Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-06-17
ECLI:NL:RBNHO:2026:8702
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/362816 / HA ZA 25-122 Vonnis van 17 juni 2026 in de zaak van MR. MAURITS VICTOR VERMEIJ , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LE BON VOYAGE B.V., te Alkmaar, eisende partij, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. E.N. van Essen, tegen 1 [gedaagde sub 1] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de Holding B.V.] HOLDING B.V. , te [woonplaats] , hierna te noemen: [de Holding B.V.] advocaat: mr. M.M.E. van Veen-Oudenaarden, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [ gedaagden sub 1 en 2] , en 3 3. [gedaagde sub 3] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de B.V. 1] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [de B.V. 1] , [gedaagde sub 3] en [de B.V. 1] hierna samen te noemen: [gedaagden sub 3 en 4] ,5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIDEAWAYS B.V. , te De Goorn, gemeente Koggenland, hierna te noemen: Hideaways, advocaat: mr. J.S. van Daal, gedaagde partijen. De zaak in het kort Deze zaak gaat over bestuurdersaansprakelijkheid en schuldeisersbenadeling (de faillissementspauliana). De curator maakt de (voormalig) bestuurder(s) van de failliete vennootschap verschillende verwijten, die naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden. Daarnaast is onder meer aan de orde de vernietiging van een activaovereenkomst op grond van schuldeisersbenadeling. Op grond van de activaovereenkomst heeft de vennootschap kort voor haar faillissement haar activa overgedragen aan een vennootschap die verbonden is aan haar voormalig bestuurder. De rechtbank oordeelt (kort gezegd) dat de activa zijn verkocht in het kader van een pandrecht en dat van schuldeisersbenadeling geen sprake is. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 4 juni 2025, waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen. 1.2. Deze mondelinge behandeling heeft op 13 oktober 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd: - de akte overlegging producties met producties 53 tot en met 72 van de curator; - de akte overlegging producties met producties 39 en 40 van [ gedaagden sub 1 en 2] ; - de akte overlegging producties met producties 7 en 8 van [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways. 1.3. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat zij in deze zaak vonnis zal wijzen. 2 De feiten 2.1. [gedaagde sub 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [ gedaagden sub 1 en 2] [gedaagde sub 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [de B.V. 1] 2.2. Op 18 augustus 2017 heeft [gedaagde sub 3] via [de B.V. 1] Le Bon Voyage B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht. De vennootschap heette toen Lovebnb.nl B.V. [de B.V. 1] en [gedaagde sub 1] waren tot 4 april 2022 de bestuurders van de vennootschap. Met ingang van 4 april 2022 is [ gedaagden sub 1 en 2] enig bestuurder van de vennootschap geworden. Tot 5 april 2022 was [de B.V. 1] enig aandeelhouder van de vennootschap. Vanaf 5 april 2022 had de vennootschap drie aandeelhouders: [de B.V. 1] (voor 20%), [ gedaagden sub 1 en 2] (voor 74%) en [de B.V. 2] (hierna: [de B.V. 2] ) (voor 6%). 2.3. De vennootschap richtte zich op de exploitatie van een online boekingsplatform voor luxe en boutique hotels. Toen de vennootschap werd opgericht, moest de online boekingssite echter nog worden ontwikkeld en worden gebouwd. 2.4. De vennootschap werd niet extern gefinancierd. [de B.V. 1] trad op als financier. Vanaf 2017 heeft [de B.V. 1] in rekening-courant bedragen aan de vennootschap uitgeleend. Op 20 juli 2018 hebben [de B.V. 1] 2] in de vennootschap verkreeg. 2.12. Op 5 april 2022 hebben [de B.V. 1] en de vennootschap een overeenkomst van geldlening ondertekend (hierna: geldlening II). In geldlening II is onder meer het volgende vermeld, waarbij [de B.V. 1] is aangeduid als schuldeiser en de vennootschap als schuldenaar: “(…) in aanmerking nemend dat: Vanaf het jaar 2017 Schuldeiser diverse bedragen als lening (of rekening courant) heeft verstrekt aan Schuldenaar (…) De lening per 31 december 2021 een hoogte heeft van in totaal € 738.912,58 (…) Artikel 1. Hoofdsom 1.1 Schuldeiser heeft aan Schuldenaar ter leen een bedrag, dan wel t/m 31-12-2021 opgelopen tot, groot € 738.912,58 (…) 1.2 Deze Hoofdsom bevat zowel de verstrekte lening bedragen als de hierover opgebouwde rente t/m 31-12-2-21 die over deze lening verschuldigd is. (…) Artikel 6. Pandakte 6.1 Ter zekerheidstelling van de Hoofdsom zijn partijen een Pandrecht door middel van een Pandakte overeengekomen. Deze Pandakte is onlosmakelijk verbonden aan deze leningsovereenkomst en zal als bijlage worden toegevoegd. De pandakte zal notarieel worden vastgelegd en zal zijn bekrachtigd door de notaris.” 2.13. Eveneens op 5 april 2022 hebben de vennootschap als schuldenaar/pandgever en [de B.V. 1] als schuldeiser/pandhouder een notariële pandakte getekend (hierna: pandakte II). Pandakte II vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “(…) INLEIDING (…) 2. Tot meerdere zekerheid voor de voldoening van al hetgeen de schuldenaar nu of te eniger tijd aan de schuldeiser verschuldigd is of mocht zijn, heeft de schuldenaar zich jegens de schuldeiser verbonden een pandrecht te vestigen op de hierna omschreven activa (…) VERPANDING (…) A. Vestiging 1. De pandgever vestigt ten behoeve van de pandhouder, die hierbij aanvaardt een eerste stil pandrecht op alle activa van de Vennootschap, waaronder onder meer, (maar niet uitsluitend) worden verstaan: I. alle roerende zaken van de vennootschap (…) II. alle gebruikersdatabases (incl. CRM data) en bijbehorende contracten III. de logo’s, merk- en domeinnamen en de merkrechten van de vennootschap inclusief alles wat daartoe in de ruimste zin behoort inclusief haar licenties (…) IV. de software (…) C. Voorwaarden pandrecht (…) g. Indien de pandgever in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pandrecht tot waarborg strekt, is de pandhouder bevoegd terstond en zonder rechterlijke tussenkomst over te gaan tot de verkoop van de goederen overeenkomstig artikel 3:248 Burgerlijk Wetboek (…)” 2.14. In mei 2022 heeft de vennootschap opnieuw contact met [S.] gezocht om hem te bewegen te investeren. In augustus 2022 heeft [S.] de vennootschap laten weten dat hij wilde participeren en dat hij bereid was om onder voorwaarden € 500.000,00 te investeren (€ 300.000,00 als agiostorting en € 200.000,00 als lening). In augustus en september 2022 is op verzoek van [S.] een due diligence uitgevoerd. Na de due diligence en ondanks dat de liquiditeitsprognoses een tekort lieten zien, handhaafde [S.] zijn investeringsvoorstel. 2.15. Op 21 oktober 2022 heeft [S.] zich als investeerder teruggetrokken omdat hij het met [de B.V. 1] niet over de voorwaarden van zijn investering eens werd. 2.16. Op 25 oktober 2022 heeft de advocaat van [de B.V. 1] aan de vennootschap (toen geheten House of Hideaways B.V.) een brief gestuurd. In die brief staat, voor zover relevant, het volgende: “(…) Cliënte heeft aan House of Hideaways B.V. een geldlening verstrekt (…) Per 31 december 2021 bedroeg de stand van de lening € 738.912,68. Sindsdien is de lening verder opgelopen. (…) Daarenboven heeft cliënte goede gronden te vrezen dat House of Hideaways B.V. ook in de toekomst zal blijven tekortschieten in haar verplichtingen jegens cliënte. Cliënte heeft eveneens begrepen dat inmiddels een faillissement van House of Hideaways B.V. dreigt. Indien en voor zover nodig stelt cliënte House of Hideaways B.V. hierbij in gebreke. (…) Cliënte heeft mij opdracht gegeven om de verkoop van de verpande zaken op Op 20 februari 2024 heeft de curator de vernietiging inroepen van geldlening II met een beroep op artikel 42 Fw. 2.24. [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] hebben iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen. Ook op de ingeroepen vernietigingen is afwijzend gereageerd. 3 Het geschil 3.1. De curator vordert (samengevat): ten opzichte van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] primair I. een verklaring voor recht dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] hun taak als bestuurders van de vennootschap onbehoorlijk hebben vervuld en dat aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest; II. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van het boedeltekort, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van een voorschot van € 166.577,10 op het boedeltekort, subsidiair IV. een verklaring voor recht dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tekort zijn geschoten in de behoorlijke vervulling van hun taak als statutair (middellijk) bestuurders van de vennootschap, althans dat zij ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers van de vennootschap onrechtmatig hebben gehandeld; V. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van de daardoor geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; VI. hoofdelijke veroordeling van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] tot betaling van een voorschot van € 166.577,10 op deze schadevergoeding; ten opzichte van [de B.V. 1] VII. een verklaring voor recht dat geldlening II en pandakte II op 20 februari 2024 buitengerechtelijk zijn vernietigd; ten opzichte van Hideaways VIII. een verklaring voor recht dat de activaovereenkomst op 23 februari 2023 buitengerechtelijk is vernietigd; IX. een verklaring voor recht dat de curator zich op de activa, die in de activaovereenkomst zijn genoemd, kan verhalen; X. veroordeling van Hideaways om mee te werken aan de feitelijke teruggave van de activa aan de curator, op straffe van een dwangsom; ten opzichte van alle gedaagden XI. veroordeling om aan de curator een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen; XII. hoofdelijke veroordeling in de proceskosten en dat de rechtbank dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart (voor zover mogelijk). 3.2. De curator baseert zijn vorderingen tegen [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] op bestuurdersaansprakelijkheid en zijn vordering tegen [de B.V. 1] en Hideaways op schuldeisersbenadeling (de faillissementspauliana). 3.3. [ gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways voeren verweer. Zij betwisten dat [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] als bestuurders aansprakelijk zijn te houden en dat sprake is van schuldeisersbenadeling. [ gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met veroordeling van de curator in de proceskosten. Voor [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways geldt dat zij willen dat de rechtbank de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaart. 3.4. De rechtbank zal de stellingen van partijen en de verweren hierna bespreken als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank zal eerst de vorderingen beoordelen die gaan over de vernietiging van de activaovereenkomst. Dat zijn de vorderingen tegen Hideaways. Daarna zal de vordering gericht tegen (uitsluitend) [de B.V. 1] aan de orde komen. Ten slotte zal de rechtbank de bestuurdersaansprakelijkheid bespreken. De vorderingen tegen Hideaways - de activaovereenkomst 4.2. De curator vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij de activaovereenkomst op 23 februari 2023 buitengerechtelijk heeft vernietigd. Deze vordering baseert de curator op de faillissementspauliana van arti Pandakte II, die ook strekt tot meerdere zekerheid voor de voldoening van het op grond van geldlening I verschuldigde bedrag van € 250.000,00, is dus rechtsgeldig. [de B.V. 1] was tot executie bevoegd 4.9. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de in de zin van artikel 3:251 lid 2 BW tussen [de B.V. 1] en de vennootschap gemaakte afspraak om de activa onderhands executoriaal door de vennootschap te laten verkopen rechtsgeldig is. Partijen zijn het namelijk niet met elkaar eens of [de B.V. 1] op dat moment (op 16 december 2022) bevoegd was om tot executie over te gaan. De curator meent dat [de B.V. 1] niet bevoegd was omdat hij geldlening II en pandakte II op grond van artikel 42 Fw heeft vernietigd. Volgens de curator kon [de B.V. 1] haar recht van parate executie ook niet op grond van pandakte I uitoefenen, omdat (aldus de curator) geldlening I nog niet opeisbaar was. Volgens de curator kent geldlening I, anders dan geldlening II, geen aflossingsverplichting en liep geldlening I in principe tot eind augustus 2027. Daartegen voeren [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways aan dat de vennootschap op 25 oktober 2022 in gebreke is gesteld en dat de vennootschap in verzuim verkeerde. Volgens [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways kon [de B.V. 1] op 16 december 2022 in ieder geval op grond van artikel 5 lid 1 sub g van geldlening I in samenhang met artikel 4 van pandakte I en pandakte II tot executie overgaan. 4.10. De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagden sub 3 en 4] en Hideaways, waarbij de rechtbank het volgende vooropstelt. Niet in geschil is dat de totale vordering van [de B.V. 1] op de vennootschap per 16 december 2022 in ieder geval (circa) € 740.000,00 bedroeg. Daarvan had [de B.V. 1] volgens de eigen stellingen van de curator € 250.000,00 op grond van geldlening I te vorderen. De curator heeft niet betwist dat het bedrag van € 250.000,00 op grond van artikel 5 lid 1 sub g van geldlening I terstond opeisbaar is als [de B.V. 1] goede gronden heeft te vrezen dat de vennootschap in de nakoming van haar verplichtingen op grond van geldlening I zal tekortschieten of [de B.V. 1] in haar verhaalsmogelijkheden zal worden benadeeld. Verder is niet in geschil dat de op grond van pandakte I gevestigde pandrechten rechtsgeldig zijn en dat uit artikel 4 van de pandakte I volgt dat zodra de vennootschap in verzuim is met haar betalingsverplichtingen of als [de B.V. 1] mag vrezen dat de vennootschap daarin zal tekortschieten, [de B.V. 1] bevoegd is haar pandrecht uit te winnen (en zich op de opbrengst te verhalen). En voor de niet op grond van artikel 42 Fw vernietigde pandakte II (zie 4.8 van dit vonnis) geldt dat het recht van parate executie is opgenomen in artikel C sub g: als de pandgever in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pandrecht tot waarborg strekt, kan de pandhouder zijn recht van parate executie uitoefenen. 4.11. De rechtbank is van oordeel dat [de B.V. 1] geldlening I met haar brief van 25 oktober 2022 heeft opgeëist. In deze brief refereert [de B.V. 1] aan de dreiging dat de vennootschap failliet gaat en aan haar vrees dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen. Verder staat in deze brief dat [de B.V. 1] de vennootschap voor zover nodig in gebreke stelt en dat [de B.V. 1] haar pandrecht zal gaan uitoefenen als zij niet uiterlijk op 28 oktober 2022 (“vrijdag as.”) van de vennootschap een saneringsvoorstel ontvangt waaruit blijkt (kort gezegd) dat het geleende geld zal kunnen worden terugbetaald. Hieruit volgt dat geldlening I op grond van artikel 5 lid 1 sub g daarvan opeisbaar was. 4.12. [de B.V. 1] heeft de vennootschap geen ingebrekestelling gestuurd voor de terugbetaling van geldlening I. Toch verkeerde de vennootschap naar het oordeel van de rechtbank op (in ieder geval) 16 december 2022 in verzuim. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende. 4.13. Gesteld noch gebleken is dat de vennootschap zich na 25 oktober 2022 richting [de B.V. 1] op De rechtbank zal deze verwijten daarom verder buiten beschouwing laten. De andere verwijten (verwijten (i) en (ii)) leiden niet tot bestuurdersaansprakelijkheid. Dit oordeel licht de rechtbank als volgt toe. 4.20. Tussen partijen is niet in geschil dat de jaarrekeningen 2020 en 2021 niet zijn gedeponeerd. Daarmee staat op grond van de wet (artikel 2:248 lid 2 BW) vast dat [gedaagde sub 1] en [de B.V. 1] hun taak als bestuurders onbehoorlijk hebben vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Om dit wettelijke vermoeden te ontzenuwen, dienen [gedaagde sub 1] en [de B.V. 1] aannemelijk te maken dat andere van buitenaf komende feiten en omstandigheden dan hun kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. 4.21. Daarin zijn zij geslaagd. [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] hebben aannemelijk gemaakt dat de terugtrekking van [S.] op 21 oktober 2022 als investeerder een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Niet in geschil is dat de vennootschap met een structureel liquiditeitstekort kampte, terwijl [de B.V. 1] al in de zomer van 2021 duidelijk had gemaakt geen aanvullende financiering meer te willen verstrekken. Met de door de curator onweersproken serieuze interesse van [S.] had de vennootschap in ieder geval tot 21 oktober 2022 zicht op een substantiële financiering van € 500.000,00. De stelling van de curator dat al van begin af aan duidelijk was dat [S.] het met [de B.V. 1] niet over de voorwaarden eens zou worden en dus niet zou investeren, heeft de curator niet onderbouwd en strookt ook niet met het feit dat [S.] in oktober 2022 nog op kantoor van de vennootschap is geweest om als investeerder kennis te maken. Ook kan de rechtbank de curator niet volgen in zijn stelling dat de vennootschap ook failliet zou zijn gegaan als [S.] wel zou zijn ingestapt omdat dan nog steeds sprake zou zijn geweest (aldus de curator) van een liquiditeitstekort. De curator miskent daarmee namelijk dat het hier gaat om een startende onderneming die pas eind december 2021 beschikte over een boekingssite waarop direct in ‘realtime’ boekingen konden worden gedaan. Dit leidde in 2022 tot een door de curator onweersproken omzetgroei, wat voor [S.] reden was om toch te willen investeren. 4.22. De rechtbank ziet dan ook niet, zoals de curator betoogt, dat de vennootschap vanaf de zomer van 2021 haar activiteiten had moeten staken en dat de bestuurder(s) kan worden verweten dat (in de bewoordingen van de curator) de vennootschap daarna “maar is blijven doormodderen”. Dat [de B.V. 1] in de zomer van 2021 aangaf geen aanvullende financiering meer te willen verstrekken (wat [de B.V. 1] feitelijk wel heeft gedaan) en dat er sprake was van structureel negatieve liquiditeitsprognoses, maakten het faillissement van de vennootschap vanaf de zomer van 2021 nog niet voorzienbaar. 4.23. Omdat de aan het adres van [ gedaagden sub 1 en 2] en [gedaagden sub 3 en 4] gemaakte verwijten dus niet tot bestuurdersaansprakelijkheid leiden, zal de rechtbank de primaire vorderingen (onder r.o. 3.1.I. tot en met 3.1.III.) afwijzen. Dat geldt ook voor de subsidiaire vorderingen die de curator op dezelfde verwijten baseert. Om de subsidiaire vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW te kunnen toewijzen, is namelijk in ieder geval vereist dat aan de bestuurder van de benadeling een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Daarvan is geen sprake. Buitengerechtelijke incassokosten 4.24. Omdat de hoofdvorderingen van de curator niet toewijsbaar zijn, sneuvelt ook de nevenvordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten. Proceskosten 4.25. De curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank zal de proceskosten berekenen op basis van het oude (vóór 1 februari 2026 geldende) liquidatietarief. 4.26. De rechtbank b