Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-08-05
ECLI:NL:RBNHO:2026:9898
De voorzieningenrechter wijst het verzoek van de horecaonderneming om een voorlopige voorziening te treffen toe. De burgemeester heeft de alcoholvergunning van de horecaonderneming ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder b en c van de Alcoholwet vanwege incidenten. Partijen twisten over de vraag of in dit geval sprake is geweest van incidenten in de inrichting en over de vraag wie de bewijslast heeft van de verwijtbaarheid en of sprake is van vrees voor de openbare orde. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/3407 uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker (gemachtigde: mr. R. Tetteroo), en de burgemeester van de gemeente Haarlem (gemachtigden: mr. M.J. Ferwerda, J. Burema en drs. J.A.M. Lubbers). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking door de burgemeester van de aan verzoeker verleende vergunning op grond van de Alcoholwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. De burgemeester heeft met het besluit van 3 oktober 2025 de vergunning van verzoeker op grond van de Alcoholwet met onmiddellijke ingang ingetrokken. 3. De voorzieningenrechter heeft dit besluit op 29 december 2025 geschorst, tot zes weken nadat de beslissing op het bezwaar is genomen. 4. Met het bestreden besluit van 23 juni 2026 op het het bezwaar van verzoeker is de burgemeester bij de intrekking van de vergunning gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Ter zitting heeft de burgemeester ingestemd met een verlenging van de termijn van de schorsing van het intrekkingsbesluit tot en met 7 augustus 2026. 4.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker (met behulp van een beeldverbinding) en de gemachtigden van de burgemeester. Wat vooraf ging 5. Voor een overzicht van de gebeurtenissen die vooraf gegaan zijn verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2025. Wettelijk kader 6. Artikel 3 van de Alcoholwet luidt: Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf (…) uit te oefenen. 7. Artikel 31, eerste lid, aanhef, en onderdelen b en c, van de Alcoholwet luiden: Een vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken, indien b. niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen en c. zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. 8. Artikel 8, tweede lid, van de Alcoholwet luidt: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden naast de in het eerste lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven. 9. Artikel 3.5 van het Alcoholbesluit luidt: Een leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende geweest van een inrichting waarvan de vergunning is ingetrokken op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, van de wet of die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet of van artikel 174 Gemeentewet of van een op grond van artikel 149 van de Gemeentewet vastgestelde verordening, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Het bestreden besluit 10. De burgemeester heeft, het advies van de bezwaarcommissie volgend, vastgehouden aan de intrekking van de Alcoholwetvergunning op dezelfde gronden als die in het primaire besluit zijn opgenomen. Niet langer voldoen aan eisen zedelijk gedrag 11. Volgens de bezwaarcommissie mocht de burgemeester ervan uitgaan dat verzoeker een verwijt treft van de sluiting. De sluiting op grond van artikel 174 van de Gemeentewet (net als bij een sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet) rechtvaardigt het vermoeden dat de leidinggevende een verwijt treft van de sluiting. De leidinggevende dient op de hoogte te zijn van wat er in en rond de inrichting plaatsvindt en van hem kan worden verlangd dat hij maatregelen treft ter voorkoming van de incidenten / strafbare feiten. Hoewel de bewijslast volgens de bezwaarcommissie bij verzoeker ligt om aannemelijk te maken dat hem geen verwijt treft, heeft de burgemeester de mate van verwijtbaarheid wel beoordeeld aan de hand van alle beschikbare informatie. De burgemeester heeft daarbij belang gehecht aan de omstandigheden dat verzoeker gezien zijn ervaringen in het verleden bekend was met zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen om maatregelen te treffen wanneer ernstige geweldsincidenten zich voordoen of dreigen voor te doen. Volgens de bezwaarcommissie heeft verzoeker dat niet gedaan voorafgaand aan de overtredingen, maar ook niet gelijk na het eerste incident. De burgemeester heeft daarnaast ook gewicht gehecht aan de handelwijze van verzoeker direct na de incidenten. Het eerste incident heeft hij niet gemeld bij de politie en zijn verklaring daarover strookt niet met de bevindingen van de politie. De bezwaarcommissie acht het niet onbegrijpelijk dat de burgemeester daaruit de conclusie heeft getrokken dat verzoeker bewust informatie heeft achtergehouden. Dat is zorgwekkend, omdat verzoeker hierdoor niet heeft laten zien dat hij er alles aan heeft gedaan om veiligheidsmaatregelen te treffen ter voorkoming van ernstige geweldsincidenten. Verder is niet gebleken en onderbouwd dat verzoeker in de periode direct na de incidenten maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van nieuwe ernstige geweldsincidenten. Volgens de bezwaarcommissie heeft de burgemeester kunnen oordelen dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van de sluiting van zijn bedrijf. Gevaar openbare orde, veiligheid of zedelijkheid 12. De burgemeester heeft volgens de bezwaarcommissie ook het schietincident aan kunnen merken als een feit dat ‘in’ de inrichting heeft plaatsgevonden, omdat de kogels ook op het terras en in de inrichting terecht kunnen komen. Er zijn meerdere inslagen in het pand waargenomen en meerdere kogelhulzen voor het pand aangetroffen. De bezwaarcommissie stelt verder dat ten tijde van het primaire besluit nog wel een gerechtvaardigde vrees bestond voor gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Ten tijde van de uitspraak van de voorzieningenrechter was het pand nog gesloten. Het enkele feit dat er zes maanden waren verstreken en zich in die periode geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan, maakt daarom niet dat er niet langer vrees voor herhaling bestaat. Dat veiligheidsmaatregelen nodig zijn om de veiligheid en openbare orde te waarborgen, wordt bevestigd door de veiligheidsadviseur die door verzoeker is ingeschakeld. De mate waarin verzoeker een aandeel heeft gehad in de oorzaak van de incidenten is niet relevant voor de vraag of het behouden van de vergunning een risico op herhaling vormt en een gevaar voor de openbare orde en veiligheid meebrengt. In het kader van de volledige heroverweging in bezwaar heeft de bezwaarcommissie opgemerkt dat met het plan van aanpak en het beperkt aantal getroffen veiligheidsmaatregelen nog niet is aangetoond dat de kans op herhaling zodanig wordt teruggedrongen, dat het intrekken van de alcoholwetvergunning niet langer noodzakelijk is om de vrees voor het gevaar op de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid weg te nemen. Standpunt verzoeker Niet langer voldoen aan eisen zedelijk gedrag 13. Ten aanzien van deze intrekkingsgrond voert verzoeker – kort samengevat – aan dat de burgemeester ten onrechte bij de beoordeling van de verwijtbaarheid ten onrechte aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 maart 2023. Verzoeker haalt daarbij de uitspraak van de voorzieningenrechter aan en stelt dat de burgemeester de redenering van de voorzieningenrechter niet overtuigend heeft verworpen. In de inrichting kan verzoeker toezicht houden, maar van verzoeker kan niet worden verwacht dat hij weet wat er op de openbare weg gebeurt. Voor zover de burgemeester heeft gesteld dat verzoeker meteen maatregelen had moeten nemen, wijst verzoeker erop dat hij het eerste incident anders heeft geduid dan het gooien van een vuurwerkbom en daarnaast dat er zo weinig tijd zat tussen de incidenten dat er geen tijd was direct maatregelen te nemen. Toen de situatie hem duidelijk was geworden, heeft hij zich onmiddellijk in verbinding gesteld met de burgemeester en de politie en zich bereid getoond om de situatie op te lossen. Verzoeker stelt dat hem geen verwijt te maken valt van de sluiting: de aanslagen zijn gepleegd door onbekende derden, buiten openingstijden, toen de inrichting niet in bedrijf was. Verzoeker heeft geen betrokkenheid bij de daders of de oorzaak van de aanslagen, verzoeker heeft zich volledig coöperatief opgesteld richting politie en gemeente en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de sluiting. Verzoeker heeft een deskundig veiligheidsadviseur ingeschakeld en een plan van aanpak laten opstellen. Er zijn ruim 11 maanden verstreken na de incidenten zonder nieuwe incidenten, waarvan gedurende meer dan zes maanden het bedrijf daadwerkelijk geopend was voor publiek. De burgemeester heeft deze omstandigheden onvoldoende laten meewegen bij de beoordeling of de tenzij clausule van toepassing is. De burgemeester heeft geen enkele omstandigheid aangedragen waaruit kan volgen dat verzoeker een concreet verwijt gemaakt kan worden, anders dan dat het zijn inrichting is en dat hij moet weten wat daar gebeurt. Nergens blijkt uit dat verzoeker signalen had ontvangen waaruit zou blijken dat er een gevaar zou zijn voor nog meer ernstige geweldsincidenten. De burgemeester heeft de omstandigheid dat verzoeker 10 jaar eerder een horecabedrijf in [plaats 2] exploiteerde laten meewegen in het oordeel over de verwijtbaarheid in de onderhavige zaak, maar de burgemeester heeft niet gemotiveerd waarom dit bijdraagt aan de verwijtbaarheid in de onderhavige zaak. Gevaar openbare orde, veiligheid of zedelijkheid 14. Ten aanzien van deze intrekkingsgrond voert verzoeker primair aan dat niet zonder meer gesteld kan worden dat de feiten zich in de inrichting hebben voorgedaan. Het schietincident heeft zich vanaf de openbare weg voorgedaan. Datzelfde geldt voor de vuurwerkbommen; uit de bestuurlijke rapportages blijkt niet dat deze op het terras zijn neergelegd. Alleen al daarom is artikel 31, eerste lid, sub c, van de Alcoholwet niet van toepassing. Subsidiair stelt verzoeker dat er geen concrete, objectieve en verifieerbare grondslag voor de vrees voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid is. Verzoeker wijst er daarbij onder meer op dat het bedrijf inmiddels ruim zes maanden open is, zonder enig incident. Verder wijst verzoeker op het plan van aanpak dat is opgesteld door een veiligheidsdeskundige. Dat de voorgestelde maatregelen zinloos zijn, zoals door de burgemeester is gesteld, is eerder door de voorzieningenrechter niet gevolgd. Verzoeker geeft daarbij aan dat hij niet alle voorgestelde maatregelen heeft kunnen uitvoeren. Sommige aanbevelingen bleken feitelijk niet haalbaar en andere waren voor verzoeker voorlopig te kostbaar. Verzoeker heeft zo goed als hij kon en voor hem financieel haalbaar was de aanbevelingen ingevoerd. 15. Verzoeker voert verder aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd: een exploitant die volledig slachtoffer is van externe aanslagen buiten openingstijden zonder enige betrokkenheid, die volledig meewerkt met de autoriteiten. Verzoeker stelt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de tegengeworpen omstandigheden na het tijdsverloop nog steeds de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verzoeker niet op verantwoorde wijze een horecabedrijf zou kunnen uitoefenen, verzoeker stelt dat de tweejarige ban evenmin deugdelijk is gemotiveerd. Oordeel voorzieningenrechter 16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij het oordeel van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 29 december 2025 onderschrijft. Er zijn ten opzichte van die uitspraak geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd, anders dan dat de inrichting nadien 6 maanden geopend is geweest zonder incidenten. De overwegingen waarop de uitspraak rust zijn als hier herhaald en ingelast te beschouwen. 17. De voorzieningenrechter voegt daaraan nog het volgende toe. Niet langer voldoen aan eisen zedelijk gedrag. 18. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester niet in zijn stelling dat uit de formulering van artikel 3.5 van het Alcoholbesluit volgt dat het – ongeacht de oorzaak van de sluiting – altijd aan betrokkene is te bewijzen dat hem van de sluiting geen verwijt treft. Die stelling kan ook niet worden gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, waarbij de geconstateerde incidenten daadwerkelijk in het pand plaatsvonden. De Afdeling beoordeelt cases aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden die worden aangevoerd en onderbouwd. De in de onderhavige zaak aan de orde zijnde feiten en omstandigheden wijzen geenszins op een vergelijkbare situatie als in de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023. Zonder enige toelichting, laat staan onderbouwing, kan niet worden aangenomen dat iemand die kennelijk slachtoffer is van geweld komend van buitenaf (de eigen woorden van de burgemeester) een verwijt kan worden gemaakt als bedoeld in artikel 3.5 van het Alcoholbesluit. Nergens uit blijkt dat de Afdeling heeft bedoeld de bewijslastverdeling zoals verwoord in de Awb te wijzigen. 19. Daarbij hecht de voorzieningenrechter ook belang aan de omstandigheid dat de incidenten hebben plaatsgevonden buiten de openingstijden. Niet is onderbouwd dat deze daadwerkelijk in de inrichting hebben plaatsgevonden. Niet kan worden uitgesloten dat het vuurwerk van buiten het terras is gegooid en daarmee vanuit de openbare ruimte. Voor de schoten geldt dat is aangenomen dat deze vanaf de openbare weg zijn afgevuurd. 20. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is – nu sprake is van geweld komend van buitenaf en buiten openingstijden – het aan de burgemeester om aan te tonen dat verzoeker op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de incidenten en hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Ter zitting is tevergeefs verzocht om dit te onderbouwen. Voor zover verwezen is naar het incident in [plaats 2] , merkt de voorzieningenrechter op dat dit in 2016 heeft plaatsgevonden en dat op geen enkele wijze is onderbouwd dat verzoeker daar op enigerlei wijze bij betrokken is geweest. Van enige verdenking is niets gebleken. 21. Op de opmerking ter zitting van de burgemeester dat verzoeker dient te voorkomen dat er criminelen in zijn etablissement komen, kon niet worden toegelicht op welke wijze een horecaondernemer over die kennis moet beschikken. Laat staan dat in dit geval niet is geconstateerd dat er criminelen in zijn huidige etablissement aanwezig zijn geweest. Verzoeker heeft er terecht op gewezen dat in zo’n geval het voor een concurrent wel heel eenvoudig zou zijn een concurrent uit te schakelen. Gelet op de financiële consequenties van het ontbreken van een alcoholvergunning en exploitatievergunning, alsook de onmogelijkheid om de onderneming gedurende twee jaar te verkopen, kan en mag verlangd worden van de burgemeester dat hij zich vergewist van enige betrokkenheid bij de incidenten en daarmee de vraag of betrokkene een verwijt te maken valt. Gevaar openbare orde, veiligheid of zedelijkheid 22.