Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-02-19
ECLI:NL:RBNHO:2026:7644
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/1113 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen stichting De Faunabescherming , uit Amstelveen, eiseres (hierna: de Faunabescherming) gemachtigden: mr. B.N. Kloostra en mr. L. Mahammad, advocaten te Amsterdam en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, verweerder gemachtigden: mr. T.C. Leemans en K. Groenevelt, beiden beleidsmedewerker in dienst van de provincie. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland , uit Haarlem (hierna: FBE) gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , beiden ecoloog in dienst van de FBE. Eveneens als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) . Samenvatting 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de Faunabescherming tegen het besluit waarmee verweerder het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 heeft goedgekeurd. 1.2. De Faunabescherming is het met de goedkeuring van het faunabeheerplan niet eens. Zij voert daartoe een beroepsgrond aan. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank het goedkeuringsbesluit. 1.3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beroepsgrond niet meebrengt dat het college het faunabeheerplan niet kon goedkeuren. De door de Faunabescherming aangevoerde (ongunstige) staat van instandhouding van de wildsoorten vormt geen grond voor weigering van de goedkeuring. De Faunabescherming krijgt dus geen gelijk en haar beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. De FBE heeft op 21 juni 2023 het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 (hierna: faunabeheerplan) vastgesteld. Bij besluit van 11 juli 2023 heeft verweerder het faunabeheerplan goedgekeurd. De Faunabescherming heeft bij bezwaarschrift van 22 augustus 2023, bij verweerder ingekomen op 23 augustus 2023, bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. De Faunabescherming heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep geregistreerd onder nummer HAA 24/1115. Dit beroep, ingesteld door zes wildbeheereenheden, is ook gericht tegen het bestreden besluit. Aan de zitting hebben namens de Faunabescherming deelgenomen [naam] , vice-voorzitter van de Faunabescherming, bijgestaan door mr. L. Mohammad. Aan de zitting hebben verder deelgenomen de gemachtigden van verweerder en de gemachtigden van de FBE. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3.1. Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Op 1 januari 2024 zijn de Aanvullingswet natuur Omgevingswet en de Omgevingswet in werking getreden en is de Wnb ingetrokken. Als een aanvraag om goedkeuring van een faunabeheerplan is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het oude recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. 3.2. De aanvraag om goedkeuring is in dit geval ingediend op 30 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 nog van toepassing zijn. 3.3. Enige voor deze zaak relevante bepalingen uit de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Bevoegdheid rechtbank 3.4. De rechtbank stelt voorop, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het goedkeuringsbesluit, dat betrekking heeft op een faunabeheerplan voor (uitsluitend Een (goedgekeurd) faunabeheerplan is gelet op artikel 3.12, eerste lid, Wnb verder wel vereist voor het mogen uitoefenen van de jacht, maar, anders dan de Faunabescherming aanvoert en de rechtbank Gelderland in haar uitspraak van 17 december 2024 oordeelde, volgt uit artikel 3.20, derde lid, Wnb of enige andere bepaling in de Wnb niet dat verweerder bij de goedkeuring nogmaals – in aanvulling op de beoordeling van de minister over het al dan niet openstellen van de jacht – de staat van instandhouding van de wildsoorten moet beoordelen en goedkeuring aan het faunabeheerplan (voor jacht) zou moeten onthouden als de staat van instandhouding van een of meer van de wildsoorten niet gunstig is. Anders dan de Faunabescherming nog aanvoert, mag verweerder de goedkeuring ook niet onthouden op de enkele grond dat onvoldoende aannemelijk zou zijn gemaakt dat sprake is van schade in de jachtperiode die door wildsoorten zou worden veroorzaakt. Een verplichting tot onthouding van goedkeuring volgt evenmin uit de door de Faunabescherming aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Daarbij geldt dat niet verweerder maar de jachthouder zelf normadressaat is van artikel 3.20, derde lid, Wnb. De wetgever heeft – nadat de jacht op de soorten door de minister is opengesteld – aan de jachthouder bij uitstek het recht gegeven en daarmee de verantwoordelijkheid aan hem opgedragen om binnen diens jachtgebied zorg te dragen voor de handhaving van een redelijke wildstand en het voorkomen van schade door in zijn jachtveld aanwezig wild. Het betoog van de Faunabescherming dat verweerder in het goedkeuringsbesluit ten onrechte niet heeft getoetst of sprake is van een gunstige staat van instandhouding van de wildsoorten en of er sprake is van schade in de jachtperiode die door wildsoorten zou wordt veroorzaakt, faalt dan ook. 5.4. Hetgeen de Faunabescherming heeft aangevoerd, kan daarom niet leiden tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het door de FBE vastgestelde faunabeheerplan (voor jacht) voldoet aan de vereisten die aan dat faunabeheerplan zijn gesteld in wet- en regelgeving. Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn 6.1. De Faunabescherming heeft ter zitting verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van een redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 6.2. Volgens vaste rechtspraak is in beginsel sprake van overschrijding van die termijn als bij behandeling van zaken als deze, de behandeling van het bezwaar meer dan een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank meer dan anderhalf jaar heeft geduurd, terwijl doorgaans sprake is van een te lange behandelingsduur als de periode van bezwaar en beroep in totaal meer dan twee jaar heeft geduurd. Per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, is in de regel een immateriële schadevergoeding van € 500,00 gepast. De te beoordelen duur van de termijn begint met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak doet. 6.3. Het bezwaarschrift is op 23 augustus 2023 ingekomen. De termijn is daarom op die datum gestart. Op het moment van de uitspraak van 20 februari 2026 zijn sinds die datum twee jaar en bijna zes maanden verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van de Faunabescherming vindt de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar had mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met bijna zes maanden. Daarbij past een vergoeding van immateriële schade van € 500,-. 6.4. De bezwaarprocedure heeft niet langer dan een half jaar geduurd. De overschrijding is daarom geheel aan de rechtbank te wijten. De Staat zal daarom de schadevergoeding van € 500,- voor zijn rekening moeten nemen. Conclusie en gevolgen 7.1. Het beroep is on