Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-05-08
ECLI:NL:RBNHO:2026:6079
ECLI:NL:RBNHO:2026:6079 text/xml public 2026-06-03T10:59:44 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-08 HAA 25/1576, HAA 25/1578, HAA 25/1582, HAA 25/1583, HAA 25/1584 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6079 text/html public 2026-06-03T10:53:38 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:6079 Rechtbank Noord-Holland , 08-05-2026 / HAA 25/1576, HAA 25/1578, HAA 25/1582, HAA 25/1583, HAA 25/1584 OVERGANGSRECHT OMGEVINGSWET. WABO. CRISIS- EN HERSTELWET. BOUWEN. De rechtbank komt tot het oordeel dat de Stichting Flora & Faunabescherming bij de verleende omgevingsvergunningen 1 en 2 niet als belanghebbende is aan te merken. Het college heeft de Stichting ten onrechte ontvankelijk geacht in bezwaar. Het college heeft verder een aantal natuurlijke personen terecht niet belanghebbend geacht bij de verleende omgevingsvergunningen 1 en 2. De beroepen van de terecht ontvankelijk geachte natuurlijke personen zijn gericht tegen vergunning 2. Hun beroepsgronden slagen niet. Dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie niet expliciet is ingegaan op elk van de door eisers 3 tegen vergunning 2 opgeworpen bezwaargronden, maakt niet dat deze geheel buiten bespreking zijn gelaten. Het college mag bezwaren zakelijk weergeven en samenvatten en samenvoegen daar waar dat kan – zeker als ook nog sprake is van meerdere bezwaarden met (deels) vergelijkbare bezwaren – om onnodige herhaling te voorkomen. Het college mocht verder verwijzen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie omdat is voldaan aan de voorwaarden die daarvoor gelden. De rechtbank volgt eisers 4.2 verder niet in hun betogen dat de vergunning is verleend in strijd met verschillende artikelen uit het ter plaatse geldende exploitatieplan en het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat de besluitvorming is gebaseerd op een (welstands)advies dat niet op onafhankelijke wijze tot stand is gekomen. Eisers 4.2 worden ook niet gevolgd in hun betoog dat de toets aan de eisen van welstand onvolledig is geweest. Het gaat bij de toetsing van de verleende vergunning 2 alleen om de bouw van woningen. In het kader van de welstandsbeoordeling moet dus alleen getoetst worden of de vergunde woningen voldoen aan de daarvoor gestelde welstandsnormen. De vraag of de omgeving van de vergunde woningen (al) voldoet aan de daaraan in het exploitatieplan of het beeldkwaliteitsplan gestelde eisen speelt hierbij geen rol. Dit valt buiten de beoordelingsreikwijdte van de aanvraag. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/1576, HAA 25/1578, HAA 25/1582, HAA 25/1583, HAA 25/1584 uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaken tussen in de zaken 25/1576, 25/1578 en 25/15791. de stichting Stichting Flora & Faunabescherming (hierna: SFF), in zaak 25/1583 2. [eiseres 1] en [eiseres 2] hierna: eiseressen 2, in zaak 25/1584 3. [eiser] en [eiseres 3] , hierna: eisers 3 gemachtigde: mr. C.A. Gentile Martin, advocaat te Haarlem, in zaak 25/1582 4.1 [eiseres 4] , [eiser(es) 1] , [eiseres 1] , [eiser(es) 2] , [eiser(es) 3] , [eiser(es) 4] , [eiser(es) 5] , [eiser(es) 6] hierna: eisers 4.1 4.2 [eiser(es) 7] , [eiser(es) 8] , [eiser(es) 9] , [eiser(es) 10] , [eiser(es) 11] , [eiser(es) 12] , [eiser(es) 13] , [eiser(es) 14] , [eiser(es) 15] , [eiser(es) 16] , [eiser(es) 17] , en (opnieuw) [eiseres 2] , hierna: eisers 4.2, eisers 4.1 en 4.2 hierna ook tezamen: eisers 4 voor wie als gemachtigde optreedt: [eiseres 2] , voornoemd. eisers allen uit Weesp SFF, eiseressen 2 en eisers 3 en 4 worden hierna ook gezamenlijk genoemd: eisers. en in alle zaken het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam gemachtigden: mr. H. de Groot, mr. S. El Mahraoui en Y. Reinders, allen ambtenaar in dienst van de gemeente. Als derde-partijen nemen aan alle zaken deel: 1. de besloten vennootschap [derde-pa Het bouwplan bestaat uit rijwoningen, twee-onder-een kap woningen en vrijstaande woningen. Vergunning 1 is gevraagd en bij besluit van 2 mei 2024 verleend voor de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 2.1.2. Vergunninghouder heeft het college op 21 december 2023 gevraagd haar een omgevingsvergunning te verlenen voor de realisatie van 28 woningen in het kader van het project Bloemendalerpolder/Weespersluis (deelplan 5C1-B). Vergunning 2 is gevraagd en bij besluit van 30 mei 2024 verleend voor de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. 2.2. SFF heeft bezwaar gemaakt tegen beide vergunningen. Eiseressen 2 hebben bezwaar gemaakt tegen vergunning 1 en eisers 3 hebben bezwaar gemaakt tegen vergunning 2. Eisers 4 hebben gezamenlijk met anderen ook bezwaar gemaakt tegen vergunning 2. 2.3.1. Bij brief van 7 oktober 2024, door het college in ontvangst genomen op 8 november 2024, heeft SFF het college in gebreke gesteld een besluit te nemen op het door haar ingediende bezwaar tegen omgevingsvergunning 1. 2.3.2. Bij brief van 7 oktober 2024, door het college in ontvangst genomen op 8 oktober 2024, heeft SFF het college in gebreke gesteld een besluit te nemen op het door haar ingediende bezwaar tegen omgevingsvergunning 2. 2.4.1. Bij afzonderlijke besluiten van 15 november 2024 heeft het college het door SFF tegen vergunning 1 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door eiseressen 2 tegen vergunning 1 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 2.4.2. Bij afzonderlijke besluiten van 14 november 2024 heeft het college de door SFF en eisers 3 tegen vergunning 2 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het door eisers 4 tezamen met anderen gemaakte bezwaar is door het college niet-ontvankelijk verklaard voor zover gemaakt door indieners die volgens het college geen belanghebbende zijn bij vergunning 2 en ongegrond voor zover het de overige indieners van dit bezwaarschrift betreft. 2.5.1. Bij dwangsombesluit van 4 december 2024 heeft het college aan SFF een dwangsom toegekend voor het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen vergunning 2. 2.5.2. Bij dwangsombesluit van 17 december 2024 heeft het college aan SFF een dwangsom toegekend voor het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen vergunning 1. 2.6. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de hen betreffende bestreden besluiten van 14 en 15 november 2024. 2.7. SFF heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit van 4 december 2024 omdat zij het niet eens is met de hoogte van de aan haar toegekende dwangsom. Zij heeft het college gevraagd in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft daarmee ingestemd en het bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank. Tegen het dwangsombesluit van 17 december 2024 heeft SFF geen rechtsmiddel aangewend. 2.8. De rechtbank heeft de beroepen op 18 november 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Aan de zitting hebben namens SFF deelgenomen haar bestuurders [naam 1] (voorzitter) en [naam 2] (secretaris/penningmeester). Eiseressen 2 zijn verschenen namens eisers 4, waarvan zij deel uitmaken. Met eiseressen 2 is ook verschenen [naam 3] , stedenbouwkundig adviseur. Hij treedt op als hun deskundige. Eisers 3 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college hebben aan de zitting deelgenomen mr. H.J. .Hde Groot en mr. S. El Mahraoui (beiden juridisch adviseur in dienst van de gemeente) en Y. Reinders, (in dienst van het ingenieursbureau van de gemeente). Met de beide verschenen gemachtigden, advocaten te Amsterdam, van derde-partijen hebben aan de zitting deelgenomen [naam 4] (bedrijfsjurist in dienst van vergunninghouder), [naam 5] (in loondienst van BPD/Bouwfonds gebiedsontwikkeling, een van de vennoten in GEM Bloemendalerpolder C.V., en werkzaam als locatiemanager voor GEM Bloemendalerpolder C.V. en Uit artikel 1:2, derde lid, Awb volgt verder dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid van een rechtspersoon (zoals een stichting) ook de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden samen in onderling verband gezien kunnen meebrengen dat de rechtspersoon belanghebbende is bij een besluit. Belanghebbendheid SFF 7.1. SFF is geen belanghebbende bij de verleende vergunningen. Hieronder zet de rechtbank uiteen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 7.2. In de (op 4 juli 2016 gewijzigde) statuten van SFF is in artikel 2 het doel van SFF opgenomen. SFF stelt zich ten doel “het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in onder meer en met name Amsterdam Amstelland, gemeente Wijdemeren, gemeente Gooimeren, gemeente Weesp en omstreken in het algemeen en de bescherming van de flora en fauna in vermelde gebieden en haar omgeving in het bijzonder en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.” In artikel 2, vierde lid, van de statuten is verder onder meer bepaald dat de stichting haar doel onder meer tracht te bereiken door: de bescherming van in het wild levende dieren en beschermde flora en fauna . 7.3. SFF heeft op zitting niet weersproken, zoals derde-partijen hebben gesteld, dat de feitelijke werkzaamheden van SFF slechts zien op de bescherming van flora en fauna, door onder meer informatie te verstrekken over flora en fauna, door daarover voorlichting te geven en door hulp en bescherming te bieden aan flora en fauna. Dit beeld wordt bevestigd door de activiteiten als genoemd op de website van SFF. De feitelijke werkzaamheden die SFF verricht, bestaan dus uit het bevorderen van dat specifieke deel van de statutaire doelstelling van de SFF: de bescherming van de flora en fauna. 7.4. Van een persoonlijk belang van SFF bij de vergunningen als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, Awb, zo is ook niet in geschil, is geen sprake. De rechtbank leidt uit de combinatie van de doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden van SFF af dat zij alleen dan in het bijzonder in haar belangen wordt geraakt als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, Awb als de besluitvorming waartegen zij opkomt gevolgen kan hebben voor flora en fauna. 7.5. Met de verleende omgevingsvergunningen is toestemming verleend om te bouwen op gronden die daartoe ook zijn aangewezen in het – van toepassing zijnde – bestemmingsplan ‘Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden’. 7.6. De verleende vergunningen hebben aldus geen gevolgen voor SFF als bedoeld in overweging 6.3, omdat in het geldende bestemmingsplan woningbouw al is toestaan. Mogelijke gevolgen van woningbouw, als die er al zijn, voor de ter plaatse aanwezige flora en fauna vloeien dus niet zozeer voort uit de nu verleende vergunningen, maar uit het van toepassing zijnde (onherroepelijke) bestemmingsplan. 7.7. De rechtbank is daarom van oordeel dat SFF niet wordt geraakt in de belangen die zij in het bijzonder behartigt. Zij is daarom geen belanghebbende bij de verleende vergunningen 1 en 2. Het college heeft dit niet onderkend en heeft de bezwaren van SFF ten onrechte ontvankelijk geacht. Het dwangsombesluit 8.1. Het beroep van SFF voor zover gericht tegen het dwangsombesluit van 4 december 2024 treft ook geen doel. Omdat de Stichting, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij vergunning 2, stond voor haar de bezwaarprocedure niet open. Aan SFF komt onder die omstandigheden in ieder geval geen hogere dwangsom toe dan haar reeds is toegekend en uitgekeerd. 8.2. Het dwangsombesluit van 4 december 2024 blijft daarom in stand. Belanghebbendheid eiseressen 2 9.1. Het college heeft de bezwaren van eiseressen 2 tegen vergunning 1 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank moet beoordelen of dit terecht is geweest. 9.2. De rechtbank stelt vast dat eiseressen 2 op een afstand wonen van meer dan 100 meter van de locatie plandeel 5C1-A waarop de verleende ve Het niet behandelen van bezwaargronden zonder daar enige rekenschap van te geven, maakt het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd, aldus eisers 3. 12.2.1. Voor zover eisers 3 in beroep de door hen in bezwaar aangevoerde gronden hebben herhaald en ingelast, betreft het beroep in zoverre een niet nader gemotiveerde herhaling van (in elk geval het merendeel van) de bezwaargronden. Onbetwist is immers dat het college (met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie) op de bezwaargronden een tot en met vijf, zeven, acht en elf is ingegaan. Eisers 3 hebben in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de beslissing op bezwaar van 14 november 2024 op de bezwaren van eisers onjuist of onvolledig zou zijn. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen hierna over de beroepsgronden van eisers 4.2 zal worden overwogen, ook geen enkele aanleiding om de weerlegging onjuist te achten. 12.2.2. De omstandigheid dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie niet expliciet is ingegaan op elk van de door eisers 3 opgeworpen bezwaargronden, maakt niet dat deze geheel buiten bespreking zijn gelaten. Met vergunninghouder is de rechtbank van oordeel dat het college bezwaren zakelijk mag weergeven en samenvatten en samenvoegen daar waar dat kan – zeker als ook nog sprake is van meerdere bezwaarden met (deels) vergelijkbare bezwaren - om onnodige herhaling te voorkomen. Aldus is in het advies op pagina 5 (ook) ingegaan op de bezwaargronden 6 en 10 en is op pagina 11 ook ingegaan op bezwaargrond 9. Daarmee zijn ook deze bezwaargronden door eisers 3 in beroep ongemotiveerd herhaald. 12.2.3. De rechtbank volgt eisers 3 ook niet in hun betoog dat het college in de beslissing op bezwaar niet had mogen verwijzen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het college heeft immers voldaan aan de in artikel 3:49 Awb genoemde voorwaarden: In het besluit van 14 november 2024 is verwezen naar het advies van de bezwaarcommissie, dit advies bevat een motivering en eisers 3 zijn van het advies in kennis gesteld omdat het hen tegelijk met de beslissing op bezwaar is toegezonden. 12.3. De rechtbank komt hiermee tot de conclusie dat de beroepsgronden van eisers 3 tegen het besluit van 14 november 2024 niet slagen. De beroepsgronden van eisers 4.2 tegen vergunning 2 13.1. Eisers 4.2 hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat het college vergunning 2 niet had mogen verlenen omdat verlening in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo, omdat het bouwplan in strijd zou zijn met diverse bepalingen uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het voor dit gebied geldende exploitatieplan “eerste herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder” (het exploitatieplan) en de daarvan deel uitmakende programma’s van eisen (PvE’s). 13.2. De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of deze beroepsgronden inhoudelijk kunnen slagen en zo ja, dan eventueel pas te bezien of het relativiteitsbeginsel als neergelegd in artikel 8:69a Awb aan gegrondverklaring van het beroep op deze gronden in de weg staat. Beroepsgronden die zien op het exploitatieplan 14.1. Eisers 4.2 hebben gesteld dat omgevingsvergunning 2 is verleend in strijd met de artikelen 4.3 en 4.4 van het exploitatieplan. Zij voeren ook aan dat de omgevingsvergunning in strijd is verleend met artikel 4.1 van het exploitatieplan. 14.2.1. In deze regels staat het volgende: 14.2.2. Artikel 4.1 van de regels van het exploitatieplan luidt als volgt: Het verlenen van vergunningen voor het bouwen van woningen is uitsluitend toegestaan als het gebied waarop deze vergunningen betrekking hebben een aaneensluitend ontwikkelgebied vormt met in ontwikkeling zijnde of reeds gerealiseerde woningbouw en bijbehorende groen‐ en waterstructuur. In aanvulling hierop wordt ook een ontwikkelgebied ten noorden van de centrale waterpartij en grenzend aan de Korte Muiderweg in ontwikkeling gebracht. 14.2.3. In artikel 4.3 is bepaald dat om te voldoen aan de Volgens eisers 4.2 kon omgevingsvergunning 2 niet verleend worden, omdat er geen sprake is van minimaal 31 ha aan structureel groen en water binnen het plangebied. 15.2.1. Op de gronden waarop de onderhavige vergunning 2 ziet, geldt – voor onderhavige zaak – nog het bestemmingsplan ‘Bloemendalerpolder, voormalig grondgebied Muiden’. De gronden hebben – onder meer – de bestemming ‘Woongebied’. 15.2.2. Op grond van artikel 14.1 van de planregels van voornoemd bestemmingsplan – voor zover hier van belang, zijn de voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden – onder andere – kort gezegd bestemd voor wonen en de realisatie en instandhouding van minimaal 31 ha aan structureel groen en water. 15.3. In een gebruiksbepaling in een bestemmingsplan (zoals artikel 14) bepaalt de gemeenteraad op welke manieren de gronden binnen de bestemming woongebied gebruikt mogen worden. Het gebruik dat niet wordt genoemd in een dergelijke bepaling is niet toegestaan. Een gebruiksbepaling schept echter geen verplichtingen tot het gebruik van de gronden. Artikel 14 schept dan ook geen verplichting tot realisatie van minimaal 31 ha aan structureel groen en water juist op de gronden waarop de onderhavige vergunning ziet. 15.4. Het betoog van eisers 4.2 op dit punt slaagt daarom niet. Welstand en Beeldkwaliteitsplan 16.1. Volgens eisers 4.2 is de besluitvorming gebaseerd op een (welstands)advies dat niet op onafhankelijke wijze tot stand is gekomen. De welstandscommissie wordt namelijk gevormd door een “kwaliteitsteam” dat bestaat uit één afgevaardigde van de aanvrager (dat is in dit geval de vergunninghouder of de projectontwikkelaar) en één afgevaardigde van de publieke partijen, waarbij elke afgevaardigde één stem heeft. De aanvrager (vergunninghouder) heeft daarom een doorslaggevende stem, aldus eisers 4.2. 16.2. De rechtbank volgt eisers 4.2 op dit punt niet. Uit artikel 15 van de door eisers 4.2 overgelegde definitieve versie van de Samenwerkings- en Uitvoeringsovereenkomst Bloemendalerpolder van 26 september 2012 (SUOK) volgt dat het kwaliteitsteam de welstand beoordeelt en dat het kwaliteitsteam uit twee leden bestaat. Daaruit volgt evenwel ook dat besluiten unaniem genomen moeten worden en als niet tot unanimiteit kan worden gekomen, besluiten moeten worden voorgelegd aan het Regie Overleg . Dat de vergunninghouder een doorslaggevende stem heeft bij de totstandkoming van een advies over welstand en het advies daarom niet onafhankelijk van de projectontwikkelaar tot stand zou zijn gekomen, is dus niet juist. 17.1. Volgens eisers 4.2 is de toets aan de eisen van welstand onvolledig, omdat niet slechts de te vergunnen bebouwing had moeten worden getoetst, maar dat ook getoetst had moeten worden of wordt voldaan aan het voor de Bloemendalerpolder ontwikkelde Beeldkwaliteitsplan op hoofdlijnen, en dan met name het bepaalde daarin over het daarin opgenomen ruimtelijke kader. Er is niet getoetst aan de hoofdstructuur water, groen, verkeer, cultuurhistorie en woonvelden en niet getoetst aan de beeldkwaliteit voor het water, de openbare ruimte en specials. Het college had het welstandsadvies daarom volgens eisers 4.2 niet ten grondslag mogen leggen aan de besluitvorming. 17.2. De rechtbank volgt eisers 4.2 ook hierin niet. Zoals vergunninghouder terecht heeft gesteld in de schriftelijke reactie van 25 september 2025 gaat het bij de toetsing van de verleende vergunning 2 alleen om de bouw van woningen, en moet in het kader van de welstandsbeoordeling dus alleen getoetst worden of de vergunde woningen voldoen aan de daarvoor gestelde welstandsnormen. De vraag of de omgeving van de vergunde woningen (al) voldoet aan de daaraan in het exploitatieplan of het beeldkwaliteitsplan gestelde eisen speelt hierbij geen rol. Dit valt buiten de beoordelingsreikwijdte van de aanvraag. Strijd met 7:4, tweede lid, Awb 18.1. Eisers 4.2 voeren aan dat het aan hen gerichte bestreden besluit van 14 november 2024 moet worden vernietigd. Vergunninghouder heeft het college immers op 22 f