Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-07-22
ECLI:NL:RBNHO:2026:9766
Werkgever stelt de Provincie als wegbeheerder aansprakelijk voor doorbetaald loon en re-integratiekosten van arbeidsongeschikt geworden ex-werknemer als gevolg van eenzijdig fietsongeval op een gebrekkig fietspad. Geen regresvordering mogelijk op grond van artikel 6:107a en 6:174 BW. Geen onrechtmatig handelen door gevaarzetting. RECHTBANK Noord-Holland Handel, Kanton en Insolventie Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/371049 / HA ZA 25-698 Vonnis van 22 juli 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiseres] B.V. , gevestigd te [plaats], eiseres, hierna te noemen: [eiseres], advocaat: mr. L. Bijl, tegen PROVINCIE NOORD-HOLLAND , zetelend te Haarlem, gedaagde, hierna te noemen: de Provincie, advocaat: mr. M. Zanting. De zaak in het kort Een werknemer van [eiseres] is arbeidsongeschikt geraakt door een eenzijdig fietsongeval op een fietspad waarvan de Provincie wegbeheerder is. [eiseres] verhaalt de door haar geleden schade in de vorm van doorbetaald loon en re-integratiekosten op de Provincie. Zij stelt dat de Provincie onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, omdat de oorzaak van het ongeval volgens haar is gelegen in gevaarzetting door de Provincie. De Provincie heeft het fietspad namelijk met klinkers gerepareerd die vervolgens door de warmte zijn verschoven en het ongeval hebben veroorzaakt. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van gevaarzetting, zodat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met 12 producties, - de conclusie van antwoord, met 5 producties, - het tussenvonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte namens [eiseres], met overlegging van producties 13-17, - de e-mail van 10 juni 2026 namens de Provincie met overlegging van een ongenummerde productie, - de akte namens [eiseres], met overlegging van producties 18-23, - de mondelinge behandeling van 25 juni 2026, waarbij beide advocaten gebruik hebben gemaakt van overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiseres] is een bedrijf dat zich richt op het repareren van kranen en zware machines. In de context van deze zaak is de Provincie het bevoegd gezag dat openbare wegen beheert in de provincie Noord-Holland. 2.2. Op 1 mei 2022 is de heer [betrokkene] (hierna: ‘[betrokkene]’) bij [eiseres] in dienst getreden als constructiebankwerker op de lasafdeling. De arbeidsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd voor een arbeidsduur van 38 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek van toepassing verklaard. 2.3. Op 9 juni 2023 rond 18:30 uur is [betrokkene] ten val gekomen op een (brom)fietspad aan de Medemblikkerweg te Wieringerwerf (hierna respectievelijk: ‘het ongeval’ en ‘het fietspad’). [betrokkene] reed toen op zijn speedpedelec van het kantoor van [eiseres] naar zijn woning. [betrokkene] heeft door het ongeval ernstig letsel opgelopen, waaronder een schedelbasisfractuur, gebroken ribben, een geperforeerde long, een gebroken hand en een gebroken oogkas. 2.4. Op de plek van het ongeval is sprake geweest van lekkage. Op 7 februari 2023 is de ontstane schade aan het fietspad in opdracht van de Provincie door aannemer DuraVermeer tijdelijk hersteld door het aanbrengen van klinkers. Ten tijde van het ongeval waren de klinkers door de uitzetting van het omringende asfalt vanwege de hoge temperaturen die dag verschoven en omhooggekomen: 2.5. Met ingang van 12 juni 2023 heeft [betrokkene] niet meer de bedongen arbeid voor [eiseres] kunnen verrichten. [eiseres] heeft gedurende 104 weken het loon van [betrokkene] doorbetaald, tot 9 juni 2025. 2.6. De Provincie heeft een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Melior verzekeringen. [eiseres] is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid van haar werknemers. 2.7. Op 7 november 2023 heeft Melior verzekeringen namens de Provincie richting [betrokkene] haar aansprakelijkheid erkend vanwege de gebrekkige opstal op grond van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 2.8. [eiseres] heeft de Provincie meerdere keren aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade, met het verzoek de schade te vergoeden. De Provincie heeft op 4 juli 2025 de aansprakelijkheid richting [eiseres] van de hand gewezen. 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van de Provincie tot betaling van € 107.520,19 aan doorbetaald nettoloon, werknemersdeel pensioenpremie en re-integratiekosten (zowel intern als extern), vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. 3.2. [eiseres] baseert haar vorderingen op artikel 6:107a leden 2 en 3 BW. De ongeschiktheid tot werken van [betrokkene] is namelijk een gevolg van het ongeval, waarvoor de Provincie aansprakelijk is. Daarom heeft [eiseres] recht op schadevergoeding ter hoogte van het door [eiseres] betaalde nettoloon en redelijke kosten voor re-integratie. Voor zover [eiseres] zich niet kan beroepen op artikel 6:174 BW in combinatie met artikel 6:107a BW, stelt [eiseres] dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld tegenover haar door in strijd te handelen met haar wettelijke plicht om openbare wegen te onderhouden en met de maatschappelijke betamelijkheid zoals blijkt uit het Kelderluik-arrest , oftewel haar zorgplicht als wegbeheerder. Immers mogen weggebruikers erop vertrouwen dat openbare wegen goed onderhouden worden en geen gebreken vertonen, zoals in dit geval omhoogstaande klinkers op een fietspad. Als de Provincie dat nalaat is de kans op schade zeer groot, met ernstige lichamelijke gevolgen. Daarnaast was het voor de Provincie eenvoudig om het fietspad deugdelijk te onderhouden. Als de Provincie al kiest voor klinkers als methode van herstel, dan geldt een verzwaarde onderhoudsplicht vanwege de grotere kans op verzakkingen en oneffenheden. De Provincie was ook op de hoogte van de gebreken aan het fietspad, althans had zij dit behoren te zijn, met name omdat er op dezelfde dag nog is geschouwd. 3.3. De Provincie betwist de vorderingen. Zij betwist dat [eiseres] gehouden was om het volledige loon van [betrokkene] terug te betalen, gelet op de afbouw in de cao Metaal en Techniek. Daarnaast wijst de Provincie erop dat [eiseres] vanwege het bepaalde in artikel 6:197 BW geen beroep toekomt op artikel 6:174 BW en dus ook geen rechten kan ontlenen aan de erkenning van aansprakelijkheid op grond van dit artikel richting [betrokkene]. De Provincie betwist ook onrechtmatig te hebben gehandeld tegenover [eiseres] doordat zij haar zorgplicht als wegbeheerder heeft geschonden door gevaarzetting. Anders dan [eiseres] stelt mogen weggebruikers niet uitgaan van een volledig effen wegdek, omdat er bepaalde marges zijn waarbinnen afwijkingen geoorloofd zijn. De kans op een ongeval bij dit fietspad is zeer klein, omdat het gaat om een recht fietspad zonder zichtbelemmeringen. Er zijn ook geen andere ongevallen op dit fietspad bekend aan de Provincie. Daarnaast was definitief herstel van het fietspad door middel van asfaltering nog niet mogelijk, omdat de ondergrond nog moest zetten. Het gebruik van klinkers is dan een gangbare tijdelijke oplossing. Ook waren de gebreken voor de Provincie niet kenbaar en valt haar in dat kader niets te verwijten. Op de dag van het ongeval heeft een werkploeg nog om 15:36, althans 15:00 uur het fietspad namens de Provincie geschouwd. Omdat er toen nog geen gebreken zichtbaar waren, en er ook geen meldingen waren ontvangen over gebreken, was er ook geen reden om in te grijpen. Uit het feit dat zeer regelmatig en ook op de dag van het ongeval is geschouwd, blijkt ook dat de Provincie voldoet aan haar onderhoudsverplichtingen. Tot slot beroept de Provincie zich op eigen schuld van [betrokkene]. De Provincie concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling [eiseres] kan zich niet beroepen op artikel 6:174 BW 4.1. [eiseres] doet een beroep op het verhaalsrecht zoals geregeld in artikel 6:107a leden 2 en 3 BW. Daarvoor is vereist dat een derde partij aansprakelijk is voor een gebeurtenis waardoor haar werknemer arbeidsongeschikt is geraakt. Ter onderbouwing daarvan beroept [eiseres] zich primair op de erkenning van aansprakelijkheid van de Provincie tegenover [betrokkene] voor de door hem geleden schade op grond van artikel 6:174 BW. Maar zoals de Provincie terecht aanvoert, kan [eiseres] zich in haar relatie tot de Provincie niet baseren op risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW ter onderbouwing van de voor haar verhaalsrecht vereiste vaststelling van aansprakelijkheid. Dit is namelijk uitgesloten in artikel 6:197 lid 1 BW. [eiseres] heeft dit ter zitting erkend. De rechtbank zal de vorderingen daarom uitsluitend beoordelen op de door [eiseres] subsidiair aangedragen grondslag (artikel 6:162 BW). Artikel 6:162 BW is namelijk in artikel 6:197 lid 1 BW niet op dezelfde wijze buiten toepassing verklaard. De Provincie heeft niet onrechtmatig gehandeld en heeft haar zorgplicht niet geschonden 4.2. Op de Provincie als wegbeheerder rust de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van het fietspad de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Deze algemene zorgplicht ten aanzien van de veiligheid kan ertoe leiden dat de Provincie aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW. Daarvoor zal de Provincie het verwijt moeten kunnen worden gemaakt dat zij haar zorgplicht heeft geschonden, in die zin dat de toestand van het fietspad de veiligheid van personen en zaken dermate in gevaar heeft gebracht dat dit als gevaarzettend moet worden aangemerkt. Dit wordt beoordeeld naar de omstandigheden van het geval aan de hand van de gezichtspunten die zijn gegeven in het Kelderluik-arrest. Anders dan bij een risicoaansprakelijkheid zoals op grond van artikel 6:174 BW, is daarbij vereist dat de Provincie bekend was met het gevaar, dan wel daarmee bekend had behoren te zijn. Artikel 6:162 BW behelst namelijk een schuldaansprakelijkheid. 4.3. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op [eiseres], die zich op de rechtsgevolgen van artikel 6:162 BW beroept, de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat sprake is van een gevaarzettende situatie in de zin van dat artikel. De rechtbank begrijpt dat de stellingen van [eiseres] kortgezegd erop neerkomen dat de Provincie verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij in de gegeven omstandigheden het fietspad met klinkers heeft gerepareerd, althans niet ervoor heeft gezorgd dat het fietspad zo snel mogelijk (en voordat het kenbare gevaar van het omhoogkomen van de klinkers zich verwezenlijkte) definitief door asfaltering hersteld werd, althans onvoldoende maatregelen heeft getroffen ter waarschuwing van weggebruikers. Hierna zal de rechtbank deze stellingen aan de hand van de Kelderluik-criteria beoordelen. Kans niet-inachtneming vereiste oplettendheid en voorzichtigheid 4.4. Het eerste criterium ziet op de waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht. De Provincie dient bij het onderhoud van het fietspad ermee rekening te houden dat weggebruikers dit niet altijd in acht zullen nemen. Daartegenover staat de verplichting van weggebruikers om de in zijn algemeenheid te vergen voorzichtigheid in acht te nemen. Hoewel [betrokkene] in het algemeen niet had hoeven te verwachten dat de klinkers zouden verschuiven, en zeker niet in de mate als in dit geval, is niet in geschil dat de geplaatste klinkers als zodanig goed zichtbaar waren voor weggebruikers. Het fietspad betreft een overzichtelijk recht stuk naast de provinciale weg en er was niets in de weginrichting dat het zicht op de klinkers ontnam. Daarbij komt dat, zoals uit de foto’s blijkt, de klinkers ten opzichte van het geasfalteerde deel van het fietspad opvielen door het kleurverschil. Dit alles houdt in beginsel in dat [betrokkene] de omhooggekomen klinkers van ruime afstand heeft moeten zien aankomen, ook als men in acht neemt dat [betrokkene] op zijn speedpedelec met een hogere snelheid dan gemiddeld gebruikmaakte van het fietspad. Daaruit blijkt dan ook niet een verhoogde kans op niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid van weggebruikers op het fietspad. De Provincie hoefde op grond hiervan niet bedacht te zijn op het moeten waarschuwen van weggebruikers voor de aanwezigheid van de klinkers, met name omdat de kans op het ontstaan van gebreken hierdoor in het algemeen niet groot is, zoals hierna zal worden besproken. Kans op ongevallen 4.5. De rechtbank acht namelijk net als de Provincie de kans op ongevallen door het plaatsen van klinkers als tijdelijke herstelmaatregel klein, zowel in het algemeen als in dit specifieke geval. Het plaatsen van klinkers is een zeer vaak gehanteerde (tijdelijke) herstelmaatregel. De rechtbank zijn uit jurisprudentie geen vergelijkbare gevallen bekend van aansprakelijkheid van wegbeheerders vanwege het omhoogkomen van klinkers. De Provincie heeft verklaard dat zij nog niet eerder heeft gezien dat klinkers omhoogkomen in de mate waarin dat hier het geval was, en ook zo plotseling als in dit geval. Ook de uitvoerend aannemer (DuraVermeer) heeft dat verklaard. Ook is relevant dat de Provincie heeft verklaard niet bekend te zijn met enig ander ongeval op dit stuk fietspad vanwege de plaatsing van de klinkers, noch hierover enige melding te hebben ontvangen van andere weggebruikers. [eiseres] heeft met verwijzing naar verschillende nieuwsartikelen in het algemeen gesteld dat de kans groot is dat klinkers omhoog gaan staan bij warm weer en dat daarmee ook de kans op ongevallen groot is. Maar bij de aangehaalde voorbeelden lijkt het steeds te gaan om lange perioden met extreme hitte. Weliswaar heeft [eiseres] aangetoond dat de dag van het ongeval een warme dag was, maar er is niet aangetoond dat sprake was van aanhoudende extreme hitte. Een directe vergelijking met de nieuwsartikelen gaat daarom niet op. Dat tussen partijen vaststaat dat het warme weer op 9 juli 2023 het verschuiven van de klinkers heeft veroorzaakt, maakt dat niet anders. Volgens de stellingen van [eiseres] zijn klinkers per definitie ongeschikt voor gebruik tijdens de zomermaanden, omdat warmte altijd ervoor zal zorgen dat klinkers verschuiven wat zorgt voor gevaarzettende situaties. Dat is door de Provincie gemotiveerd betwist. Zij voert aan dat zij ook geen hittebeleid hanteert omdat het asfalt ’s nachts doorgaans weer voldoende afkoelt, zodat de gevolgen van uitzetting van het asfalt beperkt blijven. Gelet op het wijdverspreide gebruik van klinkers, ook gedurende zomermaanden, is de stellingname van [eiseres] in het algemeen te verstrekkend. [eiseres] heeft dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de Provincie onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank niet van de juistheid daarvan kan uitgaan. Aan het door [eiseres] voorgestelde deskundigenonderzoek komt de rechtbank alleen al om die reden dus niet toe. Ernst van de gevolgen bij een ongeval 4.6. Ook is relevant wat de ernst is van een mogelijk ongeval door de gestelde gevaarzetting. Ondanks de in het algemeen kleine kans op ongevallen door het gebruik van klinkers zoals hierboven overwogen, kunnen de gevolgen van een ongeval vanwege omhoogstaande klinkers ernstig zijn, zoals in het geval van [betrokkene] ook is gebleken. Met name omdat het gebruik van e-bikes en speedpedelecs in de afgelopen jaren is toegenomen, waardoor de kans op ernstige ongevalsgevolgen is toegenomen, en het fietspad ook toegankelijk is voor bromfietsers die met hoge snelheden over de klinkers rijden. Bezwaarlijkheid van (veiligheids)maatregelen 4.7. Volgens [eiseres] waren definitieve herstelmaatregelen op korte termijn na de lekkage mogelijk en mocht van de Provincie verwacht worden dat zij sneller, in ieder geval voor het begin van de zomer, het fietspad opnieuw had laten asfalteren. De Provincie heeft dit gemotiveerd betwist. Asfalteren was op korte termijn na de lekkage niet mogelijk, omdat de ondergrond na een lekkage en een noodreparatie eerst moet zetten. Ter zitting heeft de Provincie aanvullend toegelicht dat volgens DuraVermeer in dergelijke gevallen gemiddeld genomen een periode van 1 tot 1,5 jaar moet worden gewacht voordat de weg kan worden geasfalteerd. Omdat sprake is van kleigrond ontstaan na lekkage kuilen die asfaltering belemmeren. Er dient te worden gewacht met asfalteren totdat de kleigrond niet meer inzakt, omdat het asfalt anders scheurt. Daartegenover heeft [eiseres] haar stelling dat de Provincie wel degelijk binnen enkele maanden al kon asfalteren onvoldoende onderbouwd door enkel te verwijzen naar anekdotische informatie die haar advocaat in gesprekken met andere advocaten heeft gekregen. Het is onduidelijk waarop deze informatie is gebaseerd. Een nadere onderbouwing had, gelet op de betwisting van de Provincie, wel van [eiseres] verwacht mogen worden. Daarnaast is hiervoor al overwogen dat het plaatsen van klinkers als tijdelijke maatregel zeer gebruikelijk is en dat niet is komen vast te staan dat klinkers niet tijdens de zomermaanden gebruikt mogen worden. De Provincie heeft dus niet verwijtbaar gehandeld door het fietspad niet al voor de zomer van 2023 definitief te laten herstellen. 4.8. Andere kleinere (veiligheids)maatregelen zoals het plaatsen van waarschuwingsbord waren op zichzelf niet bezwaarlijk, maar deze lagen vanwege de goede zichtbaarheid en het algemene lage risico op verschuiving van de klinkers niet voor de hand. De vraag is ook of een waarschuwingsbord in dit geval had geholpen. [betrokkene] maakte iedere werkdag twee keer gebruik van het fietspad, op de dag van het ongeval inmiddels vier maanden lang. Ook op de dag van het ongeval is hij ’s ochtends zonder problemen over de klinkers gereden. Hij was dus bekend met de geplaatste klinkers, zoals [betrokkene] zelf ook heeft verklaard. Een algemene waarschuwing voor de aanwezigheid hiervan, of zelfs de theoretische mogelijkheid van verschuiving, had er naar alle waarschijnlijkheid niet voor gezorgd dat [betrokkene] zijn fietsgedrag hierop had aangepast. Kenbaarheid van het gevaar 4.9. Tenslotte is gelet op het vereiste van toerekenbaarheid relevant of het gevaar aan de Provincie zelf kenbaar was of had moeten zijn. Het geschil op dit punt ziet er met name op of de Provincie het fietspad voldoende en op een deugdelijke wijze heeft geschouwd, waardoor zij ervan op de hoogte had moeten zijn dat het fietspad op de dag van het ongeval gebreken vertoonde. 4.10. Voor de rechtbank staat voldoende vast dat de gebreken zich pas kort voor het ongeval hebben openbaard en dat de Provincie aan haar zorgplicht heeft voldaan door het fietspad regelmatig te schouwen, ook kort voor het ongeval. Het gevaar was daarom niet kenbaar aan de Provincie, noch had dit de Provincie kenbaar moeten zijn. Dat volgt ten eerste uit de verklaring van [betrokkene] dat de klinkers in de ochtend voor het ongeval nog niet omhoog stonden. Daarnaast heeft de Provincie door overlegging van een e-mail van Waaksaam (de gebiedsaannemer waar DuraVermeer onderdeel van is) en een rittenoverzicht van twee schouwende chauffeurs gemotiveerd dat er in ieder geval op 6 en 8 juni 2023 nog is geschouwd langs het fietspad. Toen zijn geen (beginnende) gebreken waargenomen, zodat er ook geen reden was om maatregelen te nemen. [eiseres] betwist dat uit het rittenoverzicht blijkt dat de Provincie het fietspad deugdelijk heeft geschouwd. Uit het rittenoverzicht blijkt dat de chauffeurs met tussen de 50 en 70 kilometer per uur langs het fietspad reden, waardoor het onmogelijk was om te zien of de klinkers waren verschoven. De rechtbank overweegt dat het in de ideale situatie wenselijk is dat alle openbare wegen in detail en stapvoets geschouwd worden, maar dat dit gelet op het grote gebied waarvoor Waaksaam verantwoordelijk is niet realistisch is. Dit te meer omdat het fietspad zich langs een provinciale weg bevindt. [eiseres] heeft ook niet betwist dat dit de gebruikelijke manier van schouwen is. De rechtbank houdt het ervoor dat het gevaar de chauffeurs was opgevallen als dit op het moment van schouwen zichtbaar was, ook met deze manier van werken. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de Provincie het fietspad in ieder geval op 6 en 8 juni 2023 heeft geschouwd en dat de schouwende chauffeurs geen gebreken aan de klinkers hebben vastgesteld. Daarnaast heeft de Provincie aangevoerd dat Waaksaam op 31 juli 2023 heeft gezegd dat zij ook op de ongevalsdatum nog rond 15:36 uur heeft geschouwd. Van deze dag heeft de Provincie geen rittenregistratie overgelegd en [eiseres] betwist dat er die dag is geschouwd, zodat de rechtbank dat niet als vaststaand kan aannemen. Wel komt dat de rechtbank niet onaannemelijk voor, omdat de Provincie heeft toegelicht dat Waaksaam in deze periode veel werkzaamheden heeft verricht in het werkvak waartoe het fietspad behoort. En het is onbetwist dat Waaksaam (vaker) schouwt als in een werkvak werkzaamheden verricht worden. In elk geval is de conclusie dat het gebrek op de dag van het ongeval overdag moet zijn ontstaan en dat er in ieder geval de dag ervoor geen aanleiding was om aan te nemen dat dit zou gebeuren. 4.11. Gelet op het feit dat er zodanig kort voor het ongeval nog geschouwd is, was het gebrek aan het fietspad voor de Provincie niet kenbaar terwijl zij ruimschoots aan haar zorgplicht heeft voldaan door regelmatig de staat van het fietspad te beoordelen. In dat kader valt de Provincie geen verwijt te maken. Zoals hiervoor overwogen heeft [eiseres] daarnaast onvoldoende gesteld voor de conclusie dat de Provincie in het algemeen op de hoogte had moeten zijn van gevaarzettende eigenschappen van klinkers. Conclusie en proceskosten 4.12. Dit alles bezien in onderlinge samenhang leidt tot de conclusie dat geen sprake is geweest van onrechtmatige gevaarzetting op grond van de Kelderluik-criteria. De Provincie heeft dus niet haar zorgplicht als wegbeheerder geschonden en is daarom niet aansprakelijk tegenover [eiseres]. De overige stellingen over en weer over de (omvang van de) schade behoeven dan ook geen bespreking. 4.13. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Provincie worden begroot op: - griffierecht € 6.861,00 - salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten × € 2.051,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 11.152,00 4.14. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 22 juli 2026. 1949 HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079.