Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-06-03
ECLI:NL:RBNHO:2026:7999
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknummer : 12009165 \ WM VERZ 25-4363 CJIB-nummer : [nummer] Uitspraakdatum : 3 juni 2026 Uitspraak op een beroep tegen een boete op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) in de zaak van naam : [betrokkene] adres : [betrokkene] woonplaats : [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene). De verkeersboete en het beroep Aan betrokkene is een boete opgelegd voor een verkeersovertreding (10 kilometer harder rijden dan toegestaan binnen de bebouwde kom). Betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de boete. De officier van justitie heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter. Het beroep is behandeld op de zitting van 20 mei 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De betrokkene is ook verschenen. De betrokkene heeft in het beroepschrift en op de zitting aangevoerd dat hij zich op de dag van de overtreding in zijn vrije tijd in zijn privé-voertuig bevond toen hij zich geconfronteerd zag met een verkeersruzie waarbij geweld werd gebruikt. Omdat betrokkene werkzaam is als politieagent bij de afdeling team Verkeer van de politie Amsterdam, besloot betrokkene de agressor te achtervolgen. Volgens betrokkene was hij daarbij – in tegenstelling tot hetgeen daarover door de officier van justitie in diens beslissing is gesteld – van het bepaalde in het RVV 1990 vrijgesteld, zodat betrokkene de geldende snelheidslimiet ter plaatse mocht overschrijden. Van de situatie is door betrokkene ter zitting een proces-verbaal overgelegd dat door hem is opgemaakt op 18 juni 2025. De vertegenwoordiger van de officier van justitie (hierna: vertegenwoordiger) heeft op de zitting medegedeeld het standpunt in de beslissing van de officier van justitie te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Volgens de vertegenwoordiger was betrokkene ten tijde van de gedraging niet vrijgesteld van het bepaalde in het RVV 1990, omdat betrokkene in een privévoertuig reed. Volgens de vertegenwoordiger blijkt dit uit de beschikking van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 8 december 2021 in samenhang met de Brancherichtlijn Politie 2023 en geldt slechts een vrijstelling voor bestuurders van voorrangsvoertuigen, althans van dienstvoertuigen. De betrokkene is het met die stelling niet eens en heeft daartegen aangevoerd dat politieambtenaren in bepaalde gevallen ook voertuigen van een burgers kunnen vorderen en ook daarmee de verkeersvoorschriften worden genegeerd. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan. De beoordeling De kernvraag in dezen is of betrokkene van de bepalingen van het RVV was vrijgesteld of niet. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Daarbij is het volgende van belang. Betrokkene wordt verweten 60 kilometer per uur te hebben gereden binnen de bebouwde kom, hetgeen in strijd is met artikel lid 1 onder g Wegenverkeerwet (WVW) in samenhang met artikel 20 onder a Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV). Van dit voorschrift kunnen bestuurders van voorrangsvoertuigen afwijken wanneer de uitoefening van de taak dit vereist artikel (91 RVV). Daarnaast biedt artikel 147 WVW de minister de mogelijkheid vrijstelling te verlenen van het krachtens die wet bepaalde, ten behoeve van openbare of door de minister daarmee gelijk te stellen diensten. Op grond van artikel 147 WVW heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat bij beschikking van 8 december 2021 (RWS-2021/43650) (hierna: de Beschikking) vrijstelling verleend van het bepaalde van het RVV 1990, aan onder meer ambtenaren werkzaam bij de politie als bedoeld in artikel 2 onder a tot en met c van de Politiewet 2012. Betrokkene kan dus in zijn hoedanigheid als politieambtenaar, los van hetgeen is bepaald in artikel 91 RVV voor voorrangsvoertuigen, zijn vrijgestel