Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-04-08
ECLI:NL:RBNHO:2026:8315
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/362363 / HA ZA 25-100 Vonnis in verzet van 8 april 2026 in de zaak van [eiser] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V. , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. M.T.W. Wijling, tegen [gedaagde] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. H.W.E. Vermeer. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de inleidende dagvaarding met producties van de curator - het verstekvonnis van 8 januari 2025 met zaaknummer C/15/359516 / HA ZA 24-665 gewezen tegen [gedaagde] , Dolfijn Bouw B.V. en Aymeks Group B.V. - de verzetdagvaarding van [gedaagde] - het tussenvonnis van 16 april 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de akte aanvullende producties van de curator - de mondelinge behandeling van 13 maart 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door de advocaten pleitaantekeningen zijn overgelegd - de tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde] overgelegde financiële stukken van [bedrijf 1] over 2024, opgesteld door Administratiekantoor [bedrijf 2]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), een schoonmaakbedrijf dat vooral in de hotelbranche actief was. 2.2. [gedaagde] is tevens enig aandeelhouder en bestuurder van Dolfijn Bouw B.V. (hierna: Dolfijn) en Aymeks Group B.V. (hierna: Aymeks). 2.3. Op 24 april 2024 hebben stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en de stichting Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche wegens het onbetaald laten van pensioenpremies het faillissement van [bedrijf 1] aangevraagd. Op 16 juli 2024 is [gedaagde] op dit verzoek gehoord door de rechtbank. Bij vonnis van 13 augustus 2024 is [bedrijf 1] failliet verklaard, met benoeming van [eiser] als curator. 2.4. In de periode 4 mei tot en met 11 augustus 2024 heeft [gedaagde] in totaal € 4.310,- vanuit [bedrijf 1] overgeboekt naar zichzelf. In de periode 12 juli 2024 tot en met 13 augustus 2024 heeft [gedaagde] vanuit [bedrijf 1] in totaal € 11.130,- betaald aan Dolfijn. 2.5. Vanaf 13 augustus 2024 heeft de curator [gedaagde] meerdere keren gevraagd om afgifte van de administratie van [bedrijf 1] . Ondanks toezeggingen heeft [gedaagde] alleen de jaarrekening 2021-2022 en een zevental facturen verstrekt. 2.6. Uit de jaarrekening 2021-2022 blijkt dat [bedrijf 1] per 31 december 2022 drie rekening-courantvorderingen had: een vordering van € 26.955,- op Dolfijn, een vordering van € 89.641,- op Aymeks en een vordering van € 59.118,- op [gedaagde] in privé. Op 17 september 2024 heeft de curator Dolfijn, Aymeks en [gedaagde] gesommeerd tot terugbetaling van de genoemde bedragen. 2.7. In februari 2025 heeft [gedaagde] aan Exact verzocht om de curator toegang te geven tot de in het boekhoudprogramma Exact Online opgeslagen digitale administratie van [bedrijf 1] . 2.8. De de curator heeft vervolgens per e-mail van 25 februari 2025 aan Exact verzocht om [gedaagde] toegang te verlenen tot Exact Online. 2.9. Exact heeft per e-mail van 26 februari 2025 aan de curator laten weten dat zij in geval van een faillissement geen toegang tot Exact Online verlenen aan de bestuurder en dat vanwege beveiligingsprocedures alleen toegang wordt verleend aan de curator. 2.10. De curator heeft in reactie op 27 februari 2025 volgende e-mail gestuurd aan Exact: “(…) Zoals in mijn eerdere e-mail genoemd rust de wettelijke administratieplicht en bewaarplicht simpelweg op de bestuurder en niet op de curator. Dat exact beleid uitstippelt welke volledig haaks staat op de wet, komt dan ook voor uw eigen rekening en risico. Ik wijs u hieronder (copy / paste) nogmaals op de wettelijke uitgangspunten welke simpelweg prevaleren boven het interne beleid van Exact (welke simpelweg ingaat tegen de wettelijk primair de schade te begroten op het bedrag van de schulden van [bedrijf 1] B.V., voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, één en ander nader op te maken bij staat, althans op een door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; 6. subsidiair een deskundige te benoemen om te bepalen wat de omvang is van de schade die de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] B.V. hebben geleden door het onrechtmatige handelen van [gedaagde] en hem te gebieden om volledige medewerking te verlenen aan de te benoemen deskundige zulks op straffe van een dwangsom te verbeuren door gedaagde sub 1 van € 1.000,-- per dag of dagdeel dat die medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 150.000,--; 7. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een voorschot op het onder 4 – 6 genoemde ter grootte van € 150.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; Meer subsidiair - Vordering 1: Onrechtmatig selectieve betalingen 8. te verklaren voor recht dat de door [gedaagde] gedane betalingen, zoals omschreven in paragraaf 1.3.1. van de dagvaarding, tot een bedrag van € 15.440,--, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, onrechtmatig zijn als gevolg waarvan gedaagde aansprakelijk is voor de door de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. geleden schade; 9. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 15.440,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 september 2024 of vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, tot aan de dag der algehele voldoening; In het geval dat de meer subsidiaire vordering op grond van het gevorderde onder 8 en 9 niet wordt toegewezen: vordering ex artikelen 6.203 BW en 6:212 BW 10. te verklaren voor recht dat [gedaagde] zich ten koste van [bedrijf 1] B.V. heeft verrijkt, als gevolg waarvan hij dan ook gehouden is om de schade die [bedrijf 1] B.V. heeft geleden, zijnde een bedrag van € 4.310,-- (het bedrag van de verrijking), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, althans één en ander nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 september 2024, aan de curator te vergoeden; Voor het geval schade nader op te maken hij staat: 11. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een voorschot op het onder 10 genoemde ter grootte van € 4.310,-- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; In het geval dat de meer subsidiaire vordering op grond van het gevorderde onder 10 en 11. niet wordt toegewezen: vordering ex artikel 42 Fw: 12. te verklaren voor recht dat de curator op goede gronden (ex artikel 42 Fw) de betalingen tot een bedrag van € 4.310,-- die aan [gedaagde] zijn gedaan, en de rechtshandelingen die aan voornoemde betalingen ten grondslag hebben gelegen, heeft vernietigd, althans vorenbedoelde betalingen alsnog te vernietigen; 12. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 4.310,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024, of vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, tot de dag der algehele voldoening; In het geval dat de meer subsidiaire vordering op grond van het gevorderde onder 12 en 13 niet wordt toegewezen: vordering ex artikel 47 Fw: 14. te verklaren voor recht dat de curator op goede gronden (ex artikel 47 Fw) de betalingen tot een bedrag van € 4.310 die aan [gedaagde] zijn gedaan, en de rechtshandelingen die aan voornoemde betalingen ten grondslag hebben gelegen, heeft vernietigd, althans vorenbedoelde betalingen alsnog te vernietigen; 14. [gedaagde] te veroordelen tot bet Door de beperkte communicatie van [gedaagde] met de curator vanaf het begin van het faillissement van [bedrijf 1] en het feit dat [gedaagde] ondanks zijn toezeggingen ruim anderhalf jaar na het faillissement nog vrijwel geen administratie aan de curator had overgelegd, leek het er voor de curator aanvankelijk op dat [gedaagde] geen administratie had bijgehouden. Na het uitbrengen van de dagvaarding is echter gebleken dat [gedaagde] een digitale administratie heeft bijgehouden in het online softwareprogramma Exact. In april 2025 heeft eerst [gedaagde] en vervolgens de curator contact gehad met Exact over toegang tot deze online administratie van [bedrijf 1] . De curator heeft een eigen toegang tot de online administratie, zoals Exact hem had aangeboden, geweigerd. Op aandringen van de curator heeft Exact vervolgens aan [gedaagde] , althans een door [gedaagde] voorgedragen administratiekantoor, toegang tot de digitale administratie van [bedrijf 1] verleend. De avond voor de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde] diverse financiële stukken van [bedrijf 1] over 2024 naar de curator gestuurd. De rechtbank heeft deze stukken op de zitting ontvangen. Deze stukken zijn opgesteld door het administratiekantoor van [gedaagde] aan de hand van de boekhouding van [bedrijf 1] in Exact. 4.6. De curator blijft ook na ontvangst van de hiervoor genoemde stukken bij zijn standpunt dat de administratie van [bedrijf 1] ontbreekt en [gedaagde] dus zijn administratieverplichting heeft geschonden, omdat hij niet alle door de curator verzochte administratie heeft aangeleverd. Dat lag volgens de curator wel op de weg van [gedaagde] , omdat hij verplicht is om actief de (volledige) administratie aan de curator ter beschikking te stellen. 4.7. Een bestuurder van een vennootschap moet op zodanige wijze een administratie voeren en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die tot die administratie behoren op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend. 4.8. Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn hiervoor genoemde administratieverplichting, heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. 4.9. De rechtbank is van oordeel dat de curator onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat [gedaagde] geen administratie van [bedrijf 1] heeft bijgehouden als bedoeld in artikel 2:10 BW. Daarmee staat niet vast dat [gedaagde] om die reden zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Dat licht de rechtbank hierna toe. 4.10. [gedaagde] stelt dat hij de administratie van [bedrijf 1] heeft bijgehouden, of door zijn (voormalige) boekhouder heeft laten bijhouden, in het online boekhoudprogramma Exact. De curator stelt op zichzelf terecht dat [gedaagde] als bestuurder verplicht is om de administratie van [bedrijf 1] aan hem over te dragen. Zo nodig stelt de (bestuurder van de) gefailleerde de curator alle middelen ter beschikking om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken. Dat betekent in dit geval dat [gedaagde] de inloggegevens van Exact aan de curator ter beschikking moet stellen, zodat de curator van de online administratie van [bedrijf 1] kennis kan nemen (en daarvan zo nodig een kopie kan (laten) maken). [gedaagde] heeft daaraan (uiteindelijk) voldaan door in februari 2025 aan Exact te vragen aan de curator toegang te verlenen tot (de administratie van [bedrijf 1] in) Exact Online. 4.11. De curator heeft vervolgens zijn eigen verantwoordelijkheid om (een selectie van) de administratie onder zich te nemen. Als sprake is van een digitale administratie zal de curator die moeten veiligstellen, bijvoorbeeld door het (laten) maken van een (digitale) kopie, ook als die administratie zich in de cloud bevindt. Als de toegang tot de digitale administratie bij een externe provider is afgesloten, heeft de curator de bevoegdheid om een heraansluiting te realiseren, of zo Omdat niet is gebleken dat [gedaagde] niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan en daarom zijn taak als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk heeft vervuld (verwijt 1) en het niet aannemelijk is dat de betalingen die [gedaagde] vanuit [bedrijf 1] aan zichzelf en aan Dolfijn heeft gedaan een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement (verwijt 2), zal de rechtbank de primaire vorderingen van de curator afwijzen. Subsidiaire vorderingen: aansprakelijkheid op grond van 2:9 BW en 6:162 BW 4.17. Aan zijn subsidiaire vorderingen legt de curator ten grondslag dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort wegens onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder als bedoeld in artikel 2:9 BW dan wel wegens onrechtmatig handelen waarvan [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De curator legt daar de volgende verwijten aan ten grondslag: [gedaagde] heeft zonder rechtsgrond aanzienlijke bedragen aan het vermogen van [bedrijf 1] onttrokken waardoor [bedrijf 1] niet meer in staat was haar betalingsverplichtingen na te komen; [gedaagde] heeft derden (zzp-ers) voor [bedrijf 1] aan het werk gezet, wetende dat hun vorderingen niet betaald zouden kunnen worden; [gedaagde] heeft geen administratie gevoerd, waardoor hij als bestuurder geen zich had en/of kon hebben in de vermogenspositie van [bedrijf 1] ; [gedaagde] heeft namens [bedrijf 1] aanzienlijke rekening-courantleningen aan zichzelf, Dolfijn en Aymeks verstrekt die ertoe hebben geleid dat [bedrijf 1] niet in staat was haar eigen verplichtingen na te komen. 4.18. De rechtbank wijst de subsidiaire vorderingen van de curator ook af, omdat hij onvoldoende heeft gesteld voor een veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de schade, bestaande uit het boedeltekort in het faillissement van [bedrijf 1] . De rechtbank licht dat hierna toe. 4.19. Uit de dagvaarding onder 3.17, 3.22 en de vorderingen geformuleerd onder I.4 tot en met I.17 blijkt dat de curator aan de gestelde onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder dan wel het onrechtmatige handelen van [gedaagde] het gevolg verbindt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort. Dat brengt mee dat er een verband moet bestaan tussen het handelen dat de curator [gedaagde] als bestuurder verwijt en het faillissement van [bedrijf 1] . Dat verband heeft de curator onvoldoende onderbouwd. 4.20. Dat [bedrijf 1] door de betalingen aan [gedaagde] en Dolfijn (het verwijt onder a) haar betalingsverplichtingen niet meer kon nakomen (en failliet is gegaan) stelt de curator wel, maar hij heeft nagelaten dat verband toe te lichten. De door [gedaagde] gedane onttrekkingen brengen daarom niet zonder meer mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort. 4.21. Het verwijt onder b), te weten dat [gedaagde] derden voor [bedrijf 1] aan het werk heeft gezet, wetende dat [bedrijf 1] hun vorderingen niet zou kunnen betalen, heeft de curator in het geheel niet toegelicht. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij. 4.22. Zoals de rechtbank hiervoor in 4.9 heeft overwogen, is niet komen vast te staan dat [gedaagde] geen administratie heeft gevoerd. Het verwijt onder c) is dus onjuist en kan niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] leiden. 4.23. Het vierde verwijt (onder d) dat de curator [gedaagde] maakt, is dat hij als bestuurder van [bedrijf 1] aanzienlijke rekening-courant leningen heeft verstrekt aan zichzelf, Dolfijn en Aymeks, die er volgens de curator toe hebben geleid dat [bedrijf 1] niet meer in staat was haar eigen verplichtingen na te komen. 4.24. Uit de jaarrekening 2021-2022 blijkt dat [bedrijf 1] in totaal drie rekening-courantvorderingen heeft: een vordering van € 26.995,- op Dolfijn, een vordering van € 89.641,- op Aymeks en een vordering van € 59.118,- op [gedaagde] in privé. Maar uit die jaarrekening blijkt ook dat het bedrijfsresultaat van [bedrijf 1] over die periode € 243.734,- bedroeg en dat het resultaat na belastingen van € 206.407,- is toegevoegd aan de overig De rechtbank zal [gedaagde] ook veroordelen tot betaling van de wettelijke rente zoals de curator heeft gevorderd, omdat [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Meer subsidiaire vordering: betaling rekening-courantvordering € 59.118,- 4.31. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij uit hoofde van zijn rekening-courantverhouding met [bedrijf 1] een bedrag van € 59.118,- aan [bedrijf 1] verschuldigd is. Hij zal dit bedrag moeten terugbetalen aan de boedel. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 24 september 2024, omdat van een eerdere datum van verzuim niet is gebleken. De rechtbank zal daarom voor de periode vanaf 1 januari 2023 tot 24 september 2024 alleen de contractuele rente van 1,3% toewijzen. Vernietiging verstekvonnis 4.32. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het verzet van [gedaagde] gegrond. Het verstekvonnis kan grotendeels niet in stand kan blijven. Het verstekvonnis zal voor wat betreft [gedaagde] dan ook worden vernietigd. De rechtbank zal de primaire en subsidiaire vorderingen van de curator tegen [gedaagde] alsnog afwijzen. De meer subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde] over de onrechtmatige betalingen en de terugbetaling van de schuld in rekening-courant zal de rechtbank toewijzen. De beslagkosten en de proceskosten van de verstekprocedure 4.33. De vorderingen van de curator worden slechts voor een deel toegewezen, en voor het overige afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] toch de proceskosten van de verstekprocedure en de beslagkosten moet betalen. Die (hoofdelijke) veroordelingen in het verstekvonnis zal de rechtbank daarom in stand laten. De reden daarvoor is dat [gedaagde] pas nadat de curator de dagvaarding had uitgebracht, aan de curator duidelijk heeft gemaakt dat de boekhouding van [bedrijf 1] zich in de online omgeving van Exact bevindt en Exact gevraagd de curator toegang te verlenen. Dat leidt er in deze uitspraak toe dat de rechtbank de primaire vorderingen van de curator afwijst, maar de curator heeft deze vorderingen tegen [gedaagde] bij dagvaarding wel terecht ingesteld omdat [gedaagde] tot dan toe nog heel beperkt administratie van [bedrijf 1] aan de curator had verstrekt. Proceskosten van de verzetprocedure 4.34. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] ook de proceskosten (inclusief nakosten) van deze verzetprocedure moet betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op: - salaris advocaat € 2.051,00 (1 punt × € 2.051,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.240,00 4.35. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart het verzet van [gedaagde] gegrond, 5.2. vernietigt het verstekvonnis van 8 januari 2025 met zaaknummer C/15/359516 / HA ZA 24-665, uitsluitend voor zover dit vonnis is gewezen tussen de curator en [gedaagde] en met uitzondering van de (hoofdelijke) veroordelingen in de beslagkosten (3.7 van het verstekvonnis), de proceskosten (3.8 van het verstekvonnis), de wettelijke rente over de proceskosten (3.9 van het verstekvonnis) en de uitvoerbaarheid bij voorraad van die veroordelingen (3.10 van het verstekvonnis), in zoverre opnieuw rechtdoende: 5.3. verklaart voor recht dat de door [gedaagde] gedane betalingen tot een bedrag van € 15,440,00 onrechtmatig zijn als gevolg waarvan [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [bedrijf 1] B.V. geleden schade, 5.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de curator binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag van € 15.440,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 september 2024 tot de dag der algehele voldoening, 5.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag van € 59.118,00, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 1 januari 2023 tot en met 23 september 2024 en vanaf 24 september 2024 met de wettelijke rente als bedoeld i