Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-10-10
ECLI:NL:RBNNE:2017:3878
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 16/4222 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 oktober 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te Groningen, eiseres (gemachtigde: drs. H.M.M. Eijkelenkamp), en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder (gemachtigde: [naam] ). Procesverloop Verweerder heeft voor het jaar 2013 aan eiseres een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.317. Deze aanslag is gedagtekend 3 februari 2016. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 414 aan belastingsrente in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2017. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de beroepen van [naam] met zaaknummers LEE 16/4223 en LEE 16/4224. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, [naam] en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] en [naam] . Overwegingen Feiten 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 1.2 Eiseres is geboren op [datum] . Zij is werkzaam als palliatief verzorgende. Haar eenmanszaak staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel met als omschrijving "Thuiszorg" . 1.3 In 2013 verleende eiseres zorg in natura, als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) (verder ook: de zorgwerkzaamheden). In 2013 verrichte zij de zorgwerkzaamheden uitsluitend met tussenkomst van de navolgende wettelijke toegelaten zorginstellingen: [namen zorginstellingen] (hierna ook: de zorgaanbieders). 1.4 De zorgwerkzaamheden, zoals eiseres die verrichtte, konden in 2013 slechts voor vergoeding op grond van de AWBZ in aanmerking komen als deze werden verricht door een daartoe aangewezen, Wtzi-erkende zorginstelling waarmee de zorgverzekeraar van de zorgvrager (al dan niet via het zorgkantoor) een overeenkomst had gesloten. 1.5 Eiseres was in 2013 zelf niet aangewezen als een Wtzi-erkende zorginstelling. Zij beschikte ook anderszins niet over een schriftelijke goedkeuring van het zorgkantoor om zonder tussenkomst van een zorgaanbieder te werken. 1.6 Eiseres heeft in 2013 geen contracten gesloten met zorgverzekeraars of met het zorgkantoor, maar verrichtte de zorgwerkzaamheden uitsluitend op basis van overeenkomsten die zij met verschillende zorgaanbieders was aangegaan. 1.7 Eiseres beschikte in 2013 niet over een zelfstandig declaratierecht jegens zorgverzekeraars. Zij declareerde haar gewerkte uren bij de zorgaanbieders die op hun beurt aan de zorgverzekeraars factureerden. 1.8 Betreffende het jaar 2013 heeft verweerder aan eiseres een beschikking verklaring arbeidsrelatie (VAR) winst uit onderneming (WUO) verstrekt. 1.9 Ter verkrijging van de onder 1.8 bedoelde VAR heeft eiseres een vragenformulier ingevuld, met daarop onder meer de volgende vragen en antwoorden: Vraag 2b: Hebben wij uw inkomsten uit de VAR-werkzaamheden in de afgelopen vijf jaar al eerder beoordeelt. Let op! Een VAR van een vorig jaar geldt niet als een eerdere beoordeling. Antwoord: Ja, als winst uit onderneming. Vraag 2g: Kunt u de VAR-werkzaamheden meestal zonder toestemming van een opdrachtgever door iemand anders laten uitvoeren? Antwoord: Ja. Vraag 2l: Verwacht u de VAR-werkzaamheden meestal uit te voeren via detachering, uitzending of bemiddeling? Antwoord: Nee, of voor minder dan 50% Vraag 3d: Bent u verplicht alle aanwijzingen van uw opdrachtgevers op te volgen? Antwoord: Nee 1.10 Bij beschikking van 15 oktober 2013 heeft verweerder de onder 1.8 bedoelde V Dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat zij de in de brief geciteerde passages niet woordelijk heeft kunnen controleren, maakt het voorgaande niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres, door de brief die de rechtbank 15 augustus 2017 van verweerder ontving tot de procedure toe te laten, niet in haar procesbelang geschaad. 5.4 De rechtbank heeft ook de door eiseres te laat ingediende brief tot de gedingstukken gerekend, nu daartegen van de zijde van verweerder geen bezwaar is gemaakt en de rechtbank ook overigens geen aanleiding heeft gezien om anders te beslissen. Hoorplicht 6. Eiseres heeft gesteld dat de hoorplicht is geschonden. Weliswaar heeft een hoorgesprek plaatsgevonden, maar verweerder heeft (nadien) geen antwoord gegeven op alle vragen die eiseres hem (tijdens dat gesprek) heeft gesteld. 7. Verweerder betwist dat de hoorplicht is geschonden. Volgens hem hebben partijen uitgebreid met elkaar gesproken over de zaak en heeft hij de vragen van eiseres zo volledig mogelijk beantwoord. 8. In artikel 7:2, eerste lid, van de van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan, voordat hij op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt om te worden gehoord. Dat is in dit geval gebeurd. Eiseres heeft voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt nader toe te lichten. Van een schending van de hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Anders dan eiseres kennelijk meent, omvat de hoorplicht niet de verplichting voor verweerder om (in de uitspraak op bezwaar) op al haar vragen afzonderlijk een antwoord te geven. Winst uit onderneming? 9. Gelet op de rangorderegeling uit artikel 2.14, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) zal de rechtbank eerst beoordelen of eiseres winst uit onderneming geniet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 10.1 Op grond van artikel 3.8 van de Wet IB is winst uit onderneming het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Uit artikel 3.5 van de Wet IB volgt dat onder onderneming mede moet worden verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep. Daarvan is sprake als werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening worden verricht en daarbij ondernemersrisico wordt gelopen (vgl. Hoge Raad 16 september 1992, nr. 27.830, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085). 10.2 Uit de vaststaande feiten (zie 1.4 tot en met 1.7) volgt dat eiseres de zorgwerkzaamheden niet kon verrichten zonder tussenkomst van (een) zorgaanbieder(s). Daarbij kwamen de zorgwerkzaamheden slechts voor vergoeding op grond van de AWBZ in aanmerking als deze werden verricht door een daartoe aangewezen, Wtzi-erkende zorginstelling waarmee de zorgverzekeraar van de zorgvrager (al dan niet via het zorgkantoor) een overeenkomst had gesloten. Eiseres was niet als zodanig aangewezen. Eiseres verrichtte de zorgwerkzaamheden op basis van overeenkomsten die zij met verschillende zorgaanbieders had gesloten. Zij had geen contracten met zorgverzekeraars, het zorgkantoor of de individuele zorgvragers voor wie zij zorgwerkzaamheden verrichtte. Evenmin kon zij rechtstreeks bij de zorgvragers declareren, noch beschikte zij over een zelfstandig declaratierecht jegens zorgverzekeraars. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres moest handelen overeenkomstig de voorwaarden die door de zorgverzekeraars aan de zorgaanbieders zijn gesteld en dat de eindverantwoordelijkheid voor de door eiseres verleende zorg steeds bij de zorgaanbieders heeft berust. 10.3 De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij handelde op basis van overeenkomsten van opdracht in onderaanneming. Zij was zelf immers niet aangewezen als toegelaten zorgaanbieder. Daarnaast heeft zij de stelling van verweerder, dat onderaanneming alleen met toestemming van het zorgkantoor mogelijk was, niet (gemotiveerd) betwist. Evenmin heeft eiseres gesteld, noch is anderszins gebleken, dat zij die toestemming ook had ge Indien er geen grond voor herziening is, kan de inspecteur ook niet bij de aanslagregeling een van de VAR afwijkend standpunt innemen (vgl. Rechtbank Den Haag van 27 september 2011, ECLI:NL:RBSGR: 2011:BT7196 en gerechtshof Arnhem van 10 juli 2012, ECLI:NL:GHARN: 2012:BX4766). Het is derhalve aan verweerder om aannemelijk te maken dat de werkelijke feiten en omstandigheden afwijken van de door eiseres ten tijde van de aanvraag gepresenteerde feiten en omstandigheden. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan. 12. Verweerder heeft aangevoerd dat eiseres de aanvraagformulieren, op basis waarvan hij een beschikking VAR-WUO heeft verstrekt, onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. Deze onjuist- en onvolledigheden rechtvaardigen in voldoende mate het vermoeden dat hij niet langer aan de rechtsgevolgen van de afgegeven beschikking kan worden gehouden en dat de beschikking vanaf 15 oktober 2013 terecht is herzien, aldus verweerder. Verweerder wijst onder andere op de antwoorden die eiseres heeft gegeven op het aanvraagformulier (zie 1.9) en voert aan dat de juiste antwoorden op de vragen achtereenvolgens hadden moeten luiden dat de eiseres de VAR-werkzaamheden (2b) niet eerder door verweerder heeft laten beoordelen, (2g) niet zonder toestemming van een opdrachtgever door iemand ander mag laten uitvoeren, (2l) meestal uitvoert via detachering, uitzending of bemiddeling en (3d) dat eiseres verplicht is de aanwijzingen van haar opdrachtgevers op te volgen. 13.1 De rechtbank is van oordeel dat eiseres de stelling van verweerder dat hij de afgegeven beschikking terecht heeft herzien niet, althans onvoldoende heeft bestreden. Verweerder heeft met wat hij heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat hij bevoegd was tot herziening over te gaan. De rechtbank betrekt de volgende verklaringen van eiseres ter zitting in haar oordeel. Allereerst heeft eiseres bevestigd dat verweerder de VAR-werkzaamheden in 2013 in de vijf daaraan voorafgaande jaren alleen heeft beoordeeld in het kader van eerdere VAR-aanvragen. Verder heeft eiseres erkend dat zij uitsluitend met tussenkomst van zorgaanbieders - en daarmee via bemiddeling - heeft gewerkt. Ook heeft eiseres bevestigd dat zij zich alleen kan laten vervangen door een verzorgende die ook een contract heeft, of eerst sluit, met de betreffende zorgaanbieder. Tot slot heeft eiseres opgemerkt dat de zorgaanbieders haar in de praktijk nooit aanwijzingen geven, maar dat zij wél verplicht zou zijn deze op te volgen mochten zij daartoe overgaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de onder 1.9 weergegeven vragen dan ook onjuist beantwoord, althans niet in overeenstemming met de feitelijke omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is het antwoord op deze vragen van een dusdanig gewicht dat geconcludeerd moet worden dat gebleken is van onjuist gepresenteerde feitelijke omstandigheden, dan wel dat de feitelijke omstandigheden afwijken van de door eiseres gepresenteerde omstandigheden. 13.2 Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres aan de omstandigheid dat verweerder voor het jaar 2013 een VAR-WUO heeft afgegeven, geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat haar zorgwerkzaamheden in 2013 als winst uit onderneming kwalificeerden. Rechtszekerheidsbeginsel 14. Eiseres heeft gesteld dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens eiseres mag zij geen nadeel ondervinden van het (nalaten van) handelen van de overheid door geen duidelijkheid te geven over de vraag of zij ondernemer is en achteraf te constateren dat niet zo is. Volgens eiseres geldt dit in het bijzonder omdat eiseres er alles aan heeft gedaan om volgens de overheidsvoorschriften te werken, maar de overheid gedurende een aantal jaren geen duidelijkheid geeft. 15. Volgens verweerder is de rechtbank niet bevoegd de innerlijke waarde van wat de wet te beoordelen. 16.1 De rechtbank begrijpt dat de beroepsgrond van eiseres dat h