Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-15
ECLI:NL:RBNNE:2017:4949
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Bestuursrecht locatie Groningen zaaknummers: LEE 16/3740, 16/3744 en 16/3756 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2017 in de zaken tussen 1 [eisers], te [plaats], eisers sub 1, (gemachtigde: mr. H. Martens), 2 [eiser], te [plaats], eiser sub 2, 3 [eisers], te [plaats], eisers sub 3, (gemachtigde: mr. M.J. Smaling), hierna gezamenlijk te noemen: eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe , verweerder, (gemachtigde: mr. A. Klerk). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], gevestigd te [plaats], vergunninghoudster, (gemachtigde: ing. B.H. Wopereis). Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en onder weerlegging van de zienswijzen van eisers aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van vier vleeskuikenstallen en het herbouwen van een werktuigenberging op het perceel aan de [adres] te [plaats]. Tegen het bestreden besluit hebben eisers afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 4 april 2017. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 30 juni 2017 heeft de StAB aanvullend gerapporteerd. De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 14 november 2017. Namens eisers sub 1 is [naam] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiser sub 2 is in persoon verschenen. Eisers sub 3 zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, S. van Kampen en E. Abbingh, werkzaam bij de gemeente, alsmede M.J. Siersema, J. Post en J.H. Abbing, werkzaam bij de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD). Namens vergunninghoudster is verschenen [naam], bijgestaan door haar gemachtigde. Overwegingen Feiten en omstandigheden 1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden. 1.1. Vergunninghoudster heeft op 29 oktober 2015 een aanvraag om omgevings-vergunning voor het bouwen van vier vleeskuikenstallen en de herbouw van een werktuigenberging op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteiten: - bouwen; - handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening; - het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting. Aan de aanvraag om omgevingsvergunning heeft vergunninghoudster een akoestisch onderzoek d.d. 15 juli 2016 van adviesbureau De Haan B.V., een onderzoeksrapport d.d. 4 december 2015 inzake brandveiligheid van Fuecon brandbeheersing en een milieueffect-rapportage d.d. 12 januari 2016 van ing. B.H. Wopereis ten grondslag gelegd. 1.2. Verweerder heeft op 5 april 2016 een ontwerpbesluit tot het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning genomen. Verweerder heeft het ontwerpbesluit gepubliceerd in de Krant van Midden-Drenthe van 13 april 2016. 1.3. Eisers sub 3 hebben bij brief van 17 mei 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend. Eiser sub 2 heeft bij afzonderlijke brief van 23 mei 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend. Eisers sub 1 hebben bij afzonderlijke brief van 23 mei 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend. 1.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en onder weerlegging van de zienswijzen van eisers aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van vier vleeskuikenstallen en het herbouwen van een werktuigenberging op het perceel aan de [adres] te [plaats]. 1.5. Verweerder heeft het bestreden besluit gepubliceerd in de Krant van Midden-Drenthe van 10 augustus 2016. Toepasselijke regelgeving 2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, a Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Wabo houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met: de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer (Wm). Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, ten eerste, van de Wabo neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht: dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, ten tweede, van de Wabo neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht: de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wm, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft, voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder (Wgh). 2.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wm wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht. Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wm worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wm wordt elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan. 2.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder concentratiegebied verstaan: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004054&bijlage=I&g=2017-10-24&z=2017-10-24), of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wgv betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen: a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht; b. binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht; c. buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht; d. buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een Rondom deze gebieden zijn een aantal geurgevoelige objecten overbelast en is sprake van een tamelijk slecht tot zelfs in enkele gevallen een extreem slecht woon- en leefklimaat. Verder is in voormelde paragraaf aangegeven dat in het buitengebied maximaal een achtergrondbelasting van 10 ouE/mᶾ is toegestaan om nog te kunnen spreken van het gewenste matige woon- en leefklimaat. 2.4. Verweerder heeft de geluidsbelasting vanwege de activiteiten binnen de inrichting beoordeeld aan de hand van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (de Handreiking). De Handreiking geeft richt- en grenswaarden voor het geluid vanwege een inrichting op de gevel van woningen. De richt- en grenswaarden zijn primair gesteld voor de representatieve bedrijfssituatie. Dat is de bedrijfssituatie waarbij de inrichting onder normale omstandigheden in werking is, uitgaande van de volledige capaciteit van de inrichting. Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) zijn de richtwaarden gerelateerd aan de aard van het gebied en het activiteitenniveau. De Handreiking maakt daarbij onderscheid tussen drie gebiedstypen: “landelijke omgeving”, “rustige woonwijk, weinig verkeer” en “woonwijk in de stad”. Aard van de woonomgeving Aanbevolen richtwaarden in de woonomgeving in dB(A) dag avond nacht - landelijke omgeving 40 35 30 - rustige woonwijk, weinig verkeer 45 40 35 - woonwijk in de stad 50 45 40 Verweerder heeft de omgeving waarin de inrichting en de woningen van eisers zijn gesitueerd getypeerd als “landelijke omgeving”. Hiervoor gelden richtwaarden van 40 dB(A) in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode. In de Handreiking is aangegeven dat een overschrijding van de richtwaarden mogelijk is op basis van een bestuurlijk afwegingsproces. Voor nieuwe inrichtingen speelt het heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid daarbij een belangrijke rol. Als maximum geldt een etmaalwaarde van 50 dB(A) of het referentieniveau van het omgevingsgeluid. In de Handreiking is verder aangegeven dat voor het maximale geluidsniveau (LAmax) gestreefd dient te worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidsniveau uitkomen. In die gevallen waarin niet aan de streefwaarde kan worden voldaan, wordt in de Handreiking sterk aanbevolen om de maximale geluidsniveaus in ieder geval niet hoger te laten zijn dan 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Los van bovenstaande biedt de Handreiking de mogelijkheid om voor incidentele bedrijfssituaties hogere waarden dan de richt- en grenswaarden te vergunnen. Een dergelijke ontheffing kan voor maximaal 12 maal per jaar worden verleend en dient in de vergunning te worden gemotiveerd. Daarbij dient te worden nagegaan in hoeverre de hinder voor de omgeving kan worden beperkt, bijvoorbeeld door minder ontheffingen te verlenen, geluidgrenswaarden op te leggen of de tijdsduur van de ontheffing te beperken. 2.5. Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied Midden-Drenthe” zijn aan het perceel de bestemming “Agrarisch met waarden-1”, met de nadere aanduiding “intensieve veehouderij”, en de dubbelbestemming “Archeologie 2” toegekend. Ingevolge artikel 4.1, sub c, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “agrarisch met waarden-1” aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf met een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “intensieve veehouderij”. Ingevolge artikel 4.2, lid a, aanhef en sub 4a, geldt voor het bouwen van gebouwen en overkappingen de volgende regel: de gebouwen zullen uitsluitend binnen een aaneengesloten vierhoek van 1,5 ha worden gebouwd, gerekend vanuit de aanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – grondgebonden agrarisch bedrijf’, ‘intensieve veehouderij’ of ‘specifieke vorm van agrarisch – grondgebonden agraris In dit verband wijzen eisers sub 3 erop dat het aannemelijk is dat er tussen beide inrichtingen organisatorische en functionele bindingen zijn. Daarbij achten eisers sub 3 van belang dat beide inrichtingen onder dezelfde holding vallen, waarin de [naam] zeggenschap heeft. Verder achten eisers sub 3 van belang dat [naam] bepaalt welke werkzaamheden op welke locatie zullen worden verricht, waarbij het voor de hand ligt dat de werknemer in de bedrijfs- woning op de nieuwe locatie ook werkzaamheden zal verrichten in en ten behoeve van de inrichting aan de [adres] Daarnaast valt volgens eisers sub 3 te verwachten dat de aan te schaffen shovel binnen beide inrichtingen zal worden gebruikt. Verder verwachten eisers sub 3 dat de mest na een kippenronde (tussentijds) wordt opgeslagen op de bestaande mestplaat van de inrichting aan de [adres] 5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in dit geval geen sprake is van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wm, maar van twee afzonderlijke inrichtingen. In dit verband wijst verweerder erop dat de exploitatie van de inrichting plaats-vindt door twee afzonderlijke rechtspersonen. Daarbij acht verweerder van belang dat er sprake is van eigen faciliteiten en voorzieningen alsmede van gescheiden opslag en afvoer van afvalstoffen. 5.3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014:937, volgt dat om van één inrichting te kunnen spreken het voldoende is als twee van de drie bindingen aanwezig zijn, waarbij organisatorische bindingen altijd zijn vereist. Organisatorische bindingen worden bepaald doordat de activiteiten door dezelfde onderneming of instelling (rechtspersoon) worden verricht, of dat er bijvoorbeeld sprake is van een gemeenschappelijke directie, moeder-maatschappij of beheerder. Een doorslaggevend aspect van het kenmerk organisatorische bindingen is zeggenschap. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2010:BL6248, dient te worden afgeleid dat bij het ontbreken van zeggenschap nimmer sprake kan zijn van één inrichting. Dit komt omdat zeggenschap is vereist om te verzekeren dat de voorschriften van de vergunning kunnen worden nageleefd. 5.4.1. In hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de StAB advies uit te laten brengen. De StAB heeft op 4 april 2017 van advies gediend. 5.4.2. Met betrekking tot het aspect één inrichting heeft de StAB in het advies van 4 april 2017 onder meer aangegeven dat het bestaande pluimveebedrijf aan de [adres] en het nieuw op te richten pluimveebedrijf aan de [adres] in elkaars nabijheid liggen. Tussen beide inrichtingen is sprake van een organisatorische binding in de vorm van zeggenschap, maar er zijn geen technische- of functionele bindingen. In dit verband wijst de StAB erop dat er bijvoorbeeld geen sprake is van een gemeenschappelijke riolering, kantine, inrit of nutsvoorzieningen. Verder wijst de StAB er in dit verband op dat beide inrichtingen gebruik maken van eigen materieel en dat die geen goederen of diensten uitwisselen. Onder andere is door de vertegenwoordiger van [naam] te kennen gegeven dat de vrijkomende afvalstromen (mest, kadavers, spoelwater) afzonderlijk worden opgeslagen en afgevoerd. Het enkele feit dat de inrichting aan de [adres] wel een mestplaat heeft en de inrichting aan de [adres] geen mestplaat heeft aangevraagd, maakt volgens de StAB niet dat er daardoor sprake is van een functionele binding. Daarbij acht de StAB van belang dat de mest vanaf de inrichting aan de [adres] met vrachtwagens wordt afgevoerd naar de afvalverbrandingsinstallatie in Moerdijk en dat de inrichting aan de [adres] bovendien geen vergunning heeft om mest van andere locaties in te nemen. Daarnaast heeft de StAB in voormeld advies aangegeven dat op grond van het locatiebezoek aan de [adres] is komen vast te staan dat de inrichting over een eigen shovel van het merk CLAAS Volgens verweerder wordt in de dagperiode voldaan aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. Daarnaast wijst verweerder erop dat het vier maal per jaar tussentijds uithalen van kuikens in de nachtperiode expliciet in de voorschriften is opgenomen. 6.3. Aan het bestreden besluit tot het verlenen van omgevingsvergunning heeft verweerder met betrekking tot het aspect geluid onder meer de navolgende voorschriften verbonden. D.1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in de tabel genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden; Toetspunt (op de gevel van, ter hoogte van een geluidgevoelige ruimte) 07:00 – 19:00 uur 19:00 – 23:00 uur 23:00 – 07.00 uur Vorrelveenseweg 5, 8, 10 en 12 40 35 30 Meerweg 30 40 35 31 * beoordelingshoogte in dagperiode is 1,5 m boven plaatselijk maaiveld; in de avond- en nachtperiode 5 m boven plaatselijk maaiveld. b. geluidmetingen en –berekeningen en de beoordeling van de resultaten ervan moeten worden uitgevoerd volgens de richtlijnen, aangegeven in de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”, uitgave 1999. D.2. Voor het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat: a. de niveaus op de in de tabel genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden; 07:00 – 19:00 uur 19:00 – 23:00 uur 23:00 – 07:00 uur LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) * beoordelingshoogte in dagperiode is 1,5 m boven plaatselijk maaiveld; in de avond- en nachtperiode 5 m boven plaatselijk maaiveld. b. de in de periode tussen 07:00 uur en 19:00 uur in de tabel opgenomen waarden niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten, alsmede op het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid; c. geluidmetingen en –berekeningen en de beoordeling van de resultaten ervan moeten worden uitgevoerd volgens de richtlijnen, aangegeven in de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai”, uitgave 1999. D.3. De in de tabel bij voorschrift D.1. gestelde geluidsnormen gelden niet voor de in de inrichting verrichte transportbewegingen en overige activiteiten ten behoeve van de afvoer van vleeskuikens (leeghalen van de stallen) in de nacht- en aansluitende dagperiode (8 dagen per jaar) en het uitladen van de kuikens met maximaal 2 vracht-wagens per stal in de nachtperiode (4 keer per jaar). D.8. De shovel dient geluidsarm te zijn met een maximaal bronvermogen van 97 dB(A). D.9. In het verlengde van stal E dient een aarden wal te worden aangelegd van circa 40 meter lang en 2,5 meter hoog. 6.4. Met betrekking tot het aspect geluid heeft de StAB in de rapportage van 4 april 2017 onder meer het volgende aangegeven. Voor de representatieve bedrijfssituatie volgt uit het akoestische rapport van adviesbureau De Haan B.V. dat ter plaatse van de woningen van eisers sub 3 (Vorrelveenseweg 8) en eiser sub 2 (Meerweg 28) aan de richtwaarden voor een landelijk gebied wordt voldaan. Bij twee woningen is volgens de StAB in de representatieve bedrijfssituatie sprake van een overschrijding van de richtwaarden. Eén van die woningen is de woning van eisers sub 1 (Vorrelveenseweg 10), aangezien daar sprake is van een overschrijding van 2 dB in de dagperiode. In de visie van de StAB kan met de in de omgevingsvergunning voorgeschreven maatregelen, te weten het oprichten van een aarden wal en de inzet van een geluidsarme shovel, de overschrijding bij de woning van eisers sub 1 wor Naar de mening van eisers sub 1 is door verweerder derhalve een overschrijding van de geldende cumulatieve geurnorm toegestaan, terwijl die overschrijding niet is gemotiveerd. 7.1.2. Eiser sub 2 betoogt dat de verhoging van de geurnorm van 8 naar 14 ouE/mᶾ niet in overeenstemming is met artikel 8 van de Wgv. Eisers sub 2 wijst erop dat in de MER alleen de emissie van de vier stallen is bezien. Er is niet aangetoond wat de emissie zal zijn als de bestaande zes stallen van de inrichting aan de Meerweg 30 worden meegerekend. Eiser sub 2 stelt thans al vaak geurhinder van de bestaande stallen te ondervinden. 7.1.3. Eisers sub 3 betogen dat het geuraspect in dit geval niet juist is beoordeeld door verweerder, nu de beoordeling niet tevens betrekking heeft op de geur van de kippenmest, waarvoor in de voorschriften van de vergunning geen nadere regels zijn gesteld. 7.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Geurverordening in overeenstemming is met artikel 8 van de Wgv. In de Geurverordening is bepaald dat op geurgevoelige objecten in het buitengebied de geurbelasting maximaal 14 ouE/mᶾ mag bedragen. Gelet op de berekeningen van de geurbelasting is verweerder van mening dat de geurbelasting in dit geval lager is dan de norm. Met betrekking tot de cumulatieve geurhinder stelt verweerder zich op het standpunt dat op basis van de achtergrondbelasting in dit geval sprake is van een ongewijzigde situatie, waarbij ter plaatse van de omliggende woningen sprake is van een “redelijk goed tot (tamelijk) slecht” woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de bebouwde kom van Hijken is volgens verweerder sprake van een “goed tot redelijk goed” woon- en leefklimaat. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat de Wgv slechts de voorgrondbelasting normeert en niet voorziet in een toets van cumulatieve geurhinder bij de beoordeling van de activiteit milieu. Om die reden kan de norm naar de mening van verweerder niet worden vergeleken met de cumulatieve geurbelasting, zoals vermeld in de MER. 7.3. Met betrekking tot het aspect geurhinder heeft de StAB in de rapportage van 4 april 2017 onder meer het volgende aangegeven. Met de Geurverordening is volgens de StAB beoogd om voor het buitengebied van Hijken een maximale geurbelasting van 14 ouE/mᶾ toe te staan. Deze waarde ligt beneden de maximale waarde van 20 ouE/mᶾ voor het buitengebied die op grond van de Wgv in een Geurverordening voor een niet-concentratie-gebied is toegestaan. Volgens de StAB bedraagt de hoogste geurbelasting, veroorzaakt door de onderhavige inrichting, 9,0 ouE/mᶾ. Deze treedt op bij de woning van eisers sub 1. Naar de mening van de StAB blijft de geurbelasting binnen de norm van 14 ouE/mᶾ uit de Geurverordening. Daarnaast wijst de StAB erop dat voor de ruimtelijke planvorming en de geurgebiedsvisie een beoordeling van de cumulatieve geurbelasting aan de orde is. Ter plaatse van de woning van eisers sub 3 leidt de toename van de cumulatieve geurbelasting volgens de StAB tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van ‘matig’ naar ‘tamelijk slecht’. Bij de woning van eisers sub 1 leidt de toename van de cumulatieve geurbelasting tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat van ‘matig’ naar ‘slecht’. Verder wijst de StAB erop dat een beoordeling van de geur afkomstig van de buitenopslag van mest niet aan de orde is, omdat een buitenopslag niet is aangevraagd en derhalve niet is vergund. 7.4.1. In reactie op voormelde StAB-rapportage heeft vergunninghoudster bij brief van 1 mei 2017 te kennen gegeven dat uit een berekening met V-stacks blijkt dat zowel in de bestaande situatie alsmede in de vergunde situatie de bijdrage van de voorgrondbelasting, afkomstig van de pluimveehouderij aan de [adres] te Hijken bij alle maatgevende woningen van derden aan de [adres] hoger is dan 50%. Hieruit volgt in de visie van vergunninghoudster dat de voorgrondbelasting maatgevend is met betrekking tot de cumulatieve geurbelasting. Gelet hierop kan naar de mening van vergunning Los van de vraag of de vergelijking met een concentratiegebied in dit geval opgaat, merkt de StAB op dat ook, indien sprake is van een ‘slecht’ woon- en leefklimaat, zoals verweerder meent, het uitgangspunt van een matig woon- en leefklimaat is losgelaten. Indien louter naar de voorgrondbelasting wordt gekeken, is de op grond van de door verweerder aangeleverde bijdrage van de inrichting aan de [adres] volgens de StAB veelal bepalend boven die van de op te richten inrichting aan de [adres] Anders dan verweerder meent, geldt dit in de visie van de StAB niet voor de woning op het perceel aan de [adres] Daar bedraagt immers de voorgrondbelasting door de op te richten inrichting aan de [adres] 9 ouE/mᶾ tegen 8,1 ouE/mᶾ afkomstig van de bestaande inrichting aan de [adres]. Louter op grond van de voorgrondbelasting door de bestaande inrichting aan de [adres] constateert de StAB dat de milieukwaliteit reeds dusdanig slechts is dat er gezien het uitgangspunt van een matig woon- en leefklimaat in dit geval feitelijk geen milieuruimte is voor de op te richten inrichting. Vervolgens komt de StAB tot de conclusie dat de door partijen gegeven reacties in enkele gevallen tot gevolg hebben gehad dat een tekstuele aanpassing nodig was en/of een verduidelijking moest worden gegeven, maar dat die reacties niet tot andere conclusies leiden. 7.6. Voor zover eiser sub 2 betoogt dat de verhoging van de geurnorm van 8 naar 14 ouE/mᶾ niet in overeenstemming is met artikel 8 van de Wgv, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast de Geurverordening onderbouwd is met de Geurgebiedsvisie van 10 februari 2011, opgesteld door Milcura Overheidsadvisering B.V. en dat in hoofdstuk 6 van de Geurgebiedsvisie wordt ingegaan op de criteria die van belang zijn bij het bepalen van een andere maximale waarde dan die uit de Wgv. Gelet op de criteria genoemd in de Geurgebiedsvisie valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat de verhoging van de geurnorm van 8 naar 14 ouE/mᶾ in dit geval niet in overeenstemming is met artikel 8 van de Wgv. Deze criteria zijn gelijkluidend. Voor zover eiser sub 2 beoogt te betogen dat de Geurverordening in zoverre onverbindend dient te worden verklaard dan wel buiten toepassing dient te worden gelaten vanwege strijd met artikel 8 van de Wgv, overweegt de rechtbank dat er in dit geval, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding bestaat om bij wege van exceptieve toetsing de Geurverordening in dit geval onverbindend te achten dan wel buiten toepassing te laten. Deze grond van eiser sub 2 slaagt niet. 7.7. De rechtbank overweegt verder dat de Wgv en de Geurverordening betrekking hebben op de grenswaarden voor de individuele geurbelasting die een inrichting veroorzaakt op geurgevoelige woningen van derden en niet op de cumulatieve geurbelasting, veroorzaakt door alle inrichtingen gezamenlijk. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de Wgv en de Geurverordening geen normen zijn opgenomen voor wat betreft de cumulatieve geurbelasting. Gelet hierop kan de door eisers sub 1 naar voren gebrachte stelling, wat er ook van zij, dat er sprake is van een overschrijding van de normen ingevolge de Wgv door de cumulatieve geurbelasting niet tot het daarmee beoogde doel leiden. Uit rechtsoverweging 5.5. volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat beslist diende te worden op de ingediende aanvraag voor het oprichten van een inrichting op het perceel aan de [adres] en dat in het kader van de beoordeling van de milieuaspecten de bestaande stallen van de inrichting aan de [adres] daarbij niet hoefden te worden betrokken. Reeds om die reden volgt de rechtbank eiser sub 2 niet in zijn stelling dat verweerder in het kader van het aspect geur ten onrechte de bijdrage van de stallen van de inrichting aan de [adres] niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Deze grond van eisers slaagt niet. 7.8. In hetgeen eisers sub 3 hebben aangevoerd met betrekking tot de buitenopslag van mest, ziet de rechtbank gee Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat door het afwijken van voormeld bestemmings-plan in dit geval niet een ongunstiger situatie in het kader van het woon- en leefklimaat voor eisers sub 1 ontstaat dan het geval zou zijn, indien gebouwd zou worden in overeenstemming met voormeld bestemmingsplan. 7.13.3. Gelet op het verhandelde ter zitting volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat het afwijken van het bestemmingsplan in dit geval, gelet op het vergroten van de afstand tussen de op te richten pluimveestallen en de woningen van eisers, niet tot een ongunstigere situatie in het kader van het woon- en leefklimaat van eisers zal leiden in vergelijking met de toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er met het afwijken van voormeld bestemmingsplan in dit geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor eisers sub 1. Ook overigens kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat de door verweerder verrichte belangenafweging kennelijk onredelijk is. Deze grond van eisers sub 1 slaagt niet. Gezondheid 8.1. Eisers betogen dat verweerder in dit geval onvoldoende rekening heeft gehouden met gezondheidsschade. In dit verband wijzen eisers sub 1 op een driejarig onderzoek van het RIVM, Universiteit Utrecht (IRAS), Wageningen UR en NIVEL, waaruit in hun optiek blijkt dat in de nabijheid van veehouderijen gezondheidsschade (in de vorm van onder meer luchtwegklachten, astma en allergieën) optreedt. Eiser sub 2 stelt in dit verband dat onvoldoende gegarandeerd wordt dat gezondheidsschade door de emissie van fijnstof kan worden voorkomen. Eisers sub 3 wijzen er in dit verband op dat het onvermijdelijk is dat een totaal van 450.000 kuikens (Vorrelveenseweg 3a en Meerweg 30) zal leiden tot gezondheidsschade voor omwonenden. Eisers sub 3 betogen dat het bekend is dat de emissie van fijnstof schadelijk is voor de gezondheid en dat het ’s nachts rijden met een shovel funest is voor de nachtrust. Gelet hierop zijn eisers sub 3 van mening dat de GGD had moeten worden verzocht om een gezondheidsadvies op te stellen voor de aspecten fijnstof, geluid en geur. 8.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in hoofdstuk 5.13 van de MER uitgebreid aandacht is besteed aan het gezondheidsaspect. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de AbRvS is verweerder van mening dat degene die vreest voor gezondheidsrisico’s dit aannemelijk dient te maken, omdat de bestaande rapportages (nog) niet worden geacht voldoende onderbouwing te geven voor die risico’s. 8.3. Met betrekking tot het aspect gezondheid heeft de StAB in de rapportage van 4 april 2017 onder meer het volgende aangegeven. Met betrekking tot fijnstof heeft de StAB in voormelde rapportage geconcludeerd dat de hoogste fijnstofconcentratie (inclusief de bijdrage van de op te richten inrichting aan de Vorrelveenseweg 3a) optreedt ter plaatse van de woning van eisers sub 1 en dat de berekende waarde onder de advieswaarde van de wereldgezondheidsorganisatie WHO ligt. Met betrekking tot geluid heeft de StAB in voormelde rapportage geconcludeerd dat de vergunde geluidgrenswaarden niet zullen leiden tot gezondheidsrisico’s. Met betrekking tot geur heeft de StAB in voormelde rapportage te kennen gegeven dat op grond van de GGD-richtlijn ‘Geur en gezondheid; GGD-richtlijn medische milieukunde’ uit 2015 de geursituatie ter plaatse van de woningen van eisers sub 1 en sub 3 in beginsel ongewenst is. Volgens de StAB blijkt uit voormelde richtlijn dat met name advies aan de GGD wordt gevraagd in het stadium van de ruimtelijke planvorming. In dit geval heeft verweerder er volgens de StAB voor gekozen om geen advies aan de GGD te vragen. 8.4. Indien door het in werking zijn van een inrichting nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en