Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-06-15
ECLI:NL:RBNHO:2026:8548
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: 12142571 \ AO VERZ 26-28/MdV Beschikking van 15 juni 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: mr. A.J.K. de Graaf, tegen DIERENZIEKENHUIS NOORD-HOLLAND B.V. , te Heerhugowaard, verwerende partij, hierna te noemen: Dierenziekenhuis, gemachtigde: mr. R.J. van Velzen. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging dan wel een billijke vergoeding en nevenvorderingen. De kantonrechter wijst het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding toe, omdat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet zonder toestemming van het UWV op had mogen zeggen. Ook enkele nevenvorderingen worden toegewezen, omdat de werknemer nog recht heeft op uitbetaling van die bedragen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van [verzoeker] ingekomen op 16 maart 2026 - het verweerschrift van Dierenziekenhuis - aanvullende stukken van Dierenziekenhuis van 12 mei 2026 - de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen van [verzoeker] en Dierenziekenhuis 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1965, was sinds 4 augustus 2025 in dienst bij Dierenziekenhuis, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar met een gemiddelde arbeidsomvang van 16 uur per week. In de arbeidsovereenkomst was een tussentijds opzegbeding opgenomen. De functie van [verzoeker] was paraveterinair dierenfysiotherapeut met een loon van € 25,00 bruto per uur. 2.2. Op 17 december 2025 heeft Dierenziekenhuis de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen met ingang van 1 februari 2026. 2.3. Op 16 januari 2026 heeft Dierenziekenhuis [verzoeker] laten weten dat hij vanaf dat moment wordt vrijgesteld van werk. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter primair een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en subsidiair een billijke vergoeding toe te kennen. Daarnaast verzoekt [verzoeker] zowel primair als subsidiair om Dierenziekenhuis te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, openstaande vakantiedagen, vakantietoeslag, reiskostenvergoeding, achterstallig salaris, cursuskosten en lidmaatschap van de NVFD één en ander vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tot slot verzoekt [verzoeker] dat Dierenziekenhuis wordt veroordeeld tot afdracht van pensioenpremies. 3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de opzegging niet rechtsgeldig is. Dit omdat Dierenziekenhuis heeft nagelaten een ontslagvergunning bij het UWV aan te vragen, terwijl dit bij een ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden wel had gemoeten. [verzoeker] berust in de opzegging, maar volgens [verzoeker] moet Dierenziekenhuis hem wel een vergoeding wegens het onregelmatig opzeggen van de arbeidsovereenkomst betalen dan wel een billijke vergoeding betalen. 3.3. Dierenziekenhuis erkent dat zij de arbeidsovereenkomst niet zonder ontslagvergunning van het UWV op had mogen zeggen. Zij betwist echter dat [verzoeker] aanspraak kan maken op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, aangezien Dierenziekenhuis de opzegtermijn juist heeft toegepast. Verder voert Dierenziekenhuis verweer tegen de hoogte van de door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding. 3.4. Op de stellingen van partijen zal bij de beoordeling verder worden ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een onregelmatige opzegging, doordat Dierenziekenhuis de arbeidsovereenkomst zonder toestemming van het UWV heeft opgezegd. Dit terwijl zij deze toestemming wel had moeten vragen, aangezien de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden is opgezegd. Doordat [verzoeker] ec De kantonrechter oordeelt echter dat het allerminst zeker is dat het UWV een ontslagvergunning zou hebben verleend. Dierenziekenhuis heeft namelijk onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de financiële situatie dusdanig slecht was dat het nodig was meerdere personeelsleden te ontslaan. Dierenziekenhuis heeft alleen een e-mail aan haar huisbank overgelegd waarin staat welke maatregelen zij zal nemen om de liquiditeit te verbeteren. Die enkele e-mail is echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat er sprake was van dusdanig ernstige bedrijfseconomische omstandigheden die maakten dat de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] moest worden opgezegd. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst indien het ernstig verwijtbaar handelen van Dierenziekenhuis wordt weggedacht nog tot 4 augustus 2026 had geduurd. 4.8. Bij het vaststellen van de inkomensschade dienen mogelijke inkomsten die [verzoeker] ontvangt in mindering te strekken. Op de zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat hij nog geen WW-uitkering ontvangt en op dit moment inteert op zijn oudedagsreserves. De kantonrechter is van oordeel dat het voor [verzoeker] gezien zijn leeftijd en het beperkt aantal vacatures voor dierenfysiotherapeuten niet makkelijk zal zijn op korte termijn een andere baan te vinden. Dierenziekenhuis heeft betoogd dat [verzoeker] ook op vacatures voor humaan fysiotherapeut kan solliciteren. Ook zou hij de praktijk van zijn vrouw, waarvan [verzoeker] medevennoot is, uit kunnen breiden volgens Dierenziekenhuis. In hoeverre dat op korte termijn daadwerkelijk reële opties zijn kan de kantonrechter echter niet inschatten. Dierenziekenhuis heeft verder nog aangevoerd dat het aannemelijk is dat [verzoeker] , doordat hij geen vernietiging van de opzegging heeft gevorderd, geen financieel nadeel van de opzegging heeft ondervonden. Dat betoog faalt. Duidelijk is dat de arbeidsrelatie als gevolg van het handelen van Dierenziekenhuis verstoord is geraakt, waardoor een terugkeer voor [verzoeker] geen optie meer was. De omstandigheid dat [verzoeker] berust in de opzegging, wil dan ook niet zeggen dat er geen nadelige financiële gevolgen zijn. 4.9. De kantonrechter zal de billijke vergoeding echter niet alleen vaststellen op basis van de inkomensschade. Gelet op de leeftijd van [verzoeker] en de ernst van het verwijtbaar handelen van Dierenziekenhuis, is het gerechtvaardigd de billijke vergoeding hoger vast te stellen dan alleen de inkomensschade. Daarbij weegt mee dat het de kantonrechter duidelijk is geworden dat de handelwijze van Dierenziekenhuis de nodige impact op [verzoeker] heeft gehad. [verzoeker] zag de opzegging immers niet aankomen en had nooit eerder signalen ontvangen dat zijn arbeidsplaats mogelijk zou komen te vervallen. Deze immateriële gevolgen rechtvaardigen dat een immateriële component wordt betrokken bij de vaststelling van de billijke vergoeding. Daarnaast geldt dat de billijke vergoeding ook een signaalfunctie heeft en tot doel heeft om te voorkomen dat Dierenziekenhuis in de toekomst niet opnieuw ernstig verwijtbaar handelt. 4.10. Alle omstandigheden in ogenschouw genomen, acht de kantonrechter een billijke vergoeding van € 12.531,00 passend. Hiermee wordt [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van Dierenziekenhuis. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de door [verzoeker] te ontvangen transitievergoeding in mindering te laten strekken op de billijke vergoeding. Deze transitievergoeding zal [verzoeker] mogelijk nodig hebben om de overgang naar ander werk te vergemakkelijken. 4.11. Dierenziekenhuis zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 12.531,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. transitievergoeding 4.12. Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] recht heeft op de wettelijke tr Ook werd er door het Dierenziekenhuis een lijst verstrekt met praktijken waar de folders gebracht moesten worden. Van een werknemer hoeft niet verwacht te worden hij dit vervolgens vrijwillig in zijn eigen tijd doet. Hetzelfde geldt voor het aanwezig zijn bij de opening. Deze opening moet onder andere worden gezien als een promotieactiviteit voor het trekken van klanten en is daarom niet vergelijkbaar met een personeelsborrel die vaak wel in de eigen tijd van een werknemer plaatsvindt, zoals door Dierenziekenhuis is aangevoerd. Het door [verzoeker] gevorderde bedrag van € 200,00 bruto is dan ook toewijsbaar. Aangezien de werkzaamheden zijn verricht in oktober 2025, zal de wettelijke rente over dit bedrag worden toegewezen vanaf 1 november 2025, nu Dierenziekenhuis vanaf dat moment in verzuim was met de betaling daarvan. cursuskosten 4.17. De door [verzoeker] gevorderde kosten voor een cursus echografie zullen worden afgewezen. Volgens [verzoeker] heeft hij deze cursus op verzoek van Dierenziekenhuis gevolgd, omdat klanten hun facturen anders niet in konden dienen bij de zorgverzekering van hun huisdier. Dierenziekenhuis heeft dit weersproken en heeft daarbij verwezen naar een e-mail van de directeur van Dierenziekenhuis waaruit volgt dat zij de cursus niet zal vergoeden. Dat [verzoeker] voorafgaand aan die e-mail wel toestemming van Dierenziekenhuis zou hebben gekregen de cursus op kosten van Dierenkliniek te volgen heeft hij onvoldoende onderbouwd. Aangezien [verzoeker] ook onvoldoende heeft onderbouwd dat de cursus noodzakelijk was voor de uitoefening van zijn functie, ontbreekt de grondslag op basis waarvan [verzoeker] aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van de cursus. wettelijke verhoging 4.18. [verzoeker] maakt aanspraak op de maximale wettelijke verhoging van 50% over de openstaande vakantiedagen, de vakantietoeslag en het achterstallige salaris. Dierenziekenhuis voert aan dat de eindafrekening in eerste instantie niet is opgesteld, omdat partijen nog in onderhandeling waren over einde van de arbeidsovereenkomst. Toen duidelijk werd dat de arbeidsovereenkomst definitief per 1 februari 2026 eindigde, heeft Dierenziekenhuis de eindafrekening alsnog opgesteld en uitbetaald. Dierenziekenhuis stelt zich daarom op het standpunt dat de wettelijke verhoging moet worden afgewezen, dan wel moet worden gematigd tot nihil. 4.19. Dierenziekenhuis had de openstaande vakantiedagen en de vakantietoeslag in beginsel aan het einde van het dienstverband, dus op 1 februari 2026, aan [verzoeker] moeten betalen. In de praktijk is het echter niet ongebruikelijk dat de eindafrekening niet direct, maar binnen een maand na het einde van het dienstverband wordt uitbetaald. De reden hiervoor is dat een werkgever na het einde van een dienstverband enige tijd nodig heeft om te bepalen of hij nog een bedrag aan de werknemer verschuldigd is en zo ja, welk bedrag dat dan moet zijn. Vast staat dat Dierenziekenhuis de eindafrekening niet binnen één maand heeft betaald, aangezien de eindafrekening pas op 7 mei 2026 aan [verzoeker] is betaald. Dit terwijl het verzoekschrift waarmee deze procedure is gestart al op 16 maart 2026 door de rechtbank is ontvangen en Dierenziekenhuis vanaf dat moment dus wist dat [verzoeker] berustte in de beëindiging. Ondanks dat heeft het daarna nog bijna twee maanden geduurd voordat Dierenziekenhuis een eindafrekening heeft opgesteld en uitbetaald. Daar komt bij dat deze eindafrekening niet volledig was. Zoals hiervoor is overwogen zijn de openstaande vakantiedagen niet volledig uitbetaald en heeft [verzoeker] ook nog recht op betaling van achterstallig salaris. Het verzoek om betaling van de wettelijke verhoging wordt daarom toegewezen over het vakantiegeld, de vakantiedagen en het achterstallig loon. Wel ziet de kantonrechter in de omstandigheden van het geval aanleiding om de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon te matigen tot 25%. Dat is een bedrag van € 520,35 bruto . Daarbij weegt mee dat het di