Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-12-04
ECLI:NL:RBNNE:2017:4627
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Groningen parketnummer 18/830066-17 vonnis van de kantonrechter d.d. 4 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte in de zaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , [straatnaam] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R. Croes-Hoogendoorn, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 november 2016, in de gemeente Winsum, zich zodanig heeft gedragen, dat gevaar op de spoorweg werd veroorzaakt en/of dat het verkeer op de spoorweg werd gehinderd, immers heeft/is hij, verdachte, toen aldaar, rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg (te weten de Voslaan), als bestuurder van een melkauto, bij het naderen van de overweg gelegen in die Voslaan: - niet gestopt voor de uit de richting van het station Winsum naderende trein en/of - de uit de richting van het station Winsum naderende trein niet voor laten gaan en/of - tegen de uit de richting van het station Winsum naderende trein aangereden en/of gebotst, door welke aanrijding en/of botsing de vorenbedoelde trein is ontspoord en/of tengevolge waarvan één of meer passagiers die zich in die trein bevonden gewond is/zijn geraakt; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 18 november 2016, in de gemeente Winsum, bij een overweg gelegen in de voor het openbaar verkeer openstaande weg (te weten de Voslaan), als bestuurder van een melkauto, een uit de richting van het station Winsum naderende trein niet heeft laten voorgaan en/of (daarbij) die overweg niet geheel vrij heeft gelaten. Ontvankelijkheid van de officier van justitie De raadsvrouw heeft, kort gezegd, betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat gemeente Winsum en ProRail (en Arriva) al vanaf mei 2015 wisten dat de spoorovergang waar verdachte tegen de trein is gebotst levensgevaarlijk was. Ze hebben die situatie willens en wetens laten voortbestaan en hebben daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er mensenlevens in gevaar kwamen, waaronder dat van verdachte. Door onder deze omstandigheden verdachte te dagvaarden heeft het Openbaar Ministerie (hierna OM) in strijd gehandeld met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De officier van justitie heeft gesteld dat het OM gebruik heeft gemaakt van diens opportuniteitsbeginsel en dat geen sprake is van schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het OM de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het OM om in een strafzaak tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van ee In de Memorie van Toelichting op de Spoorwegwet wordt onder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3 het volgende opgemerkt: "Dit artikel bevat een algemene bepaling betreffende de veiligheid van het verkeer over spoorwegen. Met dit artikel worden de artikelen 164, 165 en 351 van het Wetboek van Strafrecht onverlet gelaten. Overtreding van die artikelen van het Wetboek van Strafrecht levert een misdrijf op. Het onderhavige artikel is beduidend ruimer en fungeert ten opzichte van die artikelen als een vangnet in de vorm van een algemeen verbod, waarvan de formulering is ontleend aan artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994." Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is door vernummering ontstaan uit het gelijkluidende artikel 4 van het oorspronkelijke wetsvoorstel Wegenverkeerswet 1992 . In de Memorie van Toelichting op de Wegenverkeerswet 1992 wordt over artikel 4 onder meer het volgende opgemerkt: "Dit artikel bevat de grondnorm voor een veilig en ordelijk verloop van het verkeer op de weg. Het geeft geen precieze regels voor het gedrag in een concrete situatie. Integendeel, het geeft aan dat het gedrag, in welke situatie dan ook, telkens wordt beheerst door de grondnorm dat men zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt en dat het verkeer op de weg niet wordt gehinderd of kan worden gehinderd. (...)" Artikel 3 Spoorwegwet is een materieel gevolgdelict. Strafbaarheid ingevolge die bepaling vereist een ‘zodanige gedraging’ dat daardoor ‘gevaar en/of hinder’ op de spoorweg ‘wordt veroorzaakt’ of ‘kan worden veroorzaakt’. Er dient derhalve duidelijkheid te worden verschaft over niet alleen de vraag welke gedraging in het geding was, maar daarnaast over de vraag of die gedraging gevaar en/of hinder heeft veroorzaakt. De kantonrechter overweegt hierbij in het bijzonder dat niet zonder meer reeds uit het gevolg (het bewijs van) een gevaarzettende gedraging kan worden afgeleid. Uit de tekst van de onderhavige bepaling, in samenhang met de totstandkomingsgechiedenis van de RVV 1990-bepalingen, alsmede uit min of meer bestendige jurisprudentie en de uitleg daarvan door gezaghebbende auteurs, dient de ‘zodanige gedraging’ van een bepaalde, minimale ernst te zijn om onder het bereik van art. 3 Spoorwegwet (en onder art. 5 WVW 1994) te kunnen worden gebracht. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat de enkele overtreding van een gebods- of verbodsbepaling uit de RVV 1990 niet zonder meer het ‘gevaar’ of ‘hinder’ in zich draagt als bedoeld in art. 3 Spoorwegwet. De ver- en geboden als bedoeld in de RVV 1990 zijn te beschouwen als (formeel omschreven) abstracte gevaarzettingsdelicten. Schending van een verbod of gebod uit de RVV 1990 levert in de regel pas dan een overtreding van art. 3 Spoorwegwet/art. 5 WVW 1994 op, indien de schending van zo een verbod of gebod tevens een concrete gevaarzetting oplevert. Alvorens de vraag of er in het onderhavige geval sprake is geweest van een zodanige, gevaar veroorzakende gedraging beantwoord kan worden, dient nagegaan te worden wat feitelijk over de gedraging van verdachte voorafgaande aan de botsing met de trein kan worden vastgesteld. Uit de diverse processen-verbaal van bevindingen van de politie, waaronder die van het Verkeers Ongevallen Analyse team (VOA), volgt dat de externe omstandigheden niet van invloed zijn geweest op verdachtes verkeersgedragingen. Melkwagen noch trein vertoonden technische mankementen. De weersomstandigheden ter plaatse, zo leidt de kantonrechter af uit het rapport van het KNMI over 18 november 2016, waren destijds niet zodanig dat deze van invloed zijn geweest op het rijgedrag van verdachte. De verdachte heeft ter zitting aangegeven dat de zon, die blijkens voormeld rapport van het KNMI vrij laag aan de voor de verdachte aan diens linkerzijde stond (terwijl de trein van voor hem rechts naderde), niet of nauwelijks van invloed is geweest op zijn zicht op de overweg. Van een hogere dan de toegestane en ter plaatse Toen de trein ter hoogte van de onbewaakte overgang Voslaan reed, kwam vanaf links een trekker-oplegger aanrijden. Deze zag echter niet dat de trein kwam aanrijden en botste vervolgens tegen de zijkant van de trein. Door deze aanrijding ontspoorde de trein en kwam de trekker-oplegger combinatie in de naast het spoor gelegen sloot tot stilstand. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 november 2016, proces-verbaalnummer 2016327848-2, inhoudende als verklaring van [getuige 1] , voor zover hier van belang: "NOOT VERBALISANT: Deze verklaring wordt opgenomen in een zogenoemde vraag en antwoordstijl: V = Vraag van verbalisant A = Antwoord van verdachte O = Ongevraagde opmerking van betrokkene V: Wat is er vandaag, vrijdag, 18 november 2016, gebeurd? A: Ik vertrok vanochtend om 11.56 uur vanaf het station Winsum, Groningen, in derichting van Sauwerd. Ik reed weg en gaf tractie tot een snelheid die daar istoegestaan.V: Wat is de snelheid die je daar mag rijden?A: Op het eerste stuk is het 40 kilometer per uur tot aan een klein overpadje netvoorbij het station Winsum.O: Daarna mag ik tractie geven tot 80 kilometer per uur.V: Wat deed je na het kleine overpadje?A: Ik gaf tractie tot 80 kilometer per uur.V: Hoe was u zicht vanuit de machinistencabine?V: Ik had vrij baan en vrij zicht over een afstand wat ik niet exact aan kan geven.O: De weersgesteldheid was goed en ik had zover ik kon kijken zicht. Ik kon het spoor en de seinen goed zien over een afstand van zeker 2.000 meter.V: Wat deed u toen?A: Nadat ik de maximale snelheid had bereikt die daar is toegestaan, dit is 80kilometer per uur, zag een tankauto rijden. Deze tankauto reed vanuit mijn zichtpuntvan links naar rechts naar het spoor toe.O: Ik zag dat hij overweg naderde. Door mijn weg bekendheid ter plaatse weet ik datdeze overweg niet bewaakt wordt met slagbomen.V: Wat gebeurde er vervolgens?A: Ik zag dat de tankauto zijn snelheid verminderde toen ik de overweg naderde. Ikpasseerde de overweg en zag dat in mijn ooghoek dat de tankauto nog in beweging was.V: Wat gebeurde er toen?A: Ik hoorde links achter mij een knal. Ik voelde dat de trein naar rechts gingoverhellen. Ik zag en voel de dat de trein begon te ontsporen.O: Ik zag dat de trein zich in groef in een wal. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse d.d. 21 december 2016, proces-verbaalnummer 18112016.1230.2393, inhoudende als relaas van verbalisanten: De bestuurder van de melkwagen reed over de Voslaan. Hij naderde de spoorweg- overgang. De machinist reed met de trein over het spoor en naderde de spoorwegovergang met de Voslaan. De bestuurder van de melkwagen liet de trein niet voorgaan. Tussen hen ontstond een aanrijding waarbij tenminste 1 passagier van de trein zwaar lichamelijk letsel opliep. Alle voertuigen verkeerden in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud en vertoonden geen gebreken die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval. Ten einde een beeld te krijgen van het zicht dat de chauffeur van de melkwagen had kort voor het ongeval, heb ik, [verbalisant] , op 29 november 2016, omstreeks 12.15 uur, een rijproef uitgevoerd. Hiertoe reed ik met een vrachtwagen van het zelfde type en bouw-jaar over de Voslaan te Winsum. Door mij is vastgesteld dat de hoogte van de voorruit, de rechter zijruit en de rechter buitenspiegels van deze vrachtwagen overeen kwam met de hoogtes van de betrokken melkwagen. Deze hoogtes zijn door mij vastgelegd bij een identiek voertuig van hetzelfde merk en type, van dezelfde eigenaar. Ik reed komende vanuit oostelijke richting naar de overweg. Ik zag dat de a-stijl en de spiegels aan de rechterzijde weliswaar het zicht van de chauffeur deels belemmerden doch dat het zicht voldoen was om een naderende trein vanuit de richting Winsum waar te nemen. Door mij is het zicht dat ik had bij nadering van de overweg fotogra Met de raadsvrouw kan vastgesteld worden dat uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het rijgedrag van verdachte niet gevaarzettend is geweest, althans dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Met betrekking tot het beroep op de schulduitsluitingsgrond als door de raadsvrouw benoemd, dient de kantonrechter in de eerste plaats aannemelijk te achten dat er zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die, in de tweede plaats, kunnen leiden tot het oordeel dat alle (strafrechtelijk relevante) schuld bij verdachte afwezig is, op grond waarvan verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De kantonrechter acht op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting het bestaan van feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot het vaststellen dat alle schuld bij verdachte afwezig is, niet aannemelijk. Daartoe overweegt de kantonrechter dat er destijds geen objecten bij de overweg aanwezig waren die verdachtes zicht op de overweg en de spoorlijn (hoewel die niet zichtbaar is door het ten opzichte van de rijweg enigszins verhoogde traject) hebben belemmerd. Uit de ter zitting getoonde video-opname van de reconstructie door de VOA, kan naar het oordeel van de kantonrechter volgen dat sprake moet zijn geweest van een nagenoeg onbelemmerd zicht. Op de getoonde filmbeelden is weliswaar een struik of een of meerdere (meerstammige) bomen te zien, doch te zien is dat die struiken of bomen geen bladeren meer dragen waardoor door die struiken of bomen voldoende te zien was. Daarbij tekent de kantonrechter aan dat aan (het ontbreken van de) veiligheid van de overweg bij de beoordeling van het verweer van de verdediging geen beslissende betekenis kan toekomen, nu verdachte ter zitting heeft aangegeven de overweg in de Voslaan te kennen, aangezien hij er meerdere malen over heen gereden heeft. Verdachte, zo stelt de kantonrechter vast, was op de hoogte van het bestaan van deze overweg en kende de (toen aanwezige) beperkingen van die overweg. De situatie kan dus niet als een verrassing zijn gekomen. Op grond van het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de geschetste feiten en omstandigheid niet aannemelijk zijn geacht, waardoor het beroep op de schulduitsluitingsgrond faalt. De verdachte is derhalve strafbaar, nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot geldboete van € 250 subsidiair vijf dagen hechtenis. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Oordeel van de kantonrechter De kantonrechter overweegt als volgt. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij geen voorrang heeft verleend aan naderende trein. Deze gedraging heeft geleid tot een botsing tussen verdachtes melkauto en de passagierstrein die op weg was van Winsum naar Groningen. Als gevolg van de botsing is de trein ontspoord, waardoor een aantal passagiers, alsmede de machinist van de trein en verdachte zelf, gewond raakten. Het laat zich goed voorstellen dat het ongeval veel impact op het treinpersoneel en de passagiers, maar ook op verdachte als bestuurder van de melkwagen heeft gehad. De materiële schade aan zowel de passagierstrein als de melkwagen is enorm. Door het niet naleven van een belangrijke verkeersregel heeft verdachte daarnaast het vertrouwen beschaamd dat verkeersdeelnemers in het belang van een veilig verkeer - ook over het spoor – in elkaar mogen hebben. De kantonrechter rekent verdachte dit aan. De kantonrechter heeft echter geen enkele reden te twijfelen aan de verklaring van verdachte, ter zitting afgelegd, dat ook hij zeer aangedaan was en dat hij graag zijn verontschuldigingen aan treinpersoneel en de passagiers had willen aanbieden. De kantonrechter begrijpt