-/rekestnummer: C/18/180496 / FA RK 17-3539 Klachtprocedure ex artikel 41a en 41b Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) Uitspraak d.d. 13 december 2017 inzake [verzoeker 1] , wonende te [woonplaats] , verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. S van Mesdag kliniek te Groningen, hierna ook te noemen verzoeker, advocaat mr. B.F.M. Kievitsbosch, kantoorhoudende te Groningen, tegen Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. S van Mesdag kliniek te Groningen , gevestigd te Groningen, hierna ook te noemen verweerder. 1PROCESVERLOOP 1.1. Verzoeker heeft op 17 november 2017 een verzoekschrift (met bijlagen) ex artikel 41a Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) ingediend bij de rechtbank, waarin hij een beslissing vraagt op twaalf klachten. Verzoeker vraagt tevens om hem een schadevergoeding toe te kennen. 1.2. De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 28 november 2017 in aanwezigheid van verzoeker bijgestaan door mr. Kievitsbosch en verweerder vertegenwoordigd door de heer [naam] , geneesheer-directeur en de heer [naam] , behandelend psychiater. 1.3. Op 28 november 2017 is ter griffie een faxbericht met een behandelplan Bopz inzake verzoeker, ontvangen. 1.4. Op 29 november 2017 is ter griffie een schriftelijke reactie van mr. Kievitsbosch binnengekomen. OVERWEGINGEN 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van 10 oktober 2016 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2 wet Bopz verleend met een geldigheidsduur tot 11 april 2017. Aan deze beslissing is ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens. Hij lijdt aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis niet nader omschreven met daarbij parafilieën (exhibitionisme, masochisme) en ook sadistisch gedrag. Bovendien is er sprake van een stoornis in het autismespectrum. Ook doet deze stoornis betrokkene gevaar veroorzaken, te weten: - het gevaar dat betrokkene zich van het leven zal beroven of zichzelf ernstig lichamelijk letsel zal toebrengen, - het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat, en - het gevaar dat betrokkene door hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen. 2.2. Bij beschikking van 13 april 2017 heeft de rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in artikel 15 Wet Bopz verleend, welke machtiging de bevoegdheid geeft om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven tot en met 10 april 2018. 2.3. Op 2 december 2016 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot toepassing van de beperking van de post, de bewegingsvrijheid en het telefoon- en internetverkeer ingaande 29 november 2016, uitgereikt. In de toelichting is vermeld dat verzoeker bekend is met het versturen van brieven binnen en buiten de kliniek die door anderen als kwetsend of dreigend worden ervaren, Ook is verzoeker bekend met automutilatie en veroorzaakt hij geluidsoverlast op de afdeling. Daarom wordt de bewegingsvrijheid beperkt door insluiting in zijn verblijf in de avond en nacht en heeft verzoeker geen toegang tot een mobiele telefoon of internet. De maatregel zal maandelijks worden geëvalueerd. 2.4. Op 3 maart 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling ex artikel 39 Wet Bopz tot separatie voor de avond/nacht uitgereikt. 2.5. Op 8 maart 2017 is aan verzoeker een schriftelijke mededeling tot nachtelijke separatie in het kader van dwangbehandeling ex artikel 38, hetgeen de rechtbank leest als artikel 38c, Wet Bopz uitgereikt. 2.6. Op 22 april 2017 is aan verzoeker een mededeling ex artikel 40a Wet Bopz uitgereikt waarin het besluit tot toepassing van de beperking van de post, de bewegingsvrijheid en het telefoon- en internetverkeer ingaande 29 november 2016, is aangevuld. De volgende beperkingen van de bewegingsvrijheid worden vermeld: nachtelijke insluiting, beperking tot de afdeling, beperking tot de k Insluiting in de eigen kamer - overdag of tijdens de avond en nacht - vormt een vergaande beperking van de bewegingsvrijheid van verzoeker. Aan een dergelijke insluiting dient daarom altijd een individueel gemotiveerd besluit ten grondslag te liggen. Een dergelijk besluit kan worden gebaseerd op artikel 40 lid 3 van de Wet Bopz. Artikel 40, lid 3 van de Wet Bopz bepaalt, voor zover hier van belang, dat beperkingen in het recht op bewegingsvrijheid in en rond het ziekenhuis overeenkomstig de daarvoor geldende huisregels kunnen worden opgelegd: indien naar het oordeel van de voor behandeling verantwoordelijke persoon van de uitoefening van het recht op bewegingsvrijheid ernstig nadelige gevolgen moeten worden gevreesd voor de gezondheidstoestand van de patiënt, dan wel indien dit ter voorkoming van verstoring van de orde in het ziekenhuis, zoals die in de huisregels is beschreven, of ter voorkoming van strafbare feiten noodzakelijk is. Op 2 december 2016 is aan verzoeker een mededeling beperkingen conform artikel 40a Wet Bopz uitgereikt, waarbij aan verzoeker beperkingen zijn opgelegd met betrekking tot de post, de nachtelijke bewegingsvrijheid, het telefoon- en het internetverkeer. Op 22 april 2017 is deze mededeling aangepast en is expliciet de mogelijkheid van beperking van de bewegingsvrijheid tot de afdeling, de kliniek en het Bopz-terrein vermeld. Op 25 april 2017 is aan verzoeker wederom een schriftelijke mededeling ex artikel 40a Wet Bopz tot beperking van de bewegingsvrijheid uitgereikt. De rechtbank volgt verzoeker dan ook niet in zijn stelling dat er geen beschikking is afgegeven die de beperking van zijn bewegingsvrijheid rechtvaardigt. Met betrekking tot de noodzaak tot het opleggen van de beperking oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de reacties van verweerder op de klaagschriften blijkt dat de redenen voor het opleggen van de beperkingen met name waren gelegen in het provocerende en overlast veroorzakende gedrag van verzoeker richting medebewoners en bezoek van medebewoners. Voorts bestond er gelet op het feit dat verzoeker duidelijke tekenen van ontregeling vertoonde (verzoeker sloeg zichzelf tegen het hoofd) gegronde vrees voor verdergaande ontregeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de noodzaak aanwezig geacht om de beperkingen op te leggen om zowel de orde in de kliniek als de veiligheid van verzoeker te bewaken. De klachten hierover zullen derhalve ongegrond verklaard worden. 3.5. Insluiting in de eigen verblijfruimte De klachten van verzoeker (K/17.025, K/17.030 en K/17.034) richten zich tegen het insluiten in zijn cel zonder dat daar een mededeling ex artikel 40a Wet Bopz aan ten grondslag ligt. Verzoeker kan zich ook niet vinden in de redenen die daarvoor worden gegeven. Namens verweerder is aangevoerd dat verzoeker gelet op zijn psychiatrische ziektebeeld en gedrag niet overgeplaatst kan worden naar een andere instelling of afdeling binnen de kliniek. Verzoeker verblijft op dit moment op de meest gespecialiseerde afdeling, maar verweerder erkent dat er soms spanning bestaat tussen zijn mogelijkheden en de zorgbehoefte van verzoeker. In principe wordt verzoeker alleen voor de nachtelijke uren onvrijwillig ingesloten. Soms doen zich echter op de afdeling situaties voor die maken dat verzoeker - evenals de andere bewoners van de afdeling - voor een kortdurende periode ook overdag wordt ingesloten. Hier wordt volgens verweerder alleen toe overgegaan als dit voor de orde en veiligheid op de afdeling noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank dient onderscheid te worden gemaakt tussen insluiting gedurende langere en gedurende korte duur. Insluiting overdag voor langere duur kan niet worden gebaseerd op de mededeling van 2 december 2016, aangevuld op 22 april 2017. In deze mededeling(en) wordt slechts melding gemaakt van insluiting gedurende de nacht. Tevens valt uit de tekst van de mededeling ook niet op te maken welk gedrag van verzoeker een insluiting overdag zou rechtvaar