Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-02-03
ECLI:NL:RBNHO:2026:946
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, zittingsplaats Haarlem Meervoudige strafkamer Raadkamernummer : 25/028947 (15/661138-08 (P)) Datum : 3 februari 2026 Beslissing van de meervoudige (openbare) raadkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [verzoeker], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres], voor deze procedure woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw mr. S.P. Koerselman, Cyclaamrood 11, 2718 SE in Zoetermeer, hierna te noemen: de verzoeker. Feiten Bij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2008 is de verzoeker veroordeeld ter zake van: ten aanzien van feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking; ten aanzien van feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 4: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Bij uitspraak van 17 april 2009 is het wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit baten van deze strafbare feiten berekend op € 120.120,00 en is aan de verzoeker de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat opgelegd. Dit vonnis is op 19 augustus 2010 onherroepelijk geworden. Procedure Het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de ontnemingsvordering is op 27 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 16 december 2025 is van het CJIB een reactie op het ingediende verzoek ontvangen. De rechtbank heeft op 20 januari 2026 het verzoek ter terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft daarbij de officier van justitie, mr. R. Visser, de verzoeker en zijn raadsvrouw, mr. S.P. Koerselman, op zitting gehoord. Verzoek In het verzoekschrift heeft de raadsvrouw namens de verzoeker gesteld dat het recht tot tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel reeds in 2018 is verjaard. Primair heeft zij verzocht het gehele aan verzoeker opgelegde ontnemingsbedrag kwijt te schelden en te bepalen dat verzoeker geen verdere betalingen verschuldigd is ter zake van de opgelegde betalingsverplichting. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat sprake is van betalingsonmacht en heeft zij om die reden verzocht de aan verzoeker opgelegde betalingsverplichting te verminderen tot een bedrag van € 2.500,-, althans tot een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag en te bepalen dat verzoeker dit bedrag mag voldoen in maandelijkse termijnen van € 50,-. Anders dan in het verzoekschrift heeft de raadsvrouw zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek. Het CJIB heeft de betalingsverplichting reeds gesloten wegens verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn, waardoor de verzoeker geen belang meer heeft bij zijn verzoek. Subsidiair heeft zij nader aangevoerd dat – mocht de rechtbank oordelen dat geen sprake is van verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn – nihilstelling van de ontnemingsmaatregel op zijn plaats is. Meer subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de maandelijkse betaling van € 250,00 moet worden verminderd tot € 100,00 gelet op de draagkracht van de verzoeker. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de financiële situatie van verzoeker significant is gewijzigd sinds de oplegging van de ontnemingsvordering, dat sprake is van structurele betalingsonmacht en gebrek aan toekomstige draagkracht en dat het blijven handhaven van de betalingsverplichting verzoekers fundamentele recht op resocialisatie en maatschappelijke participatie miskent. Advies van het CJIB Het CJIB heeft bij brief van 16 december 2025 te kennen gegeven dat zij de executie van