Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-28
ECLI:NL:RBNNE:2017:5041
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 17/1550 en 17/1566 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2017 in de zaken tussen 1 a.[eisers], te [plaats], eisers sub 1.a., (gemachtigde: mr. G.J. Binnema), 1 b.[eiser], te [plaats], eiser sub 1.b., (gemachtigde: mr. E.F.J.A.M. de Wit), hierna gezamenlijk te noemen: eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden , verweerder, (gemachtigde: mr. H. Helbig). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kuwait Petroleum (Nederland) B.V., gevestigd te Den Haag, vergunninghoudster, (gemachtigde: mr. R. Evens). Procesverloop Bij besluit van 4 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunning-houdster een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een onbemand tankstation, zonder vulpunt voor LPG, op het perceel [adres] te [plaats]. Bij besluit van 13 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de (afzonderlijke) bezwaarschriften van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een verbeterde motivering gehandhaafd. Tegen dit besluit hebben eisers afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 28 november 2017. Eisers sub 1.a. zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde en [betrokkene]. Eiser sub 1.b. is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster is voornoemde gemachtigde verschenen. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden. 1.1. Vergunninghoudster heeft op 1 juni 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten van een onbemand tankstation, zonder vulpunt voor LPG, op het perceel [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend. De aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteit: - bouwen; - handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening. 1.2. Verweerder heeft het bouwplan ter advisering voorgelegd aan Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg (hierna: de welstandscommissie). In een advies van 30 augustus 2016 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. In dit verband heeft de welstandscommissie aangegeven dat de toepassing van bestrating rond de zogeheten pricesign in de groenzone aan de Overijsselselaan de groene setting alhier te zeer aantast. 1.3. Verweerder heeft bij primair besluit van 4 oktober 2016 aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een onbemand tankstation, zonder vulpunt voor LPG, op het perceel [adres] te [plaats]. 1.4. Tegen dit besluit hebben eisers sub 1.a. bij afzonderlijke brief van 14 november 2016 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Tegen dit besluit heeft eiser sub 1.b. bij afzonderlijke brief van 14 november 2016 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. 1.5. Eisers hebben de bezwaarschriften mondeling toegelicht op een hoorzitting van 30 januari 2017 van de adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Leeuwarden (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken. 1.6. De commissie heeft verweerder bij brief van 6 maart 2017 geadviseerd om: - de bezwaarschriften van eisers ongegrond te verklaren; - de motivering van het primaire besluit van 4 oktober 2016 te verbeteren, in die zin dat: 1. alsnog gebruik wordt gemaakt van de in artikel 19.1 van de voorschriften van het bestemmingsplan “De Zuidlanden, plandeel Overijsselselaan” gegeven afwijkingsbevoegdheid voor wat betreft de bouwhoogte van de luifel, waarmee de strijdigheid met het bestemmingsplan op dit punt wordt opgeheven, en; 2. alsnog wordt overwogen dat een deel van de in- en uitrit van het bouwplan de bedrijfsvloeroppervlak in totaal niet meer bedraagt dan 3.500 m², met dien verstande dat de totale bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van detailhandel in niet-dagelijkse recreatieve goederen niet meer mag bedragen dan 1.000 m²; 2. dit past binnen de detailhandelsstructuur van de gemeente Leeuwarden. Ingevolge artikel 19.1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan is het bevoegd gezag bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken, indien niet op grond van een andere bepaling van het bestemmingsplan een omgevings-vergunning kan worden verleend, van de in de bestemmingsregels gegeven aantallen, maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die aantallen, maten, afmetingen en percentages. Ingevolge artikel 19.2 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan kan de in artikel 19.1 van de planvoorschriften genoemde omgevingsvergunning uitsluitend worden verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaats vindt van: a. de woonsituatie; b. het straat- en bebouwingsbeeld; c. de verkeerssituatie; d. de parkeercapaciteit; e. het waterbeheer; f. de sociale veiligheid; g. de externe veiligheid en de brandveiligheid; h. de milieusituatie; i. archeologie; j. cultuurhistorie; k. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; l. de hoogtebeperkingen die voortvloeien uit de geldende luchtvaartwet- en regelgeving, in verband met de vliegbasis Leeuwarden, of andere in het gebied aanwezige hoogtebeperkingen. 2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Jabikswoude” is aan (een gedeelte van) het perceel de bestemming “Verkeersdoeleinden” toegekend. Ingevolge artikel 10.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “Verkeersdoeleinden” aangewezen gronde bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf: a. wegen en straten; b. voet- en rijwielpaden; c. groenvoorzieningen; d. water met de daarbij behorende: e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Overwegingen 3. In procedureel opzicht overweegt de rechtbank als volgt. 3.1. Vergunninghoudster betoogt dat eisers sub 1.a. het ingediende pro forma beroep niet tijdig hebben aangevuld. In dit verband wijst vergunninghoudster erop dat eisers sub 1.a door middel van een brief met dagtekening van 1 mei 2017 door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld om de gebreken die kleefden aan het pro forma beroep binnen vier weken na verzending van die brief te herstellen. Gelet hierop eindigde de termijn om de gebreken te herstellen volgens vergunninghoudster op 29 mei 2017. Uit de aanhef van de brief van eisers sub 1.a. en de daarop door de rechtbank aangebrachte stempel blijkt in de visie van vergunninghoudster echter dat de machtiging alsmede het overzicht adresgegevens eisers sub 1.a., de verklaring van erfrecht en de gronden van beroep op 30 mei 2017 zijn afgegeven bij de balie van de griffie van de rechtbank. Daarmee zijn de gebreken die kleefden aan het pro forma beroep naar de mening van vergunninghoudster niet tijdig hersteld en is het beroep niet-ontvankelijk. 3.2. De rechtbank stelt vast dat eisers sub 1.a. naar aanleiding van het ingediende pro forma beroep bij brief van 1 mei 2017, verzonden op 2 mei 2017, in de gelegenheid zijn gesteld om binnen vier weken na de verzenddatum van deze brief de geconstateerde gebreken te herstellen. Verder stelt de rechtbank vast dat eisers sub 1.a. op 30 mei 2017 de door de rechtbank bij voormelde brief verzochte gegevens hebben afgegeven bij de balie van de griffie van de rechtbank. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eisers sub 1.a. tijdig de geconstateerde gebreken hebben hersteld, zodat er in dit geval geen aanleiding bestaat om vergunninghoudster te volgen in haar stelling dat het beroep van eisers sub 1.a. niet-ontvankelijk is. 4. In procedureel opzicht overweegt de rechtbank verder als volgt. 4.1. Vergunninghoudster betoogt dat eiser sub 1.b. in dit geval niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ka Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval een omgevingsvergunning onder binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan “De Zuidlanden, plandeel Overijsselselaan” heeft kunnen verlenen ten behoeve van het oprichten van een onbemand tankstation, zonder vulpunt voor LPG, op het perceel [adres] te [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. 7.1. Eisers sub 1.a. betogen dat bij het opstellen van voormeld bestemmingsplan aansluiting is gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna: de SVBP 2008). Met de SVBP 2008 is volgens eisers sub 1.a. beoogd de uniformiteit van bestemmingsplannen alsmede de rechtszekerheid voor betrokkenen te waarborgen. Naar de mening van eisers sub 1.a. dient bij de interpretatie van een bestemmingsplan met het oog op voormelde rechtszekerheid eveneens aansluiting te worden gezocht bij de SVBP 2008. Gelet hierop zijn eisers sub 1.a. verder van mening dat de redenering dat een verkooppunt voor motorbrandstoffen op voor detailhandel bestemde gronden kan worden toegestaan, afbreuk doet aan de rechtszekerheid. Daarbij nemen eisers sub 1.a. in aanmerking dat zij ten tijde van de terinzagelegging van het onderhavige bestemmingsplan geen enkele aanleiding hebben gezien om een zienswijze in te dienen of beroep in te stellen. Immers, voormeld bestemmingsplan voorziet niet in de bestemming “bedrijf” en de functieaanduiding “verkooppunt voor motorbrandstoffen”, en daarmee volgens eisers sub 1.a. ook niet in de mogelijkheid tot vestiging van een verkooppunt voor motorbrandstoffen. Eén en ander blijkt in de visie van eisers sub 1.a. eveneens uit de wijze waarop verkooppunten voor motorbrandstoffen binnen de gemeente Leeuwarden worden bestemd. In dit verband wijzen eisers sub 1.a. erop dat binnen de gemeente Leeuwarden geen enkel verkooppunt voor motorbrandstoffen is vergund op voor “detailhandel” bestemde gronden. Volgens eisers sub 1.a. worden verkoop- punten voor motorbrandstoffen binnen de gemeente Leeuwarden steeds bestemd binnen de bestemming “bedrijf” en de uitdrukkelijke functieaanduiding “verkooppunt voor motorbrandstoffen”. Gelet hierop zijn eisers van mening dat voormeld bestemmingsplan geen verkooppunt voor motorbrandstoffen toestaat. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers sub 1.a. onder verwijzing naar een uitspraak van 4 oktober 2017 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2017:2684, naar voren gebracht dat a contrario geredeneerd bestemmingsplannen die in werking zijn getreden na de vaststelling van de SVBP 2008 in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning getoetst kunnen en dienen te worden aan de systematiek van de SVBP 2008. Gelet op de SVBP 2008 biedt voormeld bestemmingsplan naar de mening van eisers sub 1.a. geen rechtsgrondslag voor het verlenen van de onderhavige omgevingsvergunning, aangezien een verkooppunt voor motorbrandstoffen enkel kan worden toegestaan op de met de hoofdgroep “bedrijf” bestemde gronden. 7.2. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2004:AO1633 en ECLI:NL:RVS:2011:BU9443, op het standpunt dat tankstations dan wel het verkopen van motorbrandstoffen onder de bestemming “detailhandel” kunnen vallen. Dat niet in alle bestemmingsplannen een eenduidige regeling is opgenomen ten behoeve van de mogelijke realisatie van tankstations, doet naar de mening van verweerder niet af aan de rechtskracht van voormeld bestemmingsplan en de uitleg van de planvoorschriften daarvan. Verder is verweerder, gelet op de begripsomschrijving van detailhandel in de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan, van mening dat een onbemand tankstation in dit geval binnen de ter plaatse geldende bestemming kan worden gerealiseerd. 7.3. In de onder rechtsoverweging 7.1. aangehaalde uitspraak van de AbRvS is onder meer het volgende overwogen: ‘Voor zover GNMF en andere er op hebben gewezen dat zorgappartementen en zorg-woningen volgens de Standaard voor Vergelijkbare Best Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan wordt onder bedrijfsvloeroppervlakte verstaan: het totale vloeroppervlak van de ruimte binnen een bouwwerk dat wordt gebruikt voor de uitoefening van een kantoor, winkel, voorziening, (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke. 8.4. Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerder gegeven uitleg voor wat betreft het begrip bedrijfsvloeroppervlakte in dit geval niet onjuist. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de bedoelde technische ruimte van het te realiseren onbemande tankstation geen detailhandelsgoederen worden opgeslagen. Verder neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat de technische ruimte kan worden opgevat als een voorziening bij de bestemming “detailhandel”, zoals bedoeld in artikel 3.1, sub h, van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan. Gelet hierop is verweerder naar het oordeel van de rechtbank uitgegaan van een juiste berekening van het bedrijfsvloer-oppervlak van het te realiseren onbemande tankstation en heeft verweerder zich in zoverre terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van strijd met voormeld bestemmingsplan. Deze grond van eiser sub 1.b. slaagt niet. 9. De rechtbank overweegt dat het verlenen van een omgevingsvergunning door gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid een bevoegdheid van verweerder is. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het besluit in zoverre terughoudend moet worden getoetst (vgl. AbRvS, 5 februari 2014, ECLI: NL:RVS:2014:336). 9.1. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het bouwplan voor wat betreft de hoogte van de luifel in strijd is met artikel 3.2.3, onder c, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “De Zuidlanden, plandeel Overijsselselaan”. Hierin is bepaald dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 5 meter, terwijl de hoogte van de te bouwen luifel 5,20 meter bedraagt. Om medewerking te verlenen aan het bouwplan heeft verweerder toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten eerste, van de Wabo. 9.2. Eisers sub 1.a. betogen dat de Sudertrimdielsdyk qua uiterlijk en signalering een Rijksweg was. Volgens eisers sub 1.a. was de raad als planwetgever daarmee bekend, althans behoorde bekend te zijn met het verbod om langs deze weg een verkooppunt voor motor- brandstoffen te vestigen. Daarnaast wijzen eisers sub 1.a. erop dat bij gebreke van een formele overdracht van het beheer van de weg in overeenstemming met het bepaalde in de Waterstaatswet 1900 het uitgiftebeleid van de Staat der Nederlanden onverkort geldt. Nu een formele overdracht van het beheer van de weg aan de gemeente Leeuwarden ontbreekt, is de vestiging van het onderhavige verkooppunt voor motorbrandstoffen in strijd met voormeld uitgiftebeleid. 9.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verkooppunt voor motorbrandstoffen niet is gelegen op een verzorgingsplaats aan een weg in beheer bij het Rijk en in eigendom van de Staat. Om die reden valt het tankstation volgens verweerder niet onder de werkings-sfeer van de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen. Van strijd met het uitgiftebeleid is naar de mening van verweerder niet gebleken. 9.4. De rechtbank overweegt dat het uitgiftebeleid van brandstofverkooppunten geregeld is in de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen. In deze wet zijn regels opgenomen voor de uitgifte van tankstations langs rijkswegen. Artikel 2 bepaalt dat deze wet slechts van toepassing is op locaties die zijn gelegen op een verzorgingsplaats: 1. aan een weg in beheer bij het Rijk, en 2. in eigendom van de Staat. 9.5. Uit rechtsoverweging 9.1. volgt dat de strijdigheid met voormeld bestemmingsplan in dit geval uitsluitend betrekking heeft op de hoogte van de luifel. In d Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2013:1192, volgt dat concurrentieverhoudingen bij een planologische belangenafweging in beginsel buiten beschouwing dienen te worden gelaten, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. Voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is doorslaggevend of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. In hetgeen eisers sub 1.a. hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de vaste jurisprudentie van de AbRvS. Hieruit volgt dat verweerder zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de concurrentieverhoudingen geen rol spelen in de planologische belangenafweging, aangezien het hier niet een eerste levensbehoefte betreft, maar de vestiging van een onbemand tankstation. In zoverre slaagt deze grond van eisers sub 1.a. niet. 11.1. Eiser sub 1.b. betoogt dat de detailhandelsstructuur een evenwichtige spreiding van tankstations impliceert. In dit verband wijst eiser sub 1.b. erop dat binnen hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied al een brandstofverkooppunt (van eisers sub 1.a.) aanwezig is. Gelet hierop dient naar de mening van eiser sub 1.b. te worden vastgesteld dat door verweerder ten onrechte niet is onderzocht of onderhavig tankstation past binnen de detailhandelsstructuur. Daarnaast wijst eiser sub 1.b. erop dat verweerder nadrukkelijk heeft opgemerkt dat in de recente bestemmingsplannen van de gemeente Leeuwarden de verkoop van motorbrandstoffen wordt uitgesloten binnen de detailhandelsbestemmingen. Hieruit volgt naar de mening van eiser sub 1.b. dat de vestiging van het onderhavige tankstation niet past binnen de detailhandelsstructuur. 11.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met deze bepaling de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin eisers door het bestreden besluit dreigen te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van eisers. 11.3. De rechtbank stelt vast dat de detailhandelsstructuurvisie tot doel heeft om te komen tot een evenwichtige spreiding van tankstations binnen de gemeente Leeuwarden en niet strekt tot de bescherming van belangen van eiser sub 1.b. Dat betekent dat, wat er verder ook zij van het betoog van eiser sub 1.b., dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Deze grond van eiser sub 1.b. slaagt niet. Conclusie 12. Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen van eisers ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding. Beslist wordt als volgt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep van eisers sub 1.a. ongegrond; - verklaart het beroep van eiser sub 1.b. ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2017. De griffier De rechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de