Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-07-01
ECLI:NL:RBNHO:2026:9831
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem, zittingslocatie Alkmaar Zaaknummers: C/15/339514 / FA RK 23-2080 (echtscheiding) C/15/341957 FA RK 23/3328 (verdeling huwelijksvermogen) Datum uitspraak: 1 juli 2026 Beschikking echtscheiding in de zaak van [de man] , hierna te noemen de man, volgens de Basisregistratie Personen (BRP) een briefadres houdend in [plaats] , feitelijk verblijvend op een onbekende woon-of verblijfplaats, advocaat sinds 26 februari 2026 mr. M.J. Meijer uit Haarlem, en [de vrouw] , volgens de huwelijksakte en blijkens de processtukken genaamd: [de vrouw] , hierna te noemen de vrouw, wonend in [plaats] , advocaat mr. E.E. Tiebie uit Heerhugowaard. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de man, ontvangen op 1 mei 2023; het verweerschrift van de vrouw met bijlage(n), met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 31 juli 2023; het verweerschrift van de man met bijlage(n) op de zelfstandige verzoeken van de man, ontvangen op 21 september 2023; het aanvullend verzoekschrift van de vrouw met bijlage(n), ontvangen op 11 december 2024; het bericht van de vrouw met bijlage ontvangen op 30 december 2024; het bericht van de Raad van 17 februari 2026; het aanvullende verzoekschrift van de vrouw, tevens houdende een wijziging van eerdere verzoeken met bijlage(n) ontvangen op 19 mei 2026; het verweerschrift van de man op de gewijzigde- en aanvullende verzoeken van de vrouw, tevens aanvullend verzoek van de man, ontvangen op 28 mei 2026; het bericht van de vrouw, tevens wijziging zelfstandige verzoeken, van 1 juni 2026. 1.2. De man heeft ook in persoon een veelheid aan stukken ingediend, waaronder enkele ongedateerde stukken. Het betreft: het bericht van de man met bijlage(n), ontvangen op 17 januari 2025; het bericht van de man met bijlage(n) ontvangen op 11 augustus 2025; het bericht van de man van 23 september 2025; het bericht van de man ontvangen op 30 september 2025; het bericht van de man van 18 december 2025; het bericht van de man van 27 maart 2026; het e-mailbericht van de man van 11 april 2026; het bericht van de man van 15 april 2026. Volgens het procesreglement echtscheidingen en het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt er verplichte procesvertegenwoordiging in een echtscheidingsprocedure. Dat wil zeggen dat proceshandelingen, zoals het indienen van een verzoekschrift en een verweerschrift, enkel door een advocaat kunnen worden verricht. Afzonderlijke stukken kunnen wel in persoon worden ingediend, maar daarvan moet dan duidelijk zijn ter onderbouwing van welk verzoek of verweer het kan dienen. In dit geval is voor de rechtbank niet duidelijk in hoeverre de stukken van de man zijn bedoeld om zijn verzoeken en verweer te onderbouwen en wat de relevantie daarvan is voor deze procedure. Gelet daarop neemt de rechtbank deze stukken niet mee in haar beoordeling. 1.3. Mr. Meijer heeft zich op 26 februari 2026, na tussenkomst van de deken, gesteld als advocaat van de man. De man heeft tijdens deze procedure verschillende advocaten gehad, maar hij had een lange periode geen advocaat. 1.4. De man heeft de rechtbank meerdere keren in persoon verzocht uitstel te verlenen voor de zitting. Deze verzoeken zijn afgewezen. Het laatste verzoek tot het verlenen van uitstel dat afkomstig was van mr. Meijer is wel toegewezen door de rechtbank, waardoor de eerder geplande zitting van 16 maart 2026 geen doorgang heeft gevonden. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. Daarbij waren aanwezig: de man bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Roemeense taal; de vrouw bijgestaan door haar advocaat. 1.6. De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: De Raad) uitgenodigd om ter advisering van de rechtbank aanwezig te zijn op de mondelinge behandeling van 3 juni 2026. De Raad heeft aangegeven daartoe vanwege capaciteitsproblemen niet in staat te zijn. Desgevraagd heeft de Raad Bij beschikking van 6 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding: de vrouw vervangende toestemming verleend om naar [land] te reizen en aldaar te verblijven van 13 augustus 2025 tot en met 24 augustus 2025; de man verboden om zich gedurende twaalf maanden vanaf de dag van betekening van het vonnis zich in de straat dan wel op 250 meter van de woning van de vouw, staande en gelegen aan [adres] , te bevinden; een dwangsom opgelegd tot betaling van € 250 per overtreding van het voornoemde verbod tot een maximum van € 10.000 is bereikt; bepaald dat de vrouw [de minderjarige] op de woensdagen en donderdagen in de ochtend van [plaats] naar school in [plaats] brengt, waar een wisselmoment plaatsvindt bij de ingang van het schoolplein, waarbij vervolgens de man [de minderjarige] naar binnen brengt, de man [de minderjarige] ook weer ophaalt na schooltijd (14.00 uur) en haar vervolgens om 16.00 uur weer terugbrengt bij de ingang van het schoolplein, waar de vrouw [de minderjarige] vervolgens ophaalt. 2.8. Bij beschikking van 10 februari 2026 heeft de rechtbank: de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven op basisschool [basisschool] ; de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] in te schrijven bij een huisarts in [plaats] ; bepaald, met wijziging in zoverre van het hierboven genoemde vonnis van de voorzieningenrechter van 6 augustus 2025, de volgende verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast: [de minderjarige] verblijft – met ingang van de datum dat [de minderjarige] haar eerste schooldag op basisschool [basisschool] heeft – bij de man elke woensdag en donderdag, waarbij de vader [de minderjarige] om 14.00 uur van school haalt en haar vervolgens om 16.00 uur weer terugbrengt bij de ingang van de basisschool, waar de moeder [de minderjarige] ophaalt. 2.9. Bij proces-verbaal van de zitting in kort geding van 20 maart 2026, houdende een mondeling vonnis, blijkt dat de voorzieningenrechter aan de vrouw vervangende toestemming heeft verleend om [de minderjarige] te laten behandelen aan haar gebit onder narcose door de kinderarts van Tandartspraktijk [Tandartspraktijk] . 3 De beoordeling Echtscheiding 3.1. De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen en Nederlands recht is van toepassing. 3.2. Geen van beide partijen heeft een ouderschapsplan ingediend. 3.3. De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot echtscheiding ook al ontbreekt een ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot echtscheiding in behandeling neemt. Vanwege de ernstig verstoorde communicatie (het al langdurig ontbreken van contact) tussen partijen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken. 3.4. De rechtbank spreekt de echtscheiding tussen partijen uit zoals door beide partijen is verzocht, omdat zij vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten. 3.5. De vrouw heeft aangegeven dat het voor een in [land] te starten procedure noodzakelijk is dat de rechtbank in de beschikking opneemt dat de vrouw voornemens is haar achternaam [achternaam] (terug) te wijzigen in haar meisjesnaam [meisjesnaam] . Gelet daarop neemt de rechtbank haar voornemen hier in de beschikking op. Gezag 3.6. De rechtbank stelt vast dat zij als rechter bevoegd is om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over [de minderjarige] , nu zij in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft. 3.7. De vrouw verzoekt het gezag te wijzigen, in die zin dat zij voortaan alleen met het gezag over [de minderjarige] is belast. Dat betekent dat zij dan alleen de beslissingen over [de minderjarige] mag nemen. De man voert hiertegen verweer. 3.8. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Tijdens de echtscheidingsprocedure, die inmiddels ruim drie jaar geleden is gestart, is duidelijk geworden De griffier moet de gezagsbeslissing daarna in het gezagsregister aantekenen. De rechtbank verzoekt daarom partijen een bewijs van inschrijving van deze beschikking te sturen aan de griffie van de rechtbank. Hoofdverblijfplaats 3.12. De rechtbank stelt in dit geval vast dat zij als rechter bevoegd is om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over het minderjarige kind van partijen, nu zij in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft. 3.13. De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. De man verzoekt te bepalen dat [de minderjarige] hoofdverblijfplaats bij hem heeft. 3.14. Gelet op de beslissing over het gezag, behoeft er op deze verzoeken niet meer te worden beslist. Zorgregeling 3.15. De rechtbank stelt in dit geval vast dat zij als rechter bevoegd is om met toepassing van het Nederlandse recht te beslissen over het minderjarige kind van partijen, nu zij in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft. 3.16. De vrouw verzoekt het recht van de man tot het hebben van omgang met [de minderjarige] te ontzeggen, subsidiair te bepalen dat er begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de man zal plaatsvinden een keer in de twee weken twee uur dan wel meer subsidiair te bepalen dat er een zorgregeling zal gelden inhoudende dat [de minderjarige] en de man elke woensdag en donderdag omgang hebben met elkaar, waarbij de vader [de minderjarige] om 14:00 uur van school ( [basisschool] ) ophaalt en haar vervolgens om 16:00 uur weer terugbrengt bij de ingang van het Schoolplein ( [basisschool] ), waar de vrouw [de minderjarige] vervolgens ophaalt. 3.17. De man verweert zich hiertegen. De man betwist de zorgen die de vrouw over hem uit. Daarnaast heeft hij zorgen over de opvoedsituatie bij de vrouw, waaronder de schadelijke rol van haar nieuwe partner tijdens de overdrachtsmomenten. De man wil niet dat de omgang verder wordt ingeperkt. [de minderjarige] mag geen betekenisvol en frequent contact met haar vader worden ontzegd. De man meent dat herstel van een werkelijk co-ouderschapskader nodig is. Hij realiseert zich echter dat zijn woonsituatie daarvoor niet ideaal is, maar wijst erop dat dit een noodgedwongen situatie is en dat de toedracht daarvan (onder andere de gedwongen verkoop van de woning) moet worden meegewogen. De man vraagt daarom voor nu een duidelijke en ruime regeling met een reëel pad naar uitbreiding zodra zijn huisvestingssituatie dit toelaat. 3.18. De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft diverse zorgen geuit over de omgang tussen [de minderjarige] en de man. Voor zover deze zorgen zien op de fysieke veiligheid van [de minderjarige] , heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat deze zorgen bestaan en dat deze een beperking van de omgang rechtvaardigen. Zo geeft de vrouw over de fysieke veiligheid van [de minderjarige] bijvoorbeeld aan dat de man geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, zodat de contactmomenten buiten plaatsvinden. De vrouw geeft aan dat [de minderjarige] onlangs huilend van de kou op de overdrachtsplaats aankwam. De man was met [de minderjarige] buiten gebleven en had rondgereden op een fat bike zonder helm, aldus de vrouw. Deze (niet onderbouwde en weersproken) zorgen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een beperking van de omgang op te baseren. De rechtbank heeft wel zorgen over de emotionele veiligheid van [de minderjarige] tijdens de omgang met haar vader. De rechtbank acht voorstelbaar dat [de minderjarige] worstelt met een loyaliteitsconflict door de boosheid en de negatieve uitlatingen van de man over het handelen van de vrouw en de rechtbank vraagt zich af of de man in emotioneel opzicht voldoende in staat is om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Om meer zicht te krijgen op deze zorgen en de impact daarvan op de toekomstige omgangsregeling, heeft de rechtbank de Raad reeds verzocht het lopende beschermingsonderzoek uit te breiden met een onderzoek naar de omgang tussen [de minderjarige] en Ten aanzien van de inschrijving van [de minderjarige] op de BSO overweegt de rechtbank dat zij voorbij gaat aan het standpunt van de man dat inschrijving op een BSO niet nodig is, omdat hij de zorg voor [de minderjarige] op de dagen dat de vrouw werkt zelf kan en wil dragen. Gelet op de huidige zorgen over de omgang is het vormgeven van de zorg door de man voor [de minderjarige] op die dagen thans niet aan de orde. Het verzoek van de vrouw over de vakantie naar [land] zal de rechtbank afwijzen. Deze vakantie ligt nog dusdanig ver in de toekomst dat daarover geen beslissing kan worden genomen. Niet duidelijk is immers wat tegen die tijd wel of niet in het belang van [de minderjarige] zal zijn. Daarnaast zal de vrouw naar verwachting tegen die tijd belast zijn met het eenhoofdig gezag. Het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor een vakantie naar [land] zal de rechtbank afwijzen. Gelet op de beslissing over de zorgregeling is een verblijf van [de minderjarige] van meerdere dagen bij de man thans niet aan de orde. Kinderalimentatie en achterstallige kinderalimentatie 3.23. De rechtbank stelt vast dat zij als Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, omdat de alimentatie bij wijze van nevenvoorziening wordt gevraagd en de Nederlandse rechter ook rechtsmacht heeft ten aanzien van de echtscheiding. 3.24. Omdat [de minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft en zij in deze procedure de onderhoudsgerechtigde is, past de rechtbank het Nederlands recht toe. 3.25. De vrouw verzoekt vast te stellen dat de man een bedrag van € 462,42 per maand aan kinderalimentatie aan haar betaalt vanaf de datum van deze beschikking. De man verzoekt te bepalen dat de vrouw € 100 per maand bij vooruitbetaling dient te betalen aan de man bij wijze van kinderalimentatie. Daarnaast verzoekt de vrouw de rechtbank te bepalen dat de man de achterstallige alimentatie van 22 december 2023 tot aan de datum van de te wijzen beschikking, maar in ieder geval de achterstallige alimentatie van € 816,78 aan de vrouw dient te voldoen binnen twee weken na de te wijzen beschikking. Achterstallige kinderalimentatie 3.26. De vrouw stelt dat de kinderalimentatie van € 25 per maand niet door de man is betaald sinds de vaststelling ervan waardoor een achterstand is ontstaan van € 816,78 over de periode van 22 december 2023 tot en met 3 juni 2026. Desgevraagd heeft de man hierover verklaard dat hij de vastgestelde kinderalimentatie niet wil voldoen omdat de vrouw dit geld gebruikt voor drank en drugs. De man heeft de hoogte van de gestelde achterstand niet betwist, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Onder deze omstandigheden en nu de vrouw daarbij een belang heeft (zodat zij deze schuld daadwerkelijk kan innen) zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen. Kinderalimentatie Ingangsdatum 3.27. De rechtbank zal, conform het verzoek daartoe, als ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie de datum van deze beschikking hanteren. Behoefte 3.28. Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat partijen te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Partijen hebben hierover wisselende standpunten ingenomen, waarbij de vrouw meent dat het inkomen van de man € 3.000 netto per maand was en de man aangeeft dat dit € 1000 netto per maand was. Kijkend naar de IB aangifte 2022 waaruit een DGA-loon van € 12.361 bruto per jaar blijkt en een winst uit onderneming van € 2.217, acht de rechtbank de inschatting van de man over zijn netto inkomen navolgbaar. Dat er volgens de vrouw meer inkomen beschikbaar was aan de zijde van de man kan de rechtbank zonder nadere onderbouwing daarvan niet volgen. Nu niet in geschil is dat de vrouw in die tijd (2022/2023) een inkomen had van circa € 500 netto per maand, volgt de rechtbank de man in zi [land] is geen partij bij het verdrag en geldt als een zogenoemd ‘nationaliteitsland’. Na het sluiten van het huwelijk hadden partijen ook hun eerste gewone verblijfplaats in [land] . Gelet hierop is het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen, dus het Roemeense recht. 3.38. Tijdens het huwelijk van partijen heeft zich een automatische wijziging voorgedaan in het toepasselijk recht. Partijen hebben zich namelijk blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) op [datum] en [datum] in Nederland gevestigd. Omdat partijen vanaf 2 september 2013 beiden langer dan tien jaar in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben, is vanaf dat moment het Nederlands recht van toepassing geworden. Dit heeft alleen gevolgen voor het vermogen dat partijen vanaf dat moment hebben verkregen. Op het al aanwezige vermogen blijft het Roemeense recht van toepassing. 3.39. De rechtbank stelt met partijen vast dat op de bestanddelen van de gemeenschap waarover in deze beschikking wordt geoordeeld Nederlands recht van toepassing is. De inhoud van het Roemeens recht wordt daarom verder niet besproken. 3.40. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke gemeenschap van goederen is ontstaan. 3.41. Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 1 mei 2023 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). 3.42. De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoorden op de peildatum: de woning aan [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening; de inboedel van de hiervoor genoemde woning; de saldi op de bankrekeningen; e auto van het merk [merk] type [type] ; de activa en passiva van de eenmanszaak van de man met de handelsnaam [eenmanszaak] ; de aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap [BV] ; de activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw met de handelsnaam [eenmanszaak] . 3.43. Voorts hebben partijen een geschil over het al dan niet bestaan van diverse (gemeenschaps)schulden, de draagplicht van die schulden en regres. 3.44. De vrouw heeft voorts een (primair) verzoek gedaan aan de rechtbank om te verklaren voor recht dat indien de vrouw de erfenis van haar vader aanvaardt dat deze erfenis, althans de niet-opeisbare vordering- niet tot de gemeenschap van goederen van partijen behoort en subsidiair te bepalen dat de erfenis aan de vrouw wordt toegedeeld zonder nadere verrekening van waarde. De echtelijke woning 3.45. De rechtbank overweegt dat bij vonnis in kort geding van 8 juli 2024 de voorzieningenrechter de vrouw heeft gemachtigd om de echtelijke woning van partijen te gelde te maken en de man bevolen zijn medewerking te verlenen aan de verdeling bij helfte van de netto verkoopopbrengst. Daarvoor was redengevend dat er een betalingsachterstand is ontstaan bij de voldoening van de hypothecaire schuld. De echtelijke woning is nadien verkocht en geleverd aan een derde, waarna de netto opbrengst van de woning in januari 2025 bij helfte is verdeeld tussen partijen. D Uit de stukken blijkt ten slotte dat er diverse rekeningnummers op naam van [de minderjarige] en de andere kinderen zijn, en dat er gelabeld geld voor de kinderen staat op de rekening met rekeningnummer [nummer] op naam van de vrouw. Die saldi worden, zoals gebruikelijk is, niet verdeeld omdat deze saldi partijen niet toebehoren. Het saldo op de zakelijke bankrekening van de vrouw, behoort ook niet tot de te verdelen saldi, omdat dit een onderdeel is van de activa en passiva van de door haar gedreven onderneming die hierna aan de orde komt. De auto van het merk [merk] type [type] 3.50. Gebleken is dat de man de auto na de peildatum heeft verkocht voor een bedrag van € 250. De vrouw verzoekt te bepalen dat de helft van dit bedrag de vrouw toekomt. De rechtbank zal bepalen dat de verkoopopbrengst wordt toegedeeld aan de man, nu dit hem reeds feitelijk is toegekomen, onder de verplichting de helft daarvan (€ 125) te betalen aan de vrouw. De activa en passiva van de eenmanszaak van de man met de handelsnaam [eenmanszaak] en de aandelen op naam van de man in de besloten vennootschap [BV] 3.51. De man heeft in zijn verzoekschrift verzocht de aandelen van de B.V. en de activa van zijn eenmanszaak aan hem toe te delen tegen een totale waarde van € 11.504. De vrouw is in een daaropvolgend processtuk akkoord gegaan met de toedeling aan de man tegen de genoemde waarde. Later in de procedure, bij het verweer op zelfstandig verzoek is de man daarop teruggekomen en heeft hij de totale waarde van de ondernemingen op 30 juni 2023 aangepast naar € 3.054, onder verwijzing naar een summier bericht daarover van zijn boekhouder. De rechtbank heeft de man ter zitting bevraagd over het verschil in waardes, nu in het bericht van de boekhouder daarover geen uitleg wordt gegeven en de vrouw eerder akkoord was gegaan met de waardering van beide ondernemingen van de man. De rechtbank heeft daarop geen antwoord gekregen. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de totale waarde van de ondernemingen vaststellen op € 11.504, te weten het bedrag waarover eerder overeenstemming bestond. De rechtbank zal bepalen dat de activa van de eenmanszaak en de aandelen van de B.V. worden toegedeeld aan de man, dat hij volledig draagplichtig is voor de schulden van de eenmanszaak en hij uit hoofde van overbedeling verplicht is aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 5.752. De activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw [eenmanszaak] 3.52. De rechtbank constateert dat haar geen verzoek is voorgelegd over de verdeling van de activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw, zodat zij daarover geen beslissing kan nemen. De vrouw heeft wel verzocht om voor recht te verklaren dat de waarde van haar eenmanszaak op de peildatum nihil is. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij geen werkzaamheden meer heeft verricht vanuit haar eenmanszaak, nadat de gemeente heeft aangegeven dat zij daarmee moest stoppen. Deze onderneming heeft één jaar en acht maanden bestaan. Volgens de vrouw is de waarde nihil. De man heeft geen standpunt ingenomen over de verdeling en de waardering van de eenmanszaak van de vrouw. Hij heeft in het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken enkel gesteld dat de privé-danslessen en de paalfitness niet zijn meegenomen maar daar geen conclusie aan verbonden. De rechtbank stelt vast dat uit de aangifte IB 2022 van de vrouw blijkt dat haar ondernemingsvermogen zowel begin 2022 als eind 2022 nihil was en dat de winst uit onderneming in dat jaar € 1.275,- was. Gelet hierop zal de rechtbank voor recht verklaren dat de waarde van de eenmanszaak van de vrouw op de peildatum nihil was. De erfenis van de vader van de vrouw 3.53. De man heeft in zijn verzoekschrift opgemerkt dat de vrouw een erfenis heeft ontvangen van haar vader bestaande uit een woning, dan wel dat zij een erfenis zal ontvangen. De man heeft van de vrouw begrepen dat zij van mening is dat de woning aan haar moeder toebehoort. De man heeft de vrouw daarop gevraagd dit standpun De rechtbank kan dus het bestaan van de gestelde schulden en de regresvorderingen niet vaststellen. Notarieel honorarium 3.58. De vrouw stelt dat de notaris extra kosten in rekening heeft gebracht aangezien hij bij de verkoop van de woning het kort geding vonnis moest laten executeren omdat de man niet meewerkte. Deze kosten blijken uit de nota van afrekening en bedragen € 3.150. Deze kosten zijn eerst van de netto verkoopopbrengst gehaald, voordat dit bedrag bij helfte is gedeeld. De vrouw heeft daardoor deze kosten voor de helft gedragen. Nu deze kosten door de man zijn veroorzaakt (hij had immers kunnen meewerken aan de verkoop en levering), acht de vrouw het redelijk en billijk dat de man deze kosten volledig draagt. De man heeft zich daartegen verweerd en betwist dat de notaris deze kosten zomaar in rekening zou mogen brengen. 3.59. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de nota van afrekening blijkt dat de notaris een bedrag in rekening heeft gebracht van € 4.000 met als omschrijving “notarieel honorarium wegens het voeren van correspondentie en telefonische besprekingen met verkoper, koper en makelaar, hypotheekadviseur en hypotheekbanken i.v.m. levering krachtens kort geding vonnis”. Daaruit leidt de rechtbank af dat dit bedrag in rekening is gebracht door de weigerachtige houding van de man bij de verkoop van de woning. Nu deze kosten enkel voortkomen uit het (niet) handelen van de man, dienen deze kosten naar het oordeel van de rechtbank tot het bedrag dat de vrouw verzoekt op grond van de redelijkheid en billijkheid volledig voor zijn rekening te komen. Dit betekent dat de rechtbank de man zal veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.575, nu de andere helft reeds voor zijn rekening is gekomen. Uitvoerbaar bij voorraad 3.60. Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de echtscheiding en de beslissing over het gezag. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het gezag zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat deze beslissing pas ingaat op het moment dat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4 De beslissing 4.1. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] in [plaats] ( [land] ); 4.2. bepaalt dat de vrouw alleen het gezag uitoefent over [de minderjarige] vanaf de dag dat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand; 4.3. verzoekt partijen een bewijs van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand toe te sturen aan de griffie van de rechtbank, waarna aantekening wordt gemaakt van de wijziging van het gezag in het gezagsregister; 4.4. stelt vast dat, in afwachting van het raadsonderzoek zoals is gelast bij proces-verbaal van 3 juni 2026, de volgende voorlopige omgangsregeling geldt: [de minderjarige] verblijft bij de man elke woensdag, waarbij de man [de minderjarige] om 14.00 uur van school haalt en haar vervolgens om 16.00 uur weer terugbrengt bij de ingang van de basisschool, waar de moeder [de minderjarige] ophaalt. 4.5. bepaalt dat het raadsrapport met het advies over de omgang uiterlijk 1 september 2026 door de rechtbank ontvangen moet zijn; 4.6. verzoekt partijen uiterlijk op 15 september 2026 te reageren op het raadsrapport; 4.7. houdt de beslissing over de definitieve omgangsregeling PRO FORMA aan voor de duur van drie maanden, te weten tot 1 oktober 2026 . Wijst erop dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure; 4.8. verleent aan de vrouw, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, toestemming om met [de