Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-02-19
ECLI:NL:RBNHO:2026:7645
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/1115 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen de vereniging Wildbeheereenheid Laag Holland, uit Monnickendam, de vereniging Wildbeheereenheid Amstelland , uit De Kwakel, de vereniging Wildbeheereenheid De Oude Kogge , uit Berkhout, de vereniging Wildbeheereenheid IJmeer en Vechtstreek , uit Weesp, de verenigin g Vereniging Wildbeheer Zaanstreek en Omgeving , uit Zaandam, de vereniging Wildbeheereenheid Waterland en Omstreken , uit Amsterdam, eisers, hierna aangehaald als de wildbeheereenheden (de WBE) gemachtigde: mr. H. Koolen, advocaat te Amsterdam, en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, verweerder gemachtigden: mr. T.C. Leemans en K. Groenevelt, beiden beleidsmedewerker in dienst van de provincie. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland , uit Haarlem (FBE) gemachtigden: [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] , beiden ecoloog in dienst van de FBE. Samenvatting 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de WBE tegen het besluit waarmee verweerder het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 heeft goedgekeurd. 1.2. De WBE zijn het met de goedkeuring van het faunabeheerplan niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het goedkeuringsbesluit. 1.3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beroepsgronden niet meebrengen dat het college het faunabeheerplan niet kon goedkeuren. Anders dan de WBE aanvoeren, kan een faunabeheerplan (ook) alleen zien op de uitoefening van de jacht. De in het faunabeheerplan opgenomen, volgens de WBE overbodige of onjuiste informatie vormt geen reden voor de conclusie dat het goedkeuringsbesluit in strijd is met de Wet natuurbescherming (Wnb) of de Omgevingsverordening HH 2020. De WBE krijgen dus geen gelijk en hun beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. De FBE heeft op 21 juni 2023 het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 (hierna: faunabeheerplan) vastgesteld. Bij besluit van 11 juli 2023 heeft verweerder het faunabeheerplan goedgekeurd. De WBE hebben op 5 september 2023 bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. De WBE hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep geregistreerd onder nummer HAA 24/1113. Dit beroep, ingesteld door Stichting De Faunabescherming, is ook gericht tegen het bestreden besluit. Aan de zitting hebben namens de WBE deelgenomen [naam 1] , voorzitter van de vereniging Wildbeheereenheid Laag Holland, en [naam 2] , voorzitter van de vereniging Wildbeheereenheid De Oude Kogge, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Aan de zitting hebben verder deelgenomen de gemachtigden van verweerder en de gemachtigden van de FBE. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3.1. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wnb. Op 1 januari 2024 zijn de Aanvullingswet natuur Omgevingswet en de Omgevingswet in werking getreden en is de Wnb ingetrokken. Als een aanvraag om goedkeuring van een faunabeheerplan is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het oude recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 3.2. Het verzoek om goedkeuring is in dit geval ingediend op 30 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb nog van toepassing is. 3.3. Enige voor deze zaak relevante bepalingen uit de Aanvul Zoals verweerder heeft aangegeven en de WBE ook onderkennen, biedt artikel 3.12, derde lid, Wnb expliciet de mogelijk om meerdere faunabeheerplannen vast te stellen. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020, gelet op artikel 3.12, derde lid, Wnb, niet zo moet worden gelezen dat daaruit een dwingende verplichting voortvloeit dat elk faunabeheerplan moet zien op zowel de uitoefening van de jacht, als het duurzaam beheer van populaties èn schadebestrijding, maar dat in dit artikel, in overeenstemming met de Wnb, is aangegeven dat een faunabeheerplan ook slechts op een (of twee) van deze onderwerpen kan zien. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat ook uit de systematiek van de artikelen in afdeling 6.11 Omgevingsverordening HN2020 en met name de artikelen 6.87 tot en met 6.89 Omgevingsverordening NH2020, waarin in elk artikel afzonderlijk een van de drie onderwerpen wordt behandeld, volgt dat er meerdere faunabeheerplannen kunnen worden gemaakt en dat de inhoud van een faunabeheerplan ook kan zien op slechts een (of twee) van die onderwerpen. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat een faunabeheerplan dat alleen ziet op jacht, niet in strijd is met artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020. Verweerder heeft in het betoog van de WBE daarom geen aanleiding hoeven zien de goedkeuring aan het onderhavige faunabeheerplan te onthouden. Leidt de inhoud van het faunabeheerplan tot (een negatieve) wijziging van de rechtspositie van de WBE? 8.1. De WBE voeren verder aan dat het faunabeheerplan meer informatie bevat dan op grond van de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 is vereist. Het gaat dan om het benoemen van jachtwildsoorten, jachtseizoenen middels een tabel, tijdstippen waarop in beginsel mag worden gejaagd, het noemen van de vereiste jachtakten en het omschrijven van de term ‘bebouwde kom’. Het opnemen van deze informatie kan, aldus de WBE, leiden tot verwarring, complicaties, problemen en overtredingen. Als bijvoorbeeld de wettelijke regelingen waarin de aanwijzing van jachtwildsoorten, jachtseizoenen of tijdstippen worden gewijzigd en het faunabeheerplan niet, dan is sprake van een discrepantie tussen de regelgeving en het faunabeheerplan. Jagers zouden aangesproken kunnen worden op vermeende overtreding van het faunabeheerplan voor de jacht. Die verwarring moet, aldus de WBE, worden voorkomen door dergelijke informatie niet op te nemen in het faunabeheerplan. De WBE wijzen er in dat verband op dat hetgeen in het faunabeheerplan is opgenomen over de jacht op de wilde eend ook nu al niet overeenkomt met en beperkter is voor de jachthouder dan hetgeen is opgenomen in artikel 11.67, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving. Verder is de in het faunabeheerplan genoemde verplichte “jachtakte” onder de Omgevingswet vervallen en vervangen door een omgevingsvergunning voor een jachtactiviteit. Ook wordt onder de Omgevingswet niet meer gesproken van bebouwde kom, maar van bebouwingscontour jacht. Omdat dergelijke overbodige informatie de rechtspositie van de jachthouders kan beïnvloeden, had verweerder, aldus de WBE, het faunabeheerplan zonder schrapping van die informatie niet mogen goedkeuren. 8.2. De rechtbank volgt de WBE niet in deze beroepsgrond. In de Wnb en – uitgewerkt – in de Omgevingsverordening NH2020 zijn weliswaar regels neergelegd waaraan faunabeheerplannen ‘ten minste’ moeten voldoen, maar die regels verbieden niet de door de WBE bedoelde informatieve passages op te nemen. Dat in het faunabeheerplan meer informatie is opgenomen dan op zich op grond van Wnb en Omgevingsverordening NH2020 is vereist, is met die bepalingen dan ook niet in strijd. Die door de WBE bedoelde en gesteld onjuiste informatie in het faunabeheerplan is slechts informatief van aard. Het bevat geen bindende regels en voorschriften over de uitoefening van de jacht door de jachthouder die afwijken van de regels in Wnb en daarbij horende uitvoe als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is (…) Wet natuurbescherming Artikel 3.12 1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. (…) 3. Faunabeheereenheden stellen een of meer faunabeheerplannen vast voor hun werkgebied. (..). 7. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. (..) 9. Provinciale staten stellen bij verordening regels waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden en de door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplannen voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid; b. de aard, omvang en noodzaak van de op grond van het faunabeheerplan te verrichten handelingen waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.17 wordt verleend of waartoe opdracht wordt verleend op grond van artikel 3.18; c. de wijze waarop en de perioden waarin de handelingen, bedoeld in onderdeel b worden verricht, en d. de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties als bedoeld in het tweede lid in het bestuur van de faunabeheereenheid. Artikel 3.20 1. In afwijking van de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, 3.5, eerste en tweede lid, en 3.10, eerste lid, is het de jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen, te doden en te verontrusten, en met het oog daarop op te sporen ter uitoefening van de jacht, indien is voldaan aan het bij en krachtens deze paragraaf en paragraaf 3.6 bepaalde. 2. Wild als bedoeld in het eerste lid zijn in het wild levende dieren van de volgende soorten: a. fazant (Phasianus colchicus); b. wilde eend (Anas platyrhynchos); c. houtduif (Columba palumbus); d. haas (Lepus Europaeus); e. konijn (Oryctolagus cuniculus). 3. De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van de in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in het tweede lid te handhaven, dan wel, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild als bedoeld in het tweede lid te voorkomen. Artikel 3.22, voor zover hier van belang 1. Het is verboden om de jacht op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, uit te oefenen indien de jacht op de betreffende soort niet is geopend. 2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in hoeverre de jacht is geopend. De opening van de jacht kan naar plaats of tijd worden beperkt. (…) 5. De jacht wordt niet geopend op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is. Regeling natuurbescherming Artikel 3.5 De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is geopend gedurende de daarbij vermelde tijdvakken: a. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari; b. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december; c. haas: van 15 oktober tot en met 31 december in de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Zeeland en Zuid-Holland; d. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari; e. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari. Omgevingsverordening NH2020 Afdeling 6.11 Faunabeheer Artikel 6.84 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over een faunabeheerplan van een Faunabeheereenheid. Artikel 6.85 Inhoud, reikwijdte en geldigheidsduur faunabeheerplan 1. Een faunabeheerplan bevat: a. een beschrijving van het planmatig, doelmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren; b. een beschrijving van de planmatige, doelmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren, en; c. een rapportage van de uitoefening van de jacht. 2. Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5.000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenhe