Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-05-08
ECLI:NL:RBNHO:2026:6083
ECLI:NL:RBNHO:2026:6083 text/xml public 2026-06-03T11:31:17 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-08 HAA 25/1581, HAA 25/2285, HAA 25/2288, HAA 25/2303 en Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6083 text/html public 2026-06-03T11:18:00 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:6083 Rechtbank Noord-Holland , 08-05-2026 / HAA 25/1581, HAA 25/2285, HAA 25/2288, HAA 25/2303 en OMGEVINGSWET. BOUWEN. (B)OPA. ETFAL. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Stichting Flora & Faunabescherming bij de verleende omgevingsvergunningen 1 en 2 niet als belanghebbende is aan te merken. Het college heeft de Stichting ten onrechte ontvankelijk geacht in bezwaar. Het college heeft een aantal natuurlijke personen terecht niet als belanghebbende bij de verleende vergunning 1 aangemerkt. Het college heeft verder de Stichting Park Muiderslotlaan (SPM) ten onrechte niet-ontvankelijk geacht in haar bezwaar tegen vergunning 2. Omdat de bezwaargronden van de SPM gelijkluidend zijn aan de bezwaren van de eisersgroep tegen vergunning 2 en verweerder op die bezwaren wel is ingegaan, past de rechtbank artikel 7:1a Awb toe. De beroepsgronden van SPM en de eisersgroep slagen niet. De rechtbank volgt SPM en de eisersgroep niet in hun betogen dat de vergunning is verleend in strijd met verschillende artikelen uit het ter plaatse geldende exploitatieplan en artikel 14.1, onder d van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De rechtbank is van oordeel dat het college overtuigend heeft onderbouwd waarom ondanks de afwijking van artikel 14.2.5 van het Bloemendalerpolder Weesp dat deel uitmaakt van het Omgevingsplan Amsterdam sprake is van ETFAL. SPM en de eisersgroep worden ook niet gevolgd in hun betoog dat de toets aan de eisen van welstand onvolledig is geweest. Het gaat bij de toetsing van de verleende vergunning 2 alleen om de bouw van woningen. In het kader van de welstandsbeoordeling moet dus alleen getoetst worden of de vergunde woningen voldoen aan de daarvoor gestelde welstandsnormen. De vraag of de omgeving van de vergunde woningen (al) voldoet aan de daaraan in het exploitatieplan of het beeldkwaliteitsplan gestelde eisen speelt hierbij geen rol. Dit valt buiten de beoordelingsreikwijdte van de aanvraag. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/1581, HAA 25/2285, HAA 25/2288, HAA 25/2303 en HAA 25/2305 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaken tussen de stichting Stichting Flora & Faunabescherming, hierna: SFF; en de stichting Stichting Park Muiderslotlaan, hierna: SPM, gemachtigde mr. B. Vermeirssen en [eiser(es) 1] , [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiser(es) 2] , [eiser(es) 3] , [eiser(es) 4] , [eiser(es) 5] [eiser(es) 6] [eiser(es) 7] , hierna ook te noemen: de eisersgroep gemachtigde: mr. B. Vermeirssen, en [eiseres 3] , gemachtigde: mr. B. Vermeirssen, hierna tezamen ook te noemen; eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam , het college gemachtigde: mr. H. Groot, in dienst van de gemeente. Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: de besloten vennootschap A.M. B.V. uit Utrecht, de vennootschap onder firma B.V.W. Ontwikkeling V.O.F. uit Diemen, hierna: B.V.W. de commanditaire vennootschap GEM Bloemendalerpolder C.V. uit Amsterdam. tezamen te noemen: derde-belanghebbenden, gemachtigden: mr. J.C. Ellerman en mr. S.J. de Haan, advocaten te Amsterdam. Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de aan A.M. B.V. verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 63 woningen in de Bloemendalerpolder (Weespersluis deelgebied 2B3 West), hierna: vergunning 1, en over de aan B.V.W. verleende omgevingsvergunning voor de bouw van 66 woningen met tuin- en parkvoorzieningen in de Bloemendalerpolder (Weespersluis deelgebied 2B3 Zuid), hierna: vergunning 2. 1.2. Eisers in deze zaak zijn twee stichtingen en bewon Volgens SPM, de eisersgroepen en [eiseres 3] is hun bezwaar, voor zover van toepassing, ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast stellen alle eisers zich allen op het standpunt dat de vergunningen voor de bouw van de woningen ten onrechte zijn verleend. Zij voeren in dat kader een aantal beroepsgronden aan. 2.8. De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben namens SFF deelgenomen [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (secretaris/penningmeester). Namens SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] hebben deelgenomen: [eiseres 3] , [naam 3] en de gemachtigde van SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] . Tevens is namens SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] verschenen [naam 4] . Namens het college hebben aan de zitting deelgenomen mr. H.J. .Hde Groot (in dienst van de gemeente) en mw. El Mahraoui (juridisch adviseur in dienst van de gemeente). Namens derde-belanghebbenden hebben aan de zitting deelgenomen [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] , bijgestaan door de gemachtigden van derde-belanghebbenden. Wat houden de besluiten in? 3.1. Vergunning 1 is een omgevingsvergunning voor realisatie van 63 grondgebonden woningen in deelplan B3 West. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Daarnaast is de omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet verleend voor de omgevingsplanactiviteiten: afwijken van de regel in het bestemmingsplan waaruit volgt dat de te realiseren bouwhoogte van de aangevraagde carports niet hoger mag zijn dan 3 meter (artikel 14.2.7, onder f, van de planregels van Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden, onderdeel van het Omgevingsplan Amsterdam); afwijken van de planregel in het bestemmingsplan Bloemendalerpolder waaruit volgt dat op gronden bestemd voor “Waarde-archeologie 7” geen gebouwen mogen worden gebouwd (met uitzondering van bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 1000m² en waarbij de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 4 meter ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld). 3.2. Vergunning 2 is een omgevingsvergunning voor 66 grondgebonden woningen met tuin- en parkeervoorzieningen in deelplan 2B3 Zuid. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet. Daarnaast is de omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet verleend voor de omgevingsplanactiviteit: - afwijken van de planregel 14.2.7 uit het tot het Omgevingsplan behorende bestemmingsplan Bloemendalerpolder Weesp, waarin is bepaald dat aan- en uitbouwen en overkappingen op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevel(rooilijn) van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd en dat de bouwhoogte daarvan maximaal 3 meter mag zijn. Met omgevingsvergunning 2 is voorts vergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit afwijken van planregel 14.2.5 van het bestemmingsplan Bloemendalerpolder Weesp die inhoudt dat tussen de perceelsgrenzen ter plaatse van de “specifieke bouwaanduiding laan” een laan dient te worden gerealiseerd van tenminste 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen. Ontvankelijkheid in beroep Tijdigheid beroep SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] 4.1. Volgens het college en derde-partij hebben SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] te laat beroep ingesteld. De rechtbank overweegt over dat verweer als volgt. 4.2. De besluiten op bezwaar zijn op 3 februari 2025 verzonden. De beroepen moesten daarom, gelet op artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), uiterlijk op 17 maart 2025 door de rechtbank zijn ontvangen. De rechtbank stelt vast dat SPM, de eiseresgroep en [eiseres 3] de beroepen per mail (Zivver) van 17 maart 2025 hebben verstuurd en dat de rechtbank de beroepschriften op diezelfde dag heeft ontvangen. De beroepen zijn dus, anders dan het college en derde-partij menen, tijdi Met de verleende omgevingsvergunningen is toestemming verleend om in afwijking van de ter plaatse geldende van het Omgevingsplan deel uitmakende bestemmingsplannen te bouwen op gronden die op zichzelf wel bestemd zijn voor de bouw van woningen, maar waarbij wordt afgeweken van de planregels voor wat betreft de bouwhoogte, de afstand van bouwwerken tot de voorgevelrooilijn, de planregel die inhoudt dat op gronden bestemd voor “Waarde-archeologie 7” in beginsel geen gebouwen mogen worden gebouwd en de planregel die inhoudt dat op gronden met de bestemming woongebied ter plaatse van de “specifieke bouwaanduiding laan” een laan dient te worden gerealiseerd van tenminste 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen 6.6. De verleende vergunningen hebben aldus geen gevolgen voor SFF als bedoeld in overweging 6.3, omdat in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen woningbouw al is toegestaan. De gevolgen van het afwijken van het omgevingsplan voor de woningbouw voor de ter plaatse eventueel aanwezige flora en fauna vloeien dus niet zozeer voort uit de nu verleende vergunningen, maar uit de van toepassing zijnde (onherroepelijke) bestemmingsplannen. Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet komt een toetsing aan gevolgen voor flora en fauna ook niet aan de orde. Dat hiervan met de ter beoordeling voorliggende omgevingsvergunningen wordt afgeweken maakt dit niet anders, omdat niet aannemelijk is geworden dat deze afwijkingen gevolgen hebben voor de flora en fauna ter plaatse. 6.7. De rechtbank is daarom van oordeel dat SFF niet wordt geraakt in de belangen die zij in het bijzonder behartigt. Zij is daarom geen belanghebbende bij de verleende vergunningen 1 en 2. Het college heeft dit niet onderkend en heeft de bezwaren van SFF ten onrechte ontvankelijk geacht. Beoordeling van het beroep Belanghebbendheid SPM 7.1. Het college heeft SPM niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen omgevingsvergunning 2, omdat SPM nog niet lang bestaat en het college in bezwaar geen informatie heeft ontvangen over de feitelijke werkzaamheden van de stichting. Van werkzaamheden anders dan het procederen tegen de omgevingsvergunningen in de Bloemendalerpolder is het college niet gebleken. 7.2. In beroep heeft SPM aangevoerd dat SPM in november 2023 is opgericht en dus ruim voor de datum van de nu bestreden besluitvorming. Voorts heeft SPM gemotiveerd weersproken dat haar feitelijke werkzaamheden alleen bestaan uit procederen. Zo noemt SPM diverse informatieavonden en buurtoverleggen en andere activiteiten in de jaren 2023 tot en met 2025. 7.3. In de statuten van de stichting is onder 3.1 het doel van SPM opgenomen: De stichting heeft ten doel: - het beschermen en het bevorderen van de kwaliteit van het park aan de Muiderslotlaan in Weesp; - het beschermen en verbeteren van de leefomgeving, (verkeers-)veiligheid, leefbaarheid, stedelijke en natuurlijke waarden (waaronder flora en fauna) en sociale cohesie in Weespersluis en directe omgeving, en in het bijzonder rondom het park aan de Muiderslotlaan in Weesp; - het doen en verrichten van al hetgeen rechtstreek of zijdelings verband houdt met voormelde of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. Onder 3.2 is opgenomen dat de stichting haar doel onder meer tracht te verwezenlijken door: - ( sociale) activiteiten te organiseren, faciliteren en sponsoren; - voorlichting te geven aan bewoners, overheden en bedrijven; - overleg te voeren met bewoners (overheids-)instanties en bedrijven over onderwerpen zoals veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, milieu, natuur, werkgelegenheid, verkeer en vervoer; - het verrichten van rechtshandelingen en voeren van juridische procedures ter behartiging van de belangen van de stichting en - het verrichten van al zodanige activiteiten die nodig, nuttig of wenselijk zijn voor het bevorderen, tot stand brengen of bereiken van de doelstelling De bepaling over belanghebbendheid in artikel 1.2 Awb sluit een dergelijk aan allen toekomend beroepsrecht juist uit. 9.3. Het beroep geregistreerd met zaaknummer HAA 25/2305 is daarom ongegrond. Afbakening resterende geschilpunten 10. Nu SFF geen belanghebbende is bij de bestreden besluiten en [eiseres 3] en [eiser(es) 7] terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun bezwaar tegen omgevingsvergunning 1 (west), en de eisersgroep en SPM niet in bezwaar zijn gekomen tegen omgevingsvergunning 1 komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van beroepsgronden gericht tegen die omgevingsvergunning. Alleen de beroepsgronden van de eisersgroep en SPM gericht tegen omgevingsvergunning 2 (zuid) zullen daarom hieronder worden beoordeeld. Beroepsgronden die zien op het exploitatieplan 11.1. De eisersgroep en SPM hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat het college vergunning 2 niet had mogen verlenen, omdat dit in strijd is met diverse bepalingen uit het ter plaatse geldende Omgevingsplan en het voor dit gebied geldende exploitatieplan “eerste herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder” (het exploitatieplan) en de daarvan deel uitmakende programma’s van eisen (PvE’s). 11.2. De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of deze beroepsgronden inhoudelijk kunnen slagen en zo ja, dan eventueel pas te bezien of het relativiteitsbeginsel als neergelegd in artikel 8:69a Awb aan gegrondverklaring van het beroep op deze gronden in de weg staat. 11.3.1. De eisersgroep en SPM, hebben gesteld dat de bouwvergunningen zijn verleend in strijd met het bepaalde in de artikelen 4.1, 4.3 en 4.4 van het exploitatieplan. In deze regels staat het volgende. 11.3.2. Artikel 4.1 van de regels van het exploitatieplan luidt als volgt: Het verlenen van vergunningen voor het bouwen van woningen is uitsluitend toegestaan als het gebied waarop deze vergunningen betrekking hebben een aaneensluitend ontwikkelgebied vormt met in ontwikkeling zijnde of reeds gerealiseerde woningbouw en bijbehorende groen‐ en waterstructuur. In aanvulling hierop wordt ook een ontwikkelgebied ten noorden van de centrale waterpartij en grenzend aan de Korte Muiderweg in ontwikkeling gebracht. 11.3.3. In artikel 4.3 is bepaald dat om te voldoen aan de afspraken in de SUOK de ontwikkeling van groengebieden parallel dient plaats te vinden aan de ontwikkeling van woongebieden. 11.3.4. In artikel 4.4 is bepaald dat de vergunning voor het bouwen van de 1500e woning in het exploitatiegebied niet kan worden verleend voordat 50% van het te realiseren structureel groen en blauw in ontwikkeling is gebracht. Onder ‘in ontwikkeling is gebracht’ wordt verstaan: gronden waarvoor ten minste werken en werkzaamheden zijn gemeld, zoals bedoeld in 2.2. 11.3.5. In artikel 2.2 (2.2.1) staat dat ten minste 8 weken vóór de voorgenomen aanvang van de uitvoering van werken en werkzaamheden door de exploitant daarvan schriftelijk melding wordt gedaan aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarbinnen de werken en werkzaamheden worden uitgevoerd. Ook staat in artikel 2.2 (2.2.2) dat bij die melding het proces‐verbaal van aanbesteding wordt gevoegd, dat in ieder geval inhoudt op welke wijze de opdracht voor de uitvoering van werken en werkzaamheden is gegund. 11.4. De artikelen 4.3 en 4.4 van het exploitatieplan zijn op 9 juli 2020 vastgesteld ter vervanging van artikel 4.3 van het oorspronkelijke exploitatieplan, waarin dwingend was opgenomen dat voor elke hectare waarvoor een vergunning voor het bouwen van woningen (met daarbij behorende gronden) is verleend 1,37 hectare aan structureel groen en water dient te worden ingericht binnen het exploitatiegebied. Reden voor deze wijziging was dat de oude bepaling niet werkbaar bleek bij het verlenen van individuele vergunningen voor bouwen, zo blijkt uit de uitspraak van de Raad van State van 15 december 2021 . In deze uitspraak heeft de Raad van State ook tot uitdrukking gebracht dat voor parallelle ontwikkeling als bedoeld in artikel 4.3 volstaa [naam 8] en [naam 9] (van bureau OASE Stedenbouw en landschap) en [naam 10] (senior stedenbouwkundig adviseur van de gemeente Zaanstad/Supervisie Maak Noord) en overgelegd.Conclusie van die beoordeling is dat de versmalling van de parkzone leidt tot een degradatie van de hoofdgroenstructuur van Weespersluis. Dit is, aldus de stedenbouwkundigen, stedenbouwkundig en landschappelijk niet verantwoord. De rechtbank overweegt over deze beroepsgrond als volgt. 13.2.1. Artikel 14.2.5 van de planregels van het bestemmingsplan Bloemendalerpolder Weesp luidt als volgt. Specifieke bouwaanduiding - laan In aanvulling en/of afwijking van het bepaalde in lid 14.2.1 geldt dat ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - laan' een laan wordt gerealiseerd met een minimale afstandsmaat van 60 meter tussen de perceelsgrenzen van de woningen. 13.2.2. Op grond van het bepaalde in artikel 5.1, eerste lid, onder a, Omgevingswet en artikel 8.0a, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het college (buitenplans) afwijken van een Omgevingsplan als sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). 13.3. Volgens het college is sprake van ETFAL. Het college gaat er hierbij vanuit dat met de afwijking van deze planregels nog een laan met een breedte van 40 meter gerealiseerd kan worden. Het college heeft hierover op basis van advies van de afdeling Ruimte en Duurzaamheid overwogen dat met de laan wordt beoogd om landschappelijke kwaliteit en een herkenbaar element in het plan te brengen en dat de laan ook moet functioneren als buurtpark voor de aanliggende woongebieden. Het college heeft voorts overwogen dat al in 2018 is geconstateerd dat de oorspronkelijke opzet van de Brede Laan niet voldeed aan de doelstellingen bij de laan. De ruimte zou onvoldoende geschikt zijn als buurtpark en de in het bestemmingsplan gestelde breedtemaat zorgt, in combinatie met de lange lengte, juist voor onvoldoende betrokkenheid van de aanliggende woningen bij de ruimte. Daarom is al in 2018 bedacht om de Brede Laan gedifferentieerder vorm te geven: een middenstuk met parkkwaliteit (het huidige park aan de Muiderslotlaan) met in het verlengde aan beide zijden juist een iets minder brede laan. In het park aan de Muiderslotlaan is de brede maat uit het bestemmingsplan gerealiseerd, maar zonder de strenge vier bomenrijen, zodat een meer parkachtige kwaliteit ontstaat, gericht op recreatieve waarde. Aan beide kopse zijdes van het park versmalt de ruimte naar circa 40-45 meter. In deze delen is het laan-karakter dominant door hier wel 4 relatief strenge bomenrijen te ontwerpen. Gezamenlijk ontstaat zo nog steeds een herkenbare ruimte, met een lange, brede maat, die echter aantrekkelijker is ingericht met meer differentiatie in uitstraling en gebruiksmogelijkheden. De versmalling van stukken aan de Oost- en Westzijde zorgt voor een meer overzichtelijke parkmaat en meer betrokkenheid van de woningen bij de laan in het smallere deel. 13.4. De rechtbank stelt voorop dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beoordelings- en beleidsruimte toekomt. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank is van oordeel dat het college met het voorgaande voldoende overtuigend heeft onderbouwd waarom ondanks de afwijking van het Omgevingsplan sprake is van ETFAL. De door de eisersgroep en SPM overgelegde beoordeling maakt dit niet anders. Daarin wordt slechts beargumenteerd dat is afgeweken van het beeldkwaliteitsplan op hoofdlijnen, maar de redenen waarom het college hiermee akkoord is zijn hierin niet beoordeeld. Niet valt in te zien dat de voor de afwijking gegeven motivering van het college niet toereikend zou zijn. Welstand en Beeldkwaliteitsplan 14.1. Volgens de eisersgroep en SPM is de besluitvormi De rechtbank zal de bestreden besluiten gericht aan SFF daarom vernietigen en zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van SFF tegen de beide vergunningen alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. 19.2. De rechtbank ziet, ondanks de gegrondverklaring van het beroep in deze zaak, geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, omdat niet gebleken is van daarvoor in aanmerking komende kosten. Wel krijgt SFF zijn griffierecht vergoed. In zaak 25/2303 20.1. Het beroep van [eiseres 3] tegen het besluit op haar bezwaar tegen omgevingsvergunning 1 is ongegrond. Hetbezwaar van [eiseres 3] tegen omgevingsvergunning 1 is terecht niet-ontvankelijk is verklaard. 20.2. Ondanks dat het beroep ongegrond is ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen om het griffierecht en de proceskosten in deze zaken te vergoeden, omdat er een gebrek is geconstateerd in het horen. In de zaken 25/2288 en 25/2305 21.1. Het beroep van de eisersgroep en [eiseres 3] tegen de besluiten op hun bezwaar tegen omgevingsvergunning 2 is ongegrond. 21.2. Ondanks dat de beroepen ongegrond zijn ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen om het griffierecht en de proceskosten in deze zaken te vergoeden, omdat er een gebrek is geconstateerd in het horen. In zaak 25/2285 22.1. Het beroep van SPM is gegrond, omdat het bezwaar van SPM ten onrechte door het college niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit op dit punt. Het bezwaar is vervolgens ter zitting aangemerkt als rechtstreeks beroep. De rechtbank oordeelt dat SPM ontvankelijk is, maar dat het beroep ongegrond is. 22.2. In deze zaak is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht, omdat het beroep in deze zaak gegrond is voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht in de zaken van SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] 23.1. Nu SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk (in één beroepschrift) beroep hebben ingesteld en de gemachtigde voor alle eisers ter zitting is verschenen krijgen SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk een proceskostenvergoeding. De vergoeding ziet op rechtsbijstand en bepaalt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op €1.868,00 (tweemaal € 937 voor het beroepschrift en het verschijnen ter zitting). 23.2. De rechtbank heeft voor de beroepen van SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk één keer een bedrag van € 185,- aan griffierecht geheven. De rechtbank zal gelet op het voorgaande daarom bepalen dat het college dit bedrag aan hun zal moeten vergoeden. Beslissing In de zaak HAA 25/1581 De rechtbank: verklaart het beroep van SFF in de zaak geregistreerd met zaaknummer HAA 25/1581 gegrond; vernietigt het bestreden besluit dat ziet op het bezwaar van SFF; voorziet zelf in de zaak en verklaart SFF niet-ontvankelijk in haar bezwaar; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; bepaalt dat het college aan SFF het betaalde griffierecht ten bedrage van € 385,- vergoedt. In de zaak HAA 25/2285 De rechtbank: verklaart het beroep van SPM gegrond, voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar; vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van SPM; verklaart het als (rechtstreeks) beroep aangemerkte bezwaar van SPM ongegrond. In de zaken HAA 25/2303, HAA 25/2305 en HAA 25/2288 De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond. In de zaken HAA 25/2285, HAA 25/2303, HAA 25/2305 en HAA 25/2288 De rechtbank: veroordeelt het college tot betaling van in totaal € 1.868,- aan proceskosten aan SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk; bepaalt dat het college aan SPM, de eisersgroep en [eiseres 3] gezamenlijk het betaalde griffierecht ten bedrage van € 185,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E.