Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-06-09
ECLI:NL:RBNHO:2026:6804
Verzoekschrift ex artikel 74 Fw afgewezen. Voorlopige schuldeisercommissie kan onvoldoende bijdragen aan adequate afwikkeling faillissement omdat die afwikkeling grotendeels gereed is. Voorlopige schuldeiserscommissie bedoeld om curatoren te adviseren en zo nodig bij te sturen tijdens afwikkeling faillissement en vereffening en niet om achteraf te onderzoeken of curatoren juist hebben gehandeld. Beroep op Harmonisatierichtlijn kan niet slagen. Ook creëren draagvlak is in dit stadium van afwikkeling faillissement onvoldoende om verzoek toe te wijzen. beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rekestnummer: C/15/376526 / FT RK 26-93 Beschikking van 9 juni 2026 op het verzoek strekkende tot benoeming van een voorlopige schuldeiserscommissie ex artikel 74 Faillissementswet (Fw) van: 1 [verzoeker 1], wonende te [plaats 1], 2. [verzoeker 2], wonende te [plaats 2], 3. [verzoeker 3], gevestigd te [plaats 3] (Italië), advocaten: mr. O.J.W. Schotel en mr. B. van Voorst, in het faillissement van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] B.V., statutair gevestigd te [gemeente], curatoren: [curator 1] en [curator 2], advocaat mr. F. Diepraam. Verzoekers worden hierna gezamenlijk verzoekers en ieder afzonderlijk [verzoeker 1], [verzoeker 2] en [verzoeker 3] genoemd. Mrs. [curator 1] en [curator 2] worden hierna gezamenlijk curatoren genoemd. De gefailleerde vennootschap wordt hierna [bedrijf 1] genoemd. 1 De procedure 1.1. Bij verzoekschrift van 24 maart 2026 hebben verzoekers een verzoek tot benoeming van een voorlopige schuldeiserscommissie als bedoeld in artikel 74 Fw gedaan. 1.2. In de procedure zijn vervolgens nog ingekomen: -een schriftelijk standpunt van de rechter-commissaris d.d. 30 april 2026; -een verweerschrift van de curatoren d.d. 18 mei 2026. 1.3. Het verzoek is op 26 mei 2026 behandeld ter terechtzitting. Daarbij zijn verschenen: - [verzoeker 1] en [verzoeker 2], bijgestaan door mr. Schotel voornoemd en mr. D.M.J. Glazener; - de curatoren bijgestaan door mr. Diepraam voornoemd. 1.4. Partijen hebben hun standpunten ter terechtzitting nader toegelicht, mr. Schotel aan de hand van een pleitnota. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt. 1.5. Ten slotte is de uitspraak bepaald op (uiterlijk) heden. 2 De feiten 2.1. [bedrijf 1] hield zich bezig met de productie van grafisch papier, karton, plastic en aanverwante producten. Bij [bedrijf 1] waren begin 2023 ruim 240 werknemers in dienst. 2.2. [bedrijf 1] is op 23 januari 2023 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. [curator 2] en mr. [curator 3] tot curatoren. Op verzoek van curatoren is op 3 april 2024 mr. [curator 1] aangesteld als derde curator. Mr. [curator 3] heeft zich later dat jaar in verband met het bereiken van de pensioenleeftijd laten ontheffen van zijn taken als curator. 2.3. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn oud-werknemers en (preferente) schuldeisers van [bedrijf 1]. Thans zijn zij in dienst bij [bedrijf 1] International B.V. (hierna: [bedrijf 2]), doorstartende partij van [bedrijf 1]. [verzoeker 1] is tevens voorzitter van de Ondernemingsraad van [bedrijf 2]. [verzoeker 3] is een buitenlandse agent van [bedrijf 1] en concurrent schuldeiser. 2.4. Tussen curatoren, [bedrijf 2] en haar moedervennootschap [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) als investeerder is op 1 maart 2023 een doorstart gerealiseerd waarbij [bedrijf 2] bepaalde activa en personeel van [bedrijf 1] heeft overgenomen. Bij de doorstart heeft de failliete boedel van [bedrijf 1] als onderdeel van de betaling van de koopprijs 22,11% van de aandelen in [bedrijf 2] verkregen. Deze aandelen zijn later voor € 1,00 aan [bedrijf 2] verkocht, omdat deze door deskundigen op nihil zijn gewaardeerd. 2.5. Tussen curatoren enerzijds en [bedrijf 2] en [bedrijf 3] anderzijds zijn vervolgens diverse geschillen ontstaan die hebben geleid tot procedures. Thans zijn nog twee procedures aanhangig, te weten een incassoprocedure tegen [bedrijf 3] die curatoren zijn gestart, omdat [bedrijf 3] volgens curatoren een bedrag van € 769,519,58 plus rente en kosten voor geleverd papier onbetaald heeft gelaten en een door [bedrijf 2] ingesteld hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 augustus 2025 , waarin de vorderingen van [bedrijf 2] tot (a) afgifte van een in opdracht van curatoren gemaakte back-up van de administratie van [bedrijf 1] en (b) betaling van een vermeende boedelvordering in verband met emissierechten, zijn afgewezen. 2.6. In hun laatste openbare faillissementsverslag hebben curatoren melding gemaakt van het feit dat het oorzakenonderzoek inmiddels is afgerond, de deelnemingen van [bedrijf 1] zijn afgewikkeld en het aandelenbelang van de boedel in [bedrijf 2] inmiddels is overgedragen. Ook maken curatoren melding van het feit dat de incasso van vorderingen op debiteuren is afgerond, met uitzondering van voormelde vordering op [bedrijf 3]. 3 De standpunten van verzoekers 3.1. Verzoekers hebben grote twijfels bij, en zorgen over, de wijze van afwikkeling van het faillissement door curatoren. Samengevat menen zij dat op grond van de volgende punten in het onderhavige faillissement aanleiding bestaat voor het instellen van een (voorlopige) schuldeiserscommissie: de aard en grootte van het faillissement, onder meer waar het gaat om het aantal getroffen schuldeisers, de impact op de werkgelegenheid en het ook thans nog aanwezige boedelactief; de bijzondere wijze van afwikkeling van het faillissement door curatoren, met name met betrekking tot koopsom voor de activa (gedeeltelijk in de vorm van aandelen) en het feit dat curatoren veel tijd hebben besteed aan het voeren van procedures tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 3]; het declareergedrag van curatoren. Zij hebben zich in de procedures tegen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] laten bijstaan door kantoorgenoten van advocatenkantoor [bedrijf 4]. Noodzaak is dat door een schuldeiserscommissie wordt onderzocht of deze gang van zaken nog binnen de grenzen van het maatschappelijk aanvaardbare is, of dat er eventueel sprake is van excessief en onrechtmatig declareergedrag aan de zijde van de curatoren ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement; de internationale aard van het faillissement van [bedrijf 1]. Een wezenlijk deel van de betrokken crediteuren bevindt zich in het buitenland, waaronder [verzoeker 3]. Een voorlopige schuldeiserscommissie is het aangewezen orgaan om ook hun belangen volledig en efficiënt te behartigen; de grote groep concurrente schuldeisers. Het faillissement van [bedrijf 1] raakt in het bijzonder deze groep, onder wie [verzoeker 3]. Gegeven het boedelsaldo krijgen mogelijk ook de concurrente crediteuren een uitkering uit het faillissement. De kans op een uitkering neemt evenwel door het uitblijven van de afronding van het faillissement en het voortzetten van de werkzaamheden door de curatoren in belangrijke mate af. Een groot aantal schuldeisers heeft dus belang bij een adequate en efficiënte afwikkeling van het faillissement, waarbij een schuldeiserscommissie dienstig is; de belangen van de grote groep van ongeveer 240 werknemers. Deze worden geraakt door het faillissement. Het faillissement heeft daarmee een significante maatschappelijke impact. 4 De standpunten van curatoren 4.1. Curatoren voeren verweer en concluderen primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot het instellen van een voorlopige schuldeiserscommissie met de benoeming van (1) een vertegenwoordiger van de Belastingdienst, (2) een vertegenwoordiger van het UWV en (3) een onafhankelijk vertegenwoordiger van de werknemers als leden van die schuldeiserscommissie. 4.2. Curatoren voeren daartoe aan dat de omvang en de aard van het faillissement niet het instellen van een schuldeiserscommissie rechtvaardigt. Ook de bijzondere wijze van afwikkeling van het faillissement en het declareergedrag door en van curatoren en de twijfels en zorgen daarover bij verzoekers vormen geen grond voor de instelling van een voorlopige schuldeiserscommissie. Hetzelfde geldt voor het standpunt van verzoekers omtrent de gestelde grote maatschappelijke impact in verband met de ruim 240 werknemers die bij [bedrijf 1] werkzaam waren. Ook de omstandigheid dat sprake zou is van een grote groep (buitenlandse) concurrente schuldeisers (voor zover al juist) vormt volgens curatoren onvoldoende grond om de instelling van een schuldeiserscommissie te rechtvaardigen. Bij de huidige stand valt niet te verwachten dat een uitkering aan concurrente crediteuren kan plaatsvinden. Het faillissement is grotendeels afgewikkeld en er zijn volgens curatoren geen punten meer waarop de voorlopige schuldeiserscommissie de curatoren zinvol van advies kan dienen. 4.3. Subsidiair stellen curatoren zich op het standpunt dat verzoekers niet geschikt zijn om zitting nemen in de schuldeiserscommissie. Mocht de rechtbank overgaan tot de instelling van een voorlopige schuldeiserscommissie dan ligt volgens curatoren, gezien de samenstelling van de groep preferente schuldeisers en het feit dat geen uitkering aan de concurrente schuldeisers is te verwachten, de benoeming van vertegenwoordigers van de Belastingdienst en UWV en een onafhankelijk vertegenwoordiger van de werknemers, alle drie aan te wijzen door de rechtbank, veeleer voor de hand. 5 De standpunten van de rechter-commissaris 5.1. De rechter-commissaris heeft schriftelijk zijn standpunt naar voren gebracht en adviseert de rechtbank om niet tot het instellen van een voorlopige schuldeiserscommissie over te gaan, voornamelijk (samengevat) omdat het overgrote deel van de werkzaamheden in het faillissement is afgerond en hij daarom geen meerwaarde ziet in een voorlopige schuldeiserscommissie. Voor zover de rechtbank wel tot het instelling van een voorlopige schuldeiserscommissie zou willen overgaan, dan adviseert de rechter-commissaris om bij het kiezen van de leden terug te vallen op de groep van preferente schuldeisers, bijvoorbeeld op vertegenwoordigers van de belastingdienst/ontvanger, het UWV en de werknemers. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] acht de rechter-commissaris minder geschikt om deel te nemen aan een voorlopige schuldeiserscommissie vanwege mogelijk conflicterende belangen. Voor wat betreft [verzoeker 3] kan de rechter-commissaris niet beoordelen of zij een zinvolle rol kan spelen in een voorlopige schuldeiserscommissie, omdat deze partij hem onbekend is. 6 De beoordeling Toetsingskader 6.1. Ingevolge artikel 74 lid 1 Fw kan de rechtbank gedurende het faillissement, gelet op de omvang of de aard van het faillissement, een voorlopige schuldeiserscommissie benoemen, die de belangen van belangrijke groepen van schuldeisers vertegenwoordigt met als doel de curator van advies te dienen. Blijkens de wetsgeschiedenis dient de benoeming van een commissie uit de schuldeisers ertoe om de schuldeisers te allen tijde de nodige invloed in het faillissement te verzekeren. Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank een schuldeiserscommissie zal benoemen, dient te worden onderzocht of de belangrijkheid of de aard van het faillissement daartoe aanleiding geeft. Onder belangrijkheid en aard moeten worden verstaan de omvang van de activa en passiva van de boedel respectievelijk de bijzondere kenmerken en gecompliceerdheid daarvan. De rechtbank weegt mee in hoeverre een adequate afwikkeling van het faillissement naar verwachting gediend zal zijn met de instelling van een schuldeiserscommissie, waarbij de kennis van de leden van zodanige commissie een rol speelt. Aan de rechtbank komt in dezen een discretionaire bevoegdheid toe. Toetsing 6.2. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in dit faillissement geen aanleiding om in dit stadium van de afwikkeling van het faillissement, ruim drie jaar na de start ervan, bij de huidige stand van zaken nog een voorlopige schuldeiserscommissie in te stellen. De rechtbank zal dat uitleggen. 6.3. Uit het laatste faillissementsverslag en uit het standpunt van de rechter-commissaris volgt dat het faillissement van [bedrijf 1] grotendeels is afgewikkeld. Het oorzakenonderzoek is afgerond, het grootste gedeelte van het actief is met de verkoop van de activiteiten aan [bedrijf 2] in 2023 (waarbij ook de werkgelegenheid volledig werd behouden) te gelde gemaakt en de incasso van vorderingen op debiteuren is, op één vordering na, waarvoor een incassoprocedure aanhangig is, afgerond. Daarnaast hebben curatoren het aandelenbelang van [bedrijf 1] in twee dochtervennootschappen aan de medeaandeelhouders van die dochtervennootschappen verkocht. Curatoren zijn in feite alleen nog in afwachting van de uitkomst van genoemde incassoprocedure en het hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 11 augustus 2025 (zie 2.5), waarna het faillissement tot een einde komt. Het instellen van een voorlopige schuldeiserscommissie is in dit stadium van het faillissement daarom niet (meer) opportuun. 6.4. Verzoekers hebben (onder verwijzing naar de artikelen 78 en 104 Fw) aangevoerd dat een voorlopige schuldeiserscommissie bij uitstek een taak heeft te vervullen bij de afronding van de lopende procedures, maar zij hebben onvoldoende concreet gemaakt wat de meerwaarde van een commissie in juist deze twee procedures kan zijn. In het ene geval gaat het om een (eenvoudige) incassoprocedure die zich in het stadium van een geplande comparitie van partijen bevindt. De andere procedure betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van tegen de boedel/curatoren ingestelde vorderingen. Voor beide procedures is de toestemming van de rechter-commissaris verkregen. Bovendien laten curatoren zich in beide procedures bijstaan door advocaten. Dat in beide procedures bijvoorbeeld specifieke kennis vereist is, is niet gesteld en ook niet gebleken. Verzoekers stellen dat het juist in de eindfase – waar de vereffening eindigt en uitkering plaatsvindt – essentieel is dat een voorlopige schuldeiserscommissie hierover advies kan geven. Zij hebben desgevraagd ter zitting echter niet voldoende concreet kunnen maken waarom dat essentieel is en waaruit dat advies zou kunnen bestaan. De wijze van uitkering wordt immers in grote mate door de wet bepaald. 6.5. Uit het verzoekschrift komt naar voren dat er bij verzoekers grote onvrede bestaat over de wijze waarop curatoren in dit faillissement hun werkzaamheden in het verleden hebben verricht, met name over de daarmee gemoeide kosten (‘declaratiegedrag’). Wat hier van zij, een voorlopige schuldeiserscommissie is bedoeld om curatoren te adviseren en zo nodig bij te sturen tijdens de afwikkeling van het faillissement en de vereffening. Een voorlopige schuldeiserscommissie is niet bedoeld om achteraf te onderzoeken of curatoren juist hebben gehandeld. 6.6. Verzoekers doen een beroep op de Europese richtlijn tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht (verder: de Harmonisatierichtlijn) die op 21 april 2026 in werking is getreden, maar nog niet is geïmplementeerd in Nederland. De richtlijn moet onder meer leiden tot harmonisatie van regels omtrent schuldeiserscommissies . Verzoekers betogen dat het uitgangspunt van deze richtlijn is dat een schuldeiserscommissie zonder meer wordt ingesteld als schuldeisers daarom verzoeken (artikel 44 lid 1 van de Harmonisatierichtlijn), tenzij - samengevat - sprake is van kleine ondernemers en lege boedels (artikel 44 lid 3 van de Harmonisatierichtlijn). De uitzondering is volgens verzoekers in het geval van [bedrijf 1] niet aan de orde. Daarom moet in dit geval volgens hen een schuldeiserscommissie worden ingesteld. Artikel 48 lid 1 van de Harmonisatierichtlijn bepaalt vervolgens dat de (kern)taak van een schuldeiserscommissie het onderzoeken van de activiteiten van de curatoren betreft, ook - zo begrijpt de rechtbank verzoekers - activiteiten (waaronder declareergedrag) die al zijn afgerond. 6.7. Het beroep op de Harmonisatierichtlijn kan niet slagen omdat de richtlijn nog niet in Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en de termijn daarvoor (vóór 22 januari 2029) nog niet is verstreken. 6.8.