Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-05-20
ECLI:NL:RBNHO:2026:5673
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/1694 tot en met HAA 25/1699 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 20 mei 2026 in de zaken tussen [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] ( [land] ), eiseres (gemachtigde: mr. J.A. Biermasz), en de inspecteur van de Douane, verweerder. Inleiding In deze beroepen beoordeelt de rechtbank of verweerder verzoeken om terugbetaling van aanvullende rechten voor bepaalde staalproducten uit India terecht heeft afgewezen. Op diverse data heeft eiseres in één geschrift zowel bezwaren tegen uitnodigingen tot betaling (utb’s) als verzoeken om terugbetaling ingediend. De verzoeken om terugbetaling betroffen aanvullende rechten van in totaal € 94.861,74. Verweerder heeft de verzoeken om terugbetaling afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aan verweerder verzocht om in te stemmen met een rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft ingestemd met rechtstreeks beroep en heeft bij brief van 7 februari 2025 de bezwaarschriften van eiseres, met bijlagen, toegezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek om rechtstreeks beroep ingewilligd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 18 november 2025 ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de beroepen een regiezitting gehouden, waarbij de meervoudige douanekamer mr. C.A. Schreuder op grond van 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht uit haar midden heeft aangewezen als rechter-commissaris. Namens eiseres zijn toen verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] ( [bedrijf 1] LLP). Namens verweerder zijn toen verschenen: mr. [naam 2] en [naam 3] . Na de regiezitting heeft de rechtbank de (inhoudelijke) behandeling aangehouden tot de zitting van 24 maart 2026. Partijen hebben voor deze zitting nadere stukken ingediend: verweerder met dagtekening 3 december 2025 en eiseres met dagtekening 23 januari 2026. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 maart 2026. Namens eiseres zijn verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en [naam 4] (beiden van [bedrijf 1] LLP), [naam 5] (directeur van [bedrijf 2] Ltd), [naam 6] (Staff Member van [bedrijf 3] B.V. en douane-expediteur van [bedrijf 4] B.V.) en [naam 7] en [naam 8] (beiden tolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. dr. [naam 9] en drs. [naam 10] . Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met beroepen van diverse andere eiseressen, waarin de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (Verordening 2019/159) en afwijzing van verzoeken om terugbetaling van aanvullende rechten voor bepaalde staalproducten uit India ook in geschil is. In die beroepen doet de rechtbank vandaag ook uitspraak. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is een groothandel en detailhandel in industriële goederen. Haar werkzaamheden bestaan onder andere uit handel in roestvrij staal, handel in metalen en metaalproducten. 2. Eiseres heeft in de periode van het eerste kwartaal van 2022 tot en met het derde kwartaal van 2023 aangiften voor het vrije verkeer gedaan van staalproducten uit India van de productcategorieën 14 en 15 uit Bijlage IV.1 van Verordening 2019/159. Daarbij deed zij een beroep op de toepassing van de voor deze producten geldende contingenten (098871 en 098876). Op de dagen dat eiseres haar aangiften indiende en deze werden aanvaard, werd in de kwartalen in geding telkens in totaal een grotere aanspraak gemaakt op de geldende contingenten dan de hoeveelheid die van die contingenten beschikbaar was. Met toepassing van artikel 51, vierde lid, van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 (de UVo.DWU) werden de contingenten telkens op een deel van de aangegeven staalproducten toegepast. Voor de overige delen was eiseres de aanvullende rechten van 25% verschuldigd. 3. Het argument inzake gebrekkige motivering kan verweerder niet volgen nu verweerder in de bezwaarprocedure zo nodig de motivering had kunnen aanvullen, maar eiseres zelf heeft verzocht om rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Beoordeling van het geschil 7. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Omvang van het geding 8. Eiseres heeft verweerder verzocht om terugbetaling inzake door haar betaalde aanvullende rechten voor kwartalen vanaf begin 2022. De nu voorliggende verzoeken betreffen slechts een deel van die verzoeken: bepaalde kwartalen in 2022 tot en met het derde kwartaal van 2023 (zie overweging 3). Eiseres en verweerder hebben afgesproken om de behandeling van verzoeken om terugbetaling van ná het eerste kwartaal van 2024 aan te houden totdat de rechter heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van de afwijzing van de nu voorliggende verzoeken. Voor zover eiseres in de nu voorliggende beroepen verzoeken betrekt van na het eerste kwartaal van 2024, vallen deze buiten de omvang van het geding. Ter zitting heeft eiseres haar verzoek om het besluit van verweerder om de zaak niet aan Commissie voor te leggen, nietig te verklaren, ingetrokken. Zij acht dit besluit niet appellabel. Ook heeft zij ter zitting haar beroepsgrond over schending van het motiveringsbeginsel ingetrokken. Vergissing van de douaneautoriteiten, artikelen 116 en 119 van het DWU 9. Eiseres voert specifiek het volgende aan ter onderbouwing van haar beroep op artikel 119 van het DWU. Door het traditionele systeem van beheer van tariefcontingenten niet aan te passen aan de complexiteit van het instellen van vrijwaringsmaatregelen voor 26 productcategorieën, heeft de Commissie de beginselen van transparantie en voorspelbaarheid geschonden. De Commissie had geen tariefcontingenten moeten instellen maar een vergunningstelsel. Verder heeft de Commissie de stand van de contingenten slechts éénmaal per dag bijgewerkt. Dit is veel te weinig om te voldoen aan de vereisten van voorspelbaarheid. Ten onrechte heeft de Commissie niet het beginsel “wie het eerst komt, wie het eerst maalt” toegepast, door de beschikbare tariefcontingenten te verdelen over alle aangiften die op een uitputtingsdag zijn gedaan en de contingenten niet toe te wijzen aan de eerste aangiften van die dag. Ook heeft de Commissie pas in 2025 een specifiek landencontingent opgenomen voor China in productcategorie 14. De Commissie heeft toegestaan dat de landencontingenten van het Verenigd Koninkrijk en Oekraïne grotendeels ongebruikt bleven terwijl de landencontingenten van India steeds heel snel uitgeput waren. Verder heeft de Commissie een te geringe liberalisering van de vrijwaringsmaatregelen toegepast. Omdat verweerder deze onwettige praktijken en handelingen van de Commissie heeft gevolgd, heeft hij een vergissing in de zin van artikel 119 van het DWU begaan. 10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de klachten van eiseres zien op handelingen van de Commissie in het kader van haar wetgevende taken en niet ten aanzien van haar uitvoerende taken. Handelingen van de Commissie als Uniewetgever worden niet verricht in de hoedanigheid van douaneautoriteit en kunnen daardoor niet worden getoetst aan artikel 119 van het DWU. 11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op een vergissing in de zin van artikel 119 van het DWU niet kan slagen. 11.1 In artikel 119, eerste lid, van het DWU gaat het om vergissingen van de bevoegde autoriteiten waardoor het oorspronkelijk als douaneschuld meegedeelde bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag. Bij eiseres is geen sprake van een hogere vaststelling dan een oorspronkelijk meegedeeld bedrag. Zij richt zich tegen de verschuldigdheid van het oorspronkelijk meegedeelde bedrag zelf: de gestelde vergissingen van de Commissie, en in het verlengde daarvan, verweerder, hebben geleid tot de mededel Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 120 van het DWU omdat eiseres zich niet in een bijzondere situatie bevindt ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten. Elke importeur van bepaalde soorten staalproducten wordt in beginsel getroffen door de vrijwaringsmaatregelen van Verordening 2019/159. Iedere andere marktdeelnemer die op de eerste dag van de opening van een contingent (de eerste dag van een nieuw kwartaal) aangifte voor het vrije verkeer doet van staal uit India van categorie 14 of 15, zou geconfronteerd kunnen worden met een uitputting van het tariefcontingent. Eiseres verkeert dus in dezelfde situatie als andere importeurs van Indiaas staal. Haar positie moet niet worden vergeleken met die van importeurs van staal van dezelfde productcategorieën uit andere landen, zoals eiseres betoogt, omdat die importeurs gebruik maken van andere tariefcontingenten. 14. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich niet bevindt in een uitzonderlijke situatie ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten. Contingenten en de hoogte ervan worden in Verordening 2019/159 bij uitstek landenspecifiek vastgesteld. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich in dezelfde situatie bevindt als andere importeurs die Indiaas staal uit productcategorie 14 of productcategorie 15 hebben ingevoerd. Deze zijn gelijkelijk geconfronteerd met de uitputting van dezelfde contingenten. Daarbij heeft verweerder het begrip “deelnemers die dezelfde activiteit verrichten” van art 120 van het DWU niet verkeerd uitgelegd. De positie van eiseres in deze moet namelijk worden vergeleken met de positie van andere importeurs van Indiaas staal en niet met importeurs die te maken hebben met contingenten die gelden voor staal uit andere landen. Dat een contingent voor staal uit India in de tijd eerder is uitgeput dan contingenten uit andere landen, is geen uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 120 van het DWU: iedere importeur van staal uit India krijgt daarmee te maken, zodat deze omstandigheid een onbepaald aantal marktdeelnemers raakt. Verder is niet is gebleken dat het beheer van de contingenten van staal uit India op een andere wijze heeft plaatsgevonden dan andere contingenten. Voor zover eiseres haar beroep op artikel 120 van het DWU baseert op de gronden die zij ook heeft aangevoerd in haar beroepen die zijn aangevangen met het bezwaar van eiseres tegen de utb’s voor de in geding zijnde aanvullende rechten of op andere gronden, gericht tegen de verbindendheid van Verordening 2019/159, verwijst de rechtbank naar overweging 11.3 van deze uitspraak. Verweerder heeft het verzoek om terugbetaling op grond van artikel 120 van het DWU terecht afgewezen. Procedure van artikel 116, derde lid, van het DWU 15. Gelet op het bovenstaande was verweerder niet gehouden de verzoeken om terugbetaling voor te leggen aan de Commissie. De procedure van artikel 116, derde lid, van het DWU is namelijk, anders dan eiseres kennelijk meent, niet bedoeld om in algemene zin de Commissie te laten beslissen over argumenten in verzoeken om terugbetaling. Slechts in de gevallen waarin een nationale douaneautoriteit zoals verweerder zelf meent dat terugbetaling of kwijtschelding moet worden verleend, legt deze autoriteit op grond van artikel 116, derde lid, van het DWU het dossier voor aan de Commissie. Verweerder heeft de verzoeken om terugbetaling afgewezen, zodat hij niet gehouden was de verzoeken voor te leggen aan de Commissie. Sturing door de Commissie? 16. Eiseres stelt dat verweerder zich heeft laten leiden door de Commissie. Dit omdat er een onverklaarbaar lange tijdspanne is verlopen tussen de besprekingen die eiseres met verweerder had over de verzoeken om terugbetaling en de afwijzing van deze verzoeken. Zij stelt dat verweerder contact heeft gehad met de Commissie over de verzoeken en stelt, als dit niet het geva 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (herschikking) (DWU) Artikel 116 van het DWU luidt, voor zover van belang, als volgt: Algemene bepalingen 1. Onder de bij deze afdeling vastgestelde voorwaarden wordt overgegaan tot terugbetaling of kwijtschelding van bedragen aan invoer- of uitvoerrechten, om elk van de volgende redenen: a. a) invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht; b) goederen die gebreken vertonen of goederen die niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn; c) vergissing van de bevoegde autoriteiten; d) billijkheid. (…) 2. (…) 3. Indien de douaneautoriteiten van mening zijn dat terugbetaling of kwijtschelding moet worden verleend op basis van artikel 119 of 120, legt de betrokken lidstaat het dossier met het oog op een beschikking voor aan de Commissie in de volgende gevallen: a. a) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de bijzondere omstandigheden het gevolg zij van het feit dat de Commissie haar verplichtingen niet is nagekomen; b) indien de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de Commissie een vergissing heeft begaan in de zin van artikel 119; c) (…) d) indien het bedrag waarvoor de betrokkene met betrekking tot één of meer invoer- of uitvoertransacties aansprakelijk kan zijn, door een vergissing of bijzondere omstandigheden gelijk is aan of hoger is dan 500 000 EUR. Niettegenstaande de eerste alinea, worden dossiers niet voorgelegd in de volgende gevallen: a. a) indien de Commissie reeds een beschikking heeft verleend in een zaak die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is; b) indien bij de Commissie reeds een zaak is ingeleid die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is. (…). Artikel 117 van het DWU luidt, voor zover van belang, als volgt: Invoer- of uitvoerrechten die te veel in rekening zijn gebracht 1. Een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten wordt terugbetaald of kwijtgescholden indien het bedrag dat correspondeert met de aanvankelijk meegedeelde douaneschuld het verschuldigde bedrag overschrijdt (…). 2. Wanneer het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding is gegrond op het bestaan, op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen, van een verlaagd recht of een nulrecht bij invoer in het kader van een tariefcontingent, een tariefplafond of een andere gunstige tariefbehandeling, wordt de terugbetaling of kwijtschelding slechts verleend indien, op het tijdstip waarop het verzoek, voorzien van alle nodige bescheiden, wordt ingediend, is voldaan aan een van de volgende voorwaarden: a. a) indien het een tariefcontingent betreft, dit niet is uitgeput; b) in de overige gevallen, het normaal verschuldigde recht niet opnieuw is ingesteld. Artikel 119 van het DWU luidt, voor zover van belang, als volgt: Vergissing van de bevoegde autoriteiten 1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en in de artikelen 117, 118 en 120 genoemde gevallen, wordt een bedrag aan invoer- of uitvoerrechten terugbetaald of kwijtgescholden wanneer, als gevolg van een vergissing van de bevoegde autoriteiten, het met de oorspronkelijk meegedeelde douaneschuld overeenkomende bedrag lager was dan het verschuldigde bedrag, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. a) de schuldenaar had de vergissing redelijkerwijze niet kunnen ontdekken; en b) de schuldenaar heeft te goeder trouw gehandeld. 2. Indien de in artikel 117, lid 2, genoemde voorwaarden niet zijn vervuld, wordt terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer het verlaagde recht of het nulrecht als gevolg van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, niet werd toegepast op goederen waarvan de douaneaangifte voor het vrije verkeer alle gegevens bevatte en vergezeld was van alle voor de toepassing van het verlaagde recht of het nulrecht vereiste documenten. 3. (…). Artikel 120 van het DWU luidt als volgt: Billijkheid 1. In andere dan de in artikel 116, lid 1, tweede alinea, en de artikelen