Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-05-13
ECLI:NL:RBNHO:2026:5735
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/368453 / HA ZA 25-463 Vonnis van 13 mei 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, advocaat: mr. M.B. Bollen, tegen 1. de ontbonden vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid [VvE Bungalowpark] , te [woonplaats] , advocaat: mr. L.E. Huard,2. de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHATZENBURG B.V. , te Menaldum, gemeente Menaldumadeel, advocaat: mr. K. Straathof, gedaagde partijen, en 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LECC EXPLOITATIE DE HORN B.V. , te Tuitjenhorn, gemeente Schagen, gevoegde partij aan de zijde van de gedaagde partijen, advocaat: mr. K. Straathof. Partijen zullen hierna [eiser] , de VvE, Schatzenburg en Lecc Exploitatie genoemd worden. De zaak in het kort Lecc Exploitatie exploiteert een bungalowpark. [eiser] is eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark. [eiser] is van mening dat een aantal artikelen uit de leveringsakte van 2003 (waaronder een kettingbeding) ontbonden dan wel waardeloos verklaard moeten worden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De leveringsakte kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van de koopovereenkomst. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat in een groot aantal uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam al is geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie daarvan. Gelet daarop is er nog wel een schuldeiser die [eiser] kan aanspreken op grond van de leveringsakte. [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten die hoger zijn dan het gebruikelijke liquidatietarief, omdat er sprake is van misbruik van recht. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 december 2025; - de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Bollen heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen; - het door mr. Bollen ter zitting overgelegde kadasterdocument. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Bungalowpark De Horn (hierna: het bungalowpark) is een in Dirkshorn gelegen bungalowpark met circa 250 houten en circa 90 stenen huisjes. 2.2. Op enig moment heeft De Horn B.V. het bungalowpark gekocht. De Horn B.V. heeft in 2003 de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. verkocht daarnaast houten huisjes met ondergrond aan particulieren. 2.3. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De in die algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva van het bungalowpark (behoudens registergoederen en daaraan verbonden leningen) zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie. 2.4. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij aan Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven. 2.5. [eiser] is sinds 2003 eigenaar van een kadastraal perceel met daarop een houten huisje. Sinds 2015 is hij ook eigenaar van een tweede huisje. 2.6. In de akte van levering van 12 december 2003 bij de koop van het eerste huisje is op pagina 6 en volgende onder andere het volgende opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen: “ Gebruik gemeenschappelijke voorzieningen Artikel 1 a. De koper is bevoegd gebruik te maken van de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen welke in het bungalowpark waarin het hierbij verkochte is gelegen, zijn aangebracht. De koper dient jaarlijks aan de beheerder een bedrag van vier honderd vijftig euro € 450,00) exclusief omzetbelasting te betalen als bijdrage in de kosten (…). (…) Instandhoudin gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij de akte van levering van 29 december 2003 heeft Schatzenburg het resterende deel van haar eigendom verkocht aan de VvE. In deze akte van levering zijn alle rechten van Schatzenburg op [eiser] aan de VvE gecedeerd. Schatzenburg is per 8 februari 2016 ontbonden, terwijl de VvE is ontbonden per 27 december 2022. Er is derhalve thans niemand meer die [eiser] kan aanspreken op grond van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003. Op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW verzoekt [eiser] dan ook dat de overeenkomst tussen [eiser] en de VvE wordt ontbonden, in die zin dat de artikelen 1, 2, 3 en 5 geen toepassing meer kennen. Volgens [eiser] is het namelijk in strijd met het algemeen belang om een verplichting te laten voortduren waar niemand belang meer bij heeft. Daarnaast is er geen schuldeiser meer, Schatzenburg heeft immers haar rechten gecedeerd aan de VvE en die laatste is ontbonden. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 BW. 3.3. De VvE voert aan dat zij in 2012 haar registergoederen aan [naam 1] heeft geleverd en dat de VvE in 2016 is ontbonden. Voor het overige heeft de VvE zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.4. Lecc Exploitatie en Schatzenburg voeren verweer. 3.4.1. Lecc Exploitatie heeft aangevoerd dat de toenmalige eigenaren het bungalowpark hebben verkocht aan De Horn B.V. In 2003 heeft De Horn B.V. vervolgens de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. heeft daarnaast de houten huisjes met ondergrond en parkeerplaatsen aan particulieren verkocht. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan [naam 1] . De in de algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag nog geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva (behoudens de registergoederen en daaraan verbonden leningen) van het bungalowpark zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven. Lecc Exploitatie voert aan dat de vorderingen voortvloeiende uit het kettingbeding steeds rechtsgeldig zijn gecedeerd aan de rechtsopvolgers en dat zij [eiser] kan aanspreken op basis van dat kettingbeding. [eiser] is dan ook gebonden aan het kettingbeding zoals in de akte van levering van 12 december 2003 opgenomen. Dit is al in meerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam bepaald. Bovendien weet [eiser] dat hij de rechtbank verkeerd voorlicht door te stellen dat er geen partij meer is die hem kan aanspreken op basis van het kettingbeding en gebruikt hij steeds al in eerder gevoerde procedures aangevoerde (en in die procedures beoordeelde) argumenten opnieuw. 3.4.2. Schatzenburg heeft samengevat aangevoerd dat [eiser] het tegen beter weten in doet voorkomen alsof er na het cederen van alle rechten door Schatzenburg aan de VvE geen nadere cessie heeft plaatsgevonden. Dit terwijl bij vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2016 is overwogen dat de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. jegens [eiser] voortvloeiend uit het kettingbeding in de akte van levering van 12 december 2003 steeds rechtsgeldig van kracht zijn gebleven en op correcte wijze zijn overgedragen aan de opeenvolgende kopers. [eiser] is dan ook gehouden een parkbijdrage te betalen aan Lecc Exploitatie. [eiser] heeft de rechtbank gelet op het voorgaande bewust onjuist en onvolledig voorgelicht en daarmee bewust in strijd met 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) gehandeld. 3.5. Op de ste [eiser] heeft weliswaar op de zitting erkend dat in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam (onder andere) is uitgemaakt dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie, maar volgens hem heeft het gerechtshof Amsterdam in 2016 met haar uitspraak een juridische dwaling begaan en is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor het gezag van gewijsde doorbroken zou moeten worden. [eiser] voert daar grofweg drie argumenten voor aan: (1) het door [eiser] ter zitting overgelegde kadaster-stuk van 12 juli 2011; (2) een verklaring van notaris Sterel uit 2012 naar aanleiding van een door [eiser] tegen Sterel ingediende klacht; en (3) het feit dat [eiser] geen cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 heeft ingesteld omdat hij geen cassatieadvocaat kon vinden die heil zag in een cassatieberoep en hij daarvoor bovendien onvoldoende steun kreeg vanuit de VvE. 4.7. De rechtbank komt tot de conclusie dat het gezag van gewijsde niet doorbroken kan worden. [eiser] heeft ten eerste niet toegelicht wat hij met het door hem ter zitting ingebrachte kadaster-stuk van 12 juli 2011 wil aantonen, zodat dit geen onderbouwing van zijn standpunt vormt. Voor zover [eiser] zich verder beroept op een volgens hem nieuw aan het licht gekomen verklaring van notaris Sterel, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze verklaring reeds uit 2012 stamt en, zoals aangevoerd door Lecc Exploitatie, die verklaring gaat over de vraag of [naam 1] en Lecc Exploitatie huisjeseigenaren kunnen houden aan verplichtingen die zij jegens de VvE op zich hebben genomen door ondertekening van een beheersovereenkomst. Dat onderwerp en deze verklaring zijn eerder al aan de orde is gekomen in het arrest van 5 februari 2019, zodat ook dit geen nieuw feit is of nieuwe omstandigheden zijn. Verder staat vast dat [eiser] geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016. Dat heeft tot gevolg dat hij aan het oordeel van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 is gebonden. Waarom [eiser] geen cassatie heeft ingesteld, is niet relevant. 4.8. De conclusie is dan ook dat ook deze rechtbank is gebonden aan de eerder (onherroepelijk) gedane uitspraken, waaronder de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016, over het rechtsgeldig cederen van het kettingbeding aan Lecc Exploitatie. Deze uitspraak is immers in gezag van gewijsde gegaan en het gezag van gewijsde kan op grond van het voorgaande niet worden doorbroken. Proceskosten 4.9. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Lecc Exploitatie heeft verzocht om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief, omdat [eiser] volgens haar misbruik van procesrecht maakt. Er is onder andere sprake van misbruik van procesrecht als het innemen van stellingen - gelet op de evidente ongegrondheid daarvan - in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat is hier het geval. [eiser] had op voorhand moeten begrijpen dat zijn herhaalde stellingen over (kort gezegd) het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie geen kans van slagen hadden, omdat daarop al onherroepelijk door deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam is beslist. Door die stellingen in de onderhavige procedure opnieuw in te nemen, heeft [eiser] onnodig en tegen beter weten in geprocedeerd. Daardoor heeft hij gedaagden nodeloos op (extra) kosten gejaagd. Bovendien heeft [eiser] de rechtbank bij dagvaarding onvolledig en onjuist voorgelicht door achterwege te laten dat er eerdere procedures tussen partijen zijn gevoerd waarin al is bepaald dat Lecc Exploitatie recht heeft op de parkbijdrage door geldige cessies van het kettingbeding. Daarmee heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 21 Rv. Daarom is afwijking van het uitgangspunt dat het salaris advocaat volgens het toepasselijke liquidatietarief wordt berekend gerechtvaar