Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-06-04
ECLI:NL:RBNHO:2026:6786
De door verzoekende partij gestelde zekerheid voldoet niet aan de eisen van de wet. Verzoekende partij wordt daarom veroordeeld opnieuw zekerheid te stellen op de alternatieve wijze die hij zelf heeft voorgesteld en die door verwerende partij is geaccepteerd. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376188 / HA RK 26-57 Beschikking van 4 juni 2026 in de zaak van [verzoeker] , voorheen wonende te [woonplaats] , thans wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , verschenen in persoon, tegen [verweerder] , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat: mr. D.W. Giltay Veth. De zaak in het kort De door [verzoeker] gestelde zekerheid voldoet niet aan de eisen van de wet. [verzoeker] wordt daarom veroordeeld opnieuw zekerheid te stellen op de alternatieve wijze die hij zelf heeft voorgesteld en die door [verweerder] is geaccepteerd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 juli 2025 (met producties), de incidentele conclusie van onbevoegdheid tevens houdende incidentele conclusie ingevolge artikel 224 Rv: stellen van zekerheid proceskosten door eiser, tevens houdende conclusie van antwoord (met producties), de conclusie van antwoord in de incidenten van 28 oktober 2025 (met producties), het bewijs van inschrijving van 17 november 2025, de akte producties van [verzoeker] ontvangen op 20 februari 2026 (met producties), het verwijzingsvonnis van 25 maart 2026 waarbij de kantonrechter het relatieve bevoegdheidsincident heeft afgewezen, [verzoeker] heeft veroordeeld zekerheid te stellen voor de proceskosten en in de hoofdzaak de zaak heeft verwezen naar de verzoekschriftprocedure van de rechtbank, de zekerheidstelling ex artikel 224 Rv [verzoeker] ontvangen op 13 april 2026, de akte overlegging aanvullende producties van [verzoeker] van 4 mei 2026 (met producties), het aanvullend verweerschrift c.q. zienswijze na verwijzing naar de verzoekschriftprocedure tevens verzoek correctie Conclusie van Antwoord (kennelijke verschrijving) van 22 mei 2026, de akte wijziging (vermindering) van verzoek ontvangen op 27 mei 2026, en de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij mr. Giltay Veth gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De beoordeling 2.1. In deze tussenbeschikking gaat de rechtbank enkel in op de zekerheidstelling op grond van artikel 224 van wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). 2.2. In het vonnis van 25 maart 2026 heeft de kantonrechter [verzoeker] veroordeeld om zekerheid te stellen voor de proceskosten waartoe hij in de hoofdzaak zou kunnen worden veroordeeld tot een bedrag van € 1.647,00. 2.3. [verzoeker] heeft zekerheid gesteld door middel van een onherroepelijke en onvoorwaardelijke garantstelling door een aan hem gelieerde vennootschap [de B.V.] . [verzoeker] is de bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap. [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij daarmee op deugdelijke wijze zekerheid heeft gesteld voor de proceskosten. [verzoeker] stelt subsidiair dat als de rechtbank van oordeel is dat de door hem gestelde zekerheid niet toereikend is, hij bereid is zekerheid te stellen op een alternatieve door de rechtbank voldoende geachte wijze. Hij stelt daarbij voor om het bedrag van € 1.647,00 aan [verweerder] te voldoen, ‘ mits en voor zover dit bedrag uitdrukkelijk en schriftelijk wordt aangemerkt als zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv, derhalve niet als betaling, en onder de voorwaarde dat restitutie integraal plaatsvindt indien geen proceskostenveroordeling volgt ’. 2.4. [verweerder] stelt dat de door [verzoeker] verstrekte zekerheid onvoldoende is. [verweerder] wijst erop dat hij bij eis in incident had verzocht om een notarisdepot dan wel een bankgarantie. Daaraan heeft [verzoeker] niet voldaan. [verweerder] kan instemmen met de subsidiaire oplossing van [verzoeker] , te weten overmaking onder de door [verzoeker] benoemde voorwaarden naar de bankrekening van [verweerder] van het bedrag van € 1.647,00. [verweerder] stelt dat het bedrag uiterlijk 15 juni 2026 moet worden overgemaakt. 2.5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] toegelicht dat de zekerheidsstelling voldoet aan de daaraan te stellen voorwaarden. Hij heeft erop gewezen dat een zekerheidsstelling vormvrij is. [verzoeker] heeft daarnaast erop gewezen dat [verweerder] een eenmanszaak is en dat daarom aan overmaking van het geld naar [verweerder] een risico verbonden is wanneer een terugbetaling zou moeten plaatsvinden. 2.6. De rechtbank stelt voorop dat in het vonnis van 25 maart 2026 niet uitdrukkelijk is bepaald op welke wijze zekerheid moet worden gesteld. Wel staat vast dat [verweerder] in haar incidentele eis heeft verzocht om zekerheidstelling door middel van een bankgarantie of notarisdepot. [verzoeker] heeft ervoor gekozen om op andere wijze zekerheid te stellen. Tegen die wijze van zekerheid voert [verweerder] gemotiveerd verweer. De rechtbank moet dan ook beoordelen of de huidige zekerheidstelling van [verzoeker] voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, waarbij in het bijzonder gaat om artikel 6:51 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat is niet het geval. 2.7. Het is juist dat de vorm waarin zekerheid wordt gesteld in beginsel ter keuze staat van degene die de zekerheid moet stellen. Aan de zekerheidstelling gelden daarom geen andere eisen dan de eisen die voortvloeien uit artikel 6:51 lid 2 BW. Dat artikel vereist – voor zover hier van belang – dat de aangeboden zekerheid zodanig moet zijn dat de (proces)kosten daarmee gedekt zijn en de schuldeiser zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. De door [verzoeker] geboden wijze van zekerheid voldoet daar niet aan. Nog daargelaten dat de door [verzoeker] aangeboden wijze van stellen van zekerheid minder gebruikelijk is dan bijvoorbeeld een bankgarantie of depot bij de notaris, zoals voorgesteld door [verweerder] , is in dit geval de zekerheid niet door [verzoeker] , de procespartij, zelf geboden, maar door een aan hem gelieerde B.V.’s. Dit levert een mogelijk risico op ten aanzien van het nemen van verhaal. Niet uitgesloten is immers dat verhaal komt te ontbreken doordat er niet langer voldoende middelen aanwezig zijn of in het uiterste geval sprake is van uitstel van betaling of een faillissement. Er is dan ook niet voldaan aan het vereiste van artikel 6:51 lid 2 BW dat zonder enige moeite verhaal zal kunnen worden genomen. Dat betekent dat [verzoeker] alsnog op andere wijze zekerheid zal moeten stellen. 2.7. [verweerder] heeft ingestemd met de door [verzoeker] zelf subsidiair voorgestelde wijze van zekerheidstelling. De rechtbank is van oordeel dat deze wijze van zekerheidstelling wel voldoet aan de eisen van artikel 6:51 BW. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar een bezwaar opgeworpen tegen deze wijze van zekerheidstelling met het argument dat [verweerder] een eenmanszaak is en dat aan overmaking aan [verweerder] een risico kleeft, maar de rechtbank gaat aan dat bezwaar voorbij. Enerzijds omdat [verzoeker] het voorstel van zekerheidstelling zelf subsidiair in zijn akte naar voren heeft gebracht en anderzijds omdat de rechtbank niet is gebleken dat de liquiditeit van [verweerder] onvoldoende is. Daar komt nog bij dat het geld onder de door [verzoeker] gestelde voorwaarden aan [verweerder] zal worden overgemaakt, zodat op die wijze het risico voor [verzoeker] zoveel mogelijk wordt beperkt. 2.8. De rechtbank zal bepalen dat [verzoeker] het bedrag van € 1.647,00 uiterlijk op 15 juni 2026 aan [verweerder] zal betalen door overmaking op de bankrekening van [verweerder] , onder gelijktijdige verstrekking van schriftelijk bewijs van de zekerheidsstelling aan de rechtbank. [verweerder] zal daarvoor zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 10 juni 2026 het rekeningnummer waar het geld naar moet worden overgemaakt aan [verzoeker] doorgeven. 2.9. Indien de zekerheidstelling niet, niet tijdig of niet op de aangegeven wijze plaatsvindt, zal [verzoeker] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk worden verklaard.