Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-07
ECLI:NL:RBNNE:2017:4757
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 17/3760 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 december 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. G.J.W. Pulles), en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder (gemachtigde: mr. V.A. Textor). Procesverloop Bij brief van 7 maart 2017 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 1 juli 2017 geen ondersteuning en hulp meer kan inkopen bij zorgaanbieder Meesterwerk. Bij besluit van 16 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken LEE 17/3711, LEE 17/3712 en LEE 17/3762, plaatsgevonden op 8 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens was een aantal vertegenwoordigers van de cliëntenraad van de organisatie Meesterwerk aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en een aantal beleidsadviseurs in dienst van verweerder. De rechtbank heeft besloten om in deze zaken afzonderlijk uitspraak te doen. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Bij beschikking van 7 november 2016 heeft verweerder aan eiseres een maatwerkvoorziening Beschermd wonen met zorgzwaartepakket 3C toegekend met ingang van 24 oktober 2016 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), tot en met 23 oktober 2017. Meesterwerk, onderdeel van de Coöperatie Boer en Zorg, was een door verweerder gecontracteerde zorgaanbieder. Eiseres kreeg ondersteuning en hulp van zorgaanbieder Meesterwerk via een pgb. Verweerder heeft de subsidie aan de Coöperatie Boer en Zorg met ingang van het jaar 2017 echter gedeeltelijk geweigerd omdat er volgens verweerder door Meesterwerk kwalitatief onvoldoende zorg wordt geleverd. Er is een plan van aanpak gemaakt om de cliënten van Meesterwerk – waaronder eiseres – naar andere aanbieders beschermd wonen toe te leiden. 1.2. Verweerder heeft bij brief van 7 maart 2017 aan eiseres meegedeeld dat zorgaanbieder Meesterwerk aan haar vanaf uiterlijk 1 juli 2017 geen ondersteuning en hulp meer mag bieden. Dit betekent volgens verweerder dat eiseres met ingang van 1 juli 2017 geen ondersteuning en hulp meer kan ontvangen van Meesterwerk, niet via zorg in natura en ook niet via een pgb. Verweerder geeft hierbij aan dat uit onderzoek naar Meesterwerk naar voren is gekomen dat de ondersteuning die Meesterwerk biedt niet aan de eisen voldoet die de gemeente Zwolle daaraan stelt. Het gaat daarbij om de kwaliteit en de omvang van de ondersteuning en hulp. Verweerder acht het van belang dat eiseres de noodzakelijke ondersteuning kan blijven ontvangen, maar dan van een andere zorgaanbieder. In overleg met eiseres zal verweerder ervoor zorgen dat zij de ondersteuning ontvangt die zij nodig heeft, ook na 1 juli 2017. De Centrale Toegang van de GGD IJsselland (die voor verweerder opvang en beschermd wonen in het kader van de Wmo 2015 uitvoert) zal contact opnemen met eiseres om te bespreken welke ondersteuningsbehoefte er is en naar welke zorgaanbieder eiseres wil en kan overstappen, zodat zij uiterlijk per 1 juli 2017 de ondersteuning en hulp krijgt van deze andere zorgaanbieder. 1.3. Eiseres heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen de brief van 7 maart 2017. Op 6 juni 2017 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 7 maart 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de brief van 7 maart 2017 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen een rechtsmiddel openstaat. Me Verweerder acht het bestreden besluit waarin het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard juist. 5.4. Van een ontvankelijk bezwaar kan eerst sprake zijn als het bezwaar is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarin is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, dat wil zeggen een handeling gericht op rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg indien zij er op gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen. 5.5. Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 verleent het college een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie voor zover de cliënt dit naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruik van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 5.6. In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat – indien de cliënt dit wenst – het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. 5.7. De rechtbank begrijpt het door eiseres in beroep aangevoerde aldus dat zij beoogt te betogen dat de brief van 7 maart 2017 op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en om die reden een besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met eiseres – daarbij in aanmerking genomen de door de gemachtigde van eiseres ter zitting gegeven toelichting – is de rechtbank van oordeel dat de brief van 7 maart 2017, gelet op de aard en strekking daarvan, is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daartoe overweegt de rechtbank dat de mededeling in die brief voor eiseres betekent dat zij vanaf 1 juli 2017 geen ondersteuning en hulp meer kan inkopen bij zorgaanbieder Meesterwerk. Dit betekent dat de brief van 7 maart 2017 een wezenlijke wijziging teweegbrengt in de rechtspositie van eiseres, omdat er iets verandert in haar situatie, zodat de brief daarmee op zelfstandig rechtsgevolg is gericht. Daargelaten of de door Meesterwerk geleverde zorg aan de daarvoor gestelde eisen voldoet, is het directe rechtsgevolg van de inhoud van de mededeling in die brief dat eiseres vanaf 1 juli 2017 gehouden is op zoek te gaan naar een andere met de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder, terwijl eiseres – zoals zij ter zitting heeft verklaard – naar volle tevredenheid al jaren ondersteuning en hulp inkoopt bij Meesterwerk. De Wmo 2015 beoogt maatwerk te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de door eiseres gewenste vorm van de zorg daarvan deel uit. Daargelaten de vraag of verweerder gehouden is om de door een cliënt gewenste vorm van zorg te accepteren, vooraf via goedkeuring van een zorgovereenkomst of achteraf na een verantwoording van het bestede budget, maakt de vraag welke vorm van zorg voor een belanghebbende het meest toegesneden is op de zorgvraag, onderdeel uit van een beoordeling op grond van de Wmo 2015 en heeft daarmee dus rechtsgevolg. De rechtbank tekent bij het voorgaande aan dat uit het eerste lid van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het pgb dat aan eiseres is verstrekt, haar in staat moet stellen de diensten die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken. Het uitgangspunt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening is, zo staat op pagina 36 van de memorie van toelichting op de Wmo 2015 (TK, 2013-2014, 33 841, nr. 3),