Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-28
ECLI:NL:RBNNE:2017:5042
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 17/1287 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2017 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser, (gemachtigde: mr. J. van Groningen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loppersum , verweerder, (gemachtigde: T. Blokzijl). Procesverloop Bij besluit van 21 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder weerlegging van de zienswijze van eiser geweigerd aan eiser een bouwvergunning onder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), te verlenen voor het bouwen van twee stallen op het perceel aan de [adres] te [plaats]. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 28 november 2017. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden. 1.1. Eiser heeft op 12 maart 2007 een aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van een stal voor 100.000 vleeskuikens ten behoeve van de uitbreiding van de intensieve veehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend. 1.2. Op 16 oktober 2007 heeft verweerder besloten tot het toepassen van de maatwerkbenadering als beschreven in de Nota agrarische bouwblokken en landschap. Ook de provincie Groningen heeft hiermee ingestemd. Op 14 februari en 28 februari 2008 vinden keukentafelgesprekken plaats. 1.3. Tijdens voormelde keukentafelgesprekken heeft eiser te kennen gegeven dat hij bij voorkeur twee vleeskuikenstallen wil realiseren, waarmee er in totaal sprake zal zijn van drie pluimveestallen met een totale capaciteit 150.000 – 155.000 kuikens. Dit verzoek is in strijd met het bestemmingsplan, aangezien maximaal 2.000 m² aan bebouwing is toegestaan. Op basis van het provinciale beleid is de bouw van twee stallen in beginsel mogelijk, onder voorwaarden en met toepassing van de maatwerkmethode. Dit betekent dat vrijstelling moet worden verleend van het bestemmingsplan. Aan eiser is verzocht een gewijzigde bouw-aanvraag en ruimtelijke onderbouwing in te dienen. Daarnaast is de tekening betreffende de landschappelijke inpassing voorgelegd aan Landschapsbeheer Groningen om besteksgereed te maken. 1.4. Verweerder heeft op 11 maart 2008 besloten in beginsel positief te staan tegenover de uitbreiding van het bouwplan met een extra stal, mits in de nieuwe situatie aan de geldende milieueisen wordt voldaan. 1.5. Eiser heeft op 29 april 2008, onder intrekking van de aanvraag van 12 maart 2007, een aanvraag om bouwvergunning voor het oprichten van twee stallen voor 150.000 vleeskuikens op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend. Het agrarisch bouwblok wordt vergroot naar 1,9 hectare en de hokoppervlakte neemt toe met 5.160 m². 1.6. Verweerder heeft bij brief van 20 november 2008 aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen (hierna: het college van GS) verzocht een positieve principe-uitspraak te doen voor wat betreft het voormelde bouwplan. 1.7. Het college van GS heeft bij brief van 21 april 2009 aan verweerder te kennen gegeven in principe te kunnen instemmen met de bouw van twee stallen aan de westzijde van de bestaande stal, waarbij het aantal dieren wordt uitgebreid tot 150.000, evenals met de aanleg van de beplanting, zoals aangegeven in het opgestelde landschapsinpassingsplan. 1.8. Verweerder heeft bij brief van 20 december 2011 aan eiser verzocht om uiterlijk voor 31 maart 2012 de milieueffectrapportage (hierna: de MER) voor wat betreft voormeld bouwplan in te dienen. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek heeft verweerder de termijn voor het indienen van de MER verlengd tot uiterlijk 30 juni 2012. 1.9. Eiser heeft op 29 juni 2012 een MER voor w Toepasselijke regelgeving 2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) kan de gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. 2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag slechts en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning: binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk, voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO. 2.2. De in artikel 19, tweede lid, van de WRO bedoelde categorieën van gevallen is de provinciale projectenlijst. In de categorie “Buitengebied”, onder F, van de provinciale projectenlijst is vermeld: het uitbreiden van (een bouwperceel van) een agrarisch bedrijf mits een verklaring van geen bezwaar is aangegeven en waarbij tijdens keukentafelgesprekken een akkoord moet zijn bereikt met provincie, welstand, ondernemer en gemeente. 2.3. Ingevolge het ten tijde van de aanvraag vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” is aan het perceel de bestemming “Landelijk gebied” met de aanduiding “agrarisch bedrijf”. Ingevolge artikel 3.1, onder a, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “agrarisch” aangewezen gronden bestemd voor: agrarische bedrijven, met inbegrip van de bestaande intensieve veehouderijbedrijven ter plaatse van de aanduiding “intensieve veehouderij”. 2.4. In artikel 6.5 van de Omgevingsverordening provincie Groningen (OPG 2009) is bepaald dat lopende aanvragen kunnen leiden tot een verklaring van geen bedenkingen door gedeputeerde staten, mits het verzoek tot het verlenen van deze verklaring van geen bedenkingen voor 31 december 2015 is ingediend. Overwegingen 3. Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval terecht geweigerd heeft om een bouwvergunning aan eiser te verlenen voor het bouwen van twee stallen op het perceel aan de [adres] te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. 4. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het bouwplan van eiser in strijd is met het bestemmingsplan “Buitengebied” voor wat bet Verder is in dit e-mailbericht aangegeven dat het in het kader van voormelde aanvraag noodzakelijk is dat er een definitieve MER en een ruimtelijke onderbouwing aanwezig zijn ter onderbouwing van de plannen en om de ruimtelijke inpasbaarheid te kunnen beoordelen. Uit voorgaande overwegingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van aan verweerder toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waaraan eiser het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat verweerder ondanks het ontbreken van een volledige MER een aanvraag om een verklaring van geen bedenkingen bij verweerder zou indienen voor het onderhavige bouwplan. Deze grond van eiser slaagt niet. 6.1. Eiser betoogt dat het evident onjuist is dat er voor 31 december 2015 geen definitieve MER gereed was. In de visie van eiser blijkt uit de ‘Memo aanvulling MER Burema’ dat de MER alle relevante informatie bevatte en slechts op enkele punten nog moest worden aangepast. Naar de mening van eiser betrof het slechts redactionele wijzigingen die de inhoud van de MER niet deden wijzigen. Gelet hierop is eiser verder van mening dat verweerder door het niet aanvragen van de verklaring van geen bedenkingen in strijd met de zorgvuldigheid heeft gehandeld. In dit verband wijst eiser erop dat geen goede belangen-afweging is gemaakt en dat geen acht is geslagen op het beginsel van de minste pijn. Volgens eiser was verweerder ermee bekend dat het overgangsrecht in de provinciale verordening zou wijzigen en had hij daarmee rekening moeten houden, te meer nu het aanvragen van een verklaring van geen bedenkingen niet betekent dat de vergunning moet worden verleend. Indien daarentegen het provinciale beleid na 2015 vergunningverlening niet langer mogelijk maakt, is eiser daarnaast van mening dat het aan verweerder te wijten is dat niet van het daarvoor vigerende overgangsrecht gebruik is gemaakt. Verder heeft verweerder volgens eiser ten onrechte nagelaten aan hem financiële compensatie aan te bieden voor het als gevolg van de weigering geen doorgang (meer) vinden van de beoogde ontwikkeling. In de visie van eiser is het bestreden besluit reeds om die reden onrechtmatig. 6.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in dit geval niet voldaan is aan het binnen de uiterste aanleverdatum indienen van een complete en aanvaardbare MER. In dit verband wijst verweerder erop dat daarbij een advies van 11 december 2015 van de ODG is betrokken. Volgens verweerder volgt hieruit dat de ingediende MER tekort schiet op aspecten als Natuurbeschermingswet (Nbw), referentiesituatie aanwezige vleesstieren, geur- en fijnstofberekeningen, geluid, volksgezondheid en de opslag van mest. Naar de mening van verweerder zijn dit niet louter redactionele tekortkomingen, maar juist inhoudelijke gebreken. Verweerder wijst erop dat ondanks de diverse aanpassingsrondes de MER door zijn adviseur (de ODG) onvolledig en niet akkoord is bevonden, hetgeen ertoe heeft geleid om geen verklaring van geen bedenkingen aan te vragen bij het college van GS en om over te gaan tot weigering van de bouwvergunning. Verder wijst verweerder erop dat een financiële compensatie kan worden verlangd, indien er sprake is van een onrechtmatig genomen besluit. Gelet op de uitgebreide voorgeschiedenis, waarbij in de visie van verweerder een zorgvuldige afweging is gemaakt en er geen sprake is van gerechtvaardigd gewekt vertrouwen, bestaat er geen basis om over te gaan tot het aanbieden van een financiële compensatie. 6.3. Voor zover eiser betoogt dat er in dit geval voor 31 december 2015 een definitieve MER gereed was, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn ter zitting naar voren gebrachte stelling dat verweerder vanwege het tijdsverloop en het te lang de tijd nemen voor de beoordeling van de ingediende concept-MER de gerecht-vaardigde verwachting bij eiser heeft gewekt dat alsnog een verklaring van geen bedenkingen bij het college van GS zou worden aangevraagd. Hierbij neemt de