Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-05-20
ECLI:NL:RBNHO:2026:5666
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 24/3998 tot en met HAA 24/4005 en HAA 24/4653 uitspraak van de meervoudige douanekamer van 20 mei 2026 in de zaken tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.A. Biermasz), en de inspecteur van de Douane, verweerder. Inleiding Deze beroepen gaan over Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (Verordening 2019/159), in het bijzonder over de vraag of prejudiciële vragen gesteld zouden moeten worden aan het Hof van Justitie of deze verordening (met de daaropvolgende wijzigingsverordeningen) geldig is ten aanzien van tariefcontingenten voor bepaalde staalproducten uit India. Verweerder heeft aan eiseres diverse uitnodigingen tot betaling (utb’s) uitgereikt voor een bedrag van in totaal € 1.622.669,28 aan aanvullende rechten. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen de utb’s ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroepen ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 18 november 2025 ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de beroepen een regiezitting gehouden, waarbij de meervoudige douanekamer mr. C.A. Schreuder op grond van 8:12 van de Algemene wet bestuursrecht uit haar midden heeft aangewezen als rechter-commissaris. Namens eiseres zijn toen verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] ( [bedrijf 1] LLP). Namens verweerder zijn toen verschenen: mr. [naam 2] en [naam 3] . Na de regiezitting heeft de rechtbank de (inhoudelijke) behandeling aangehouden tot de zitting van 24 maart 2026. Partijen hebben vóór deze zitting nadere stukken ingediend: verweerder met dagtekening 3 december 2025 en eiseres met dagtekening 23 januari 2026. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 24 maart 2026. Namens eiseres zijn verschenen: haar gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] en [naam 4] (beiden van [bedrijf 1] LLP), [naam 5] (directeur van [bedrijf 2] Ltd), [naam 6] (Staff Member van [bedrijf 3] B.V. en douane-expediteur van eiseres) en [naam 7] en [naam 8] (beiden tolk). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] , mr. dr. [naam 9] en drs. [naam 10] . Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met beroepen van diverse andere eiseressen, waarin de geldigheid van Verordening (EU) 2019/159 ook in geschil is. In die beroepen doet de rechtbank vandaag ook uitspraak. Overwegingen Feiten 1. Eiseres is een groothandel in (non) ferrometalen en -halffabrikaten. Haar activiteiten bestaan onder andere uit het opslaan van en handelen in roestvrij staalproducten. 2. Eiseres heeft in de periode van het tweede kwartaal 2022 tot en met het eerste kwartaal van 2024 in diverse kwartalen aangiften voor het vrije verkeer gedaan van staalproducten van oorsprong uit India van de productcategorieën 14 en 15 uit Bijlage IV.1 van Verordening 2019/159 (staal uit India). Productcategorieën 14 en 15 behoren beide tot de in de staalindustrie gebruikelijk te onderscheiden productfamilie “lange producten”. Categorie 14 betreft staven en lichte profielen van roestvrij staal. Categorie 15 betreft walsdraad van roestvrij staal. Bij de aangiften in de kwartalen in geding deed eiseres een beroep op de toepassing van de voor deze producten geldende contingenten (098871 respectievelijk 098876). 3. In de kwartalen in geding werd telkens in totaal een grotere aanspraak gemaakt op de geldende contingenten dan dat er van die contingenten beschikbaar was, zodat de contingenten telkens op een deel van de aangegeven staalproducten werden toegepast en eiseres voor de overige delen de aanvullende rechten van 25% verschuldigd was. 4. De aangiften in geding betreffen voor categorie 14: het tweede en derde kwartaal van 2022, het eerste tot en met het vierde kwartaal van 2023 en het eerste kwartaal van 2024. De aangiften in geding betreffen v Dat de staalproducten bestaan uit veel categorieën en veel verschillende goederencodes maakt het beheer (de aanvraag en raadpleging) niet gecompliceerd. Door haar ervaring als professionele en deskundige marktdeelnemer zou eiseres moeten weten dat het zeer gebruikelijk is dat bepaalde tariefcontingenten op de eerste dag van beschikbaarheid van dat contingent zijn uitgeput. Als een tariefcontingent op de eerste dag uitgeput raakt, wordt elke aangever geconfronteerd met een heffing over een deel van de goederen. De situatie van eiseres is daarin niet uniek.Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Verder heeft de Commissie geen enkele rol gespeeld in de besluitvorming van verweerder. Ten laatste wijst verweerder erop dat het betoog van eiseres dat het principe “wie het eerst komt, wie het eerst maalt” zonder meer niet kan slagen voor aangiften die zijn aanvaard ná de eerste dag van het kwartaal die geen feestdag is.Verweerder ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen en concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Beoordeling van het geschil 8. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De hoofdlijn van het tariefcontinentensysteem is als volgt. Het tariefcontingentensysteem van Verordening 2019/159 9. Bij Verordening 2019/159 heeft de Europese Unie definitieve vrijwaringsmaatregelen getroffen op de invoer van staal van 26 productcategorieën. Voor deze productcategorieën is een vrijwaringsmaatregel (aanvullend recht) van 25% ingesteld. Om de traditionele handelsstromen te beschermen en in het kader van het verzoenen van conflicterende belangen, waaronder de belangen van importeurs en van gebruikers, wordt binnen de vrijwaringsmaatregel per kwartaal een hoeveelheid staal, per productcategorie en per exporterend land, uitgezonderd van het aanvullend recht. Daarbij is gekozen voor een gemengde aanpak: naast een landenspecifiek contingent wordt een residueel contingent toegewezen. Krachtens artikel 3 van Verordening 2019/159 worden de vastgestelde contingenten door de Commissie en de lidstaten beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten van de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU. 10. Artikel 49, eerste lid, van de UVo.DWU bepaalt dat tariefcontingenten worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer waarin een beroep wordt gedaan op een contingent. Overeenkomstig artikel 54 van de UVo.DWU sturen de lidstaten de gegevens van deze aangiften door naar de Commissie. De Commissie wijst vervolgens de hoeveelheden toe uit de betreffende contingenten (artikel 51, derde lid, van de UVo.DWU). De toewijzing kan niet eerder plaatsvinden dan op de tweede werkdag na de datum van aanvaarding van de aangifte (artikel 51, tweede lid, van de UVo.DWU). Wanneer op een dag van toewijzing de som van de hoeveelheid van alle aanvragen uit aangiften die op dezelfde dag zijn aanvaard, groter is dan het resterende saldo van het tariefcontingent, wordt het resterende saldo naar evenredigheid verdeeld over de aanvragen van die dag (artikel 51, vierde lid, van de UVo.DWU). 11. Eiseres trekt de rechtsgeldigheid van artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU niet in twijfel. De rechtbank gaat van de geldigheid van deze bepalingen uit. Het oogmerk van deze bepalingen is een juiste en uniforme toepassing van de tariefcontingenten. Dit blijkt ook uit de overwegingen in de UVo.DWU: “Overwegende dat de regels voor het beheer van deze tariefcontingenten een gelijke en eerlijke behandeling van alle importeurs in de Gemeenschap moeten waarborgen; dat derhalve dient te worden gewaarborgd dat die tariefcontingenten, tot zij zijn uitgeput, voor alle importeurs steeds gelijkelijk en ononderbroken toegankelijk zijn en dat toewijzingen eenmaal per werkdag dienen te gebeuren, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is.” 12. Voor zover de achtergrond van het betoog van eiseres is dat Verordening 2019/159 Eiseres betoogt meer in het bijzonder dat voor China ten onrechte niet bij aanvang, dus in Verordening 2019/159, een landenspecifiek contingent is ingesteld. Pas bij de wijziging van de verordening per 1 maart 2025 is een dergelijk contingent ingesteld. Dit is veel te laat geweest. De importeurs van Chinees staal van categorie 14 hebben daardoor onevenredig geprofiteerd van het residuele contingent. Uit een door haar overgelegde staat met gegevens van Chinese export naar de EU in categorie 14 over de periode 2020 – 2024 concludeert zij dat het marktaandeel van China in dit segment in die periode meer is geworden dan 5%. Uit de staat blijkt namelijk dat in 2020 het Chinese deel in deze categorie 4,64% bedroeg, in 2021 was dit 8,55%, in 2022 was dit 8,97%, in 2023 was dit 7,46% en in 2024 was dit 4,7%. Op grond daarvan had eerder een landenspecifiek contingent voor Chinees staal van categorie 14 moeten worden ingesteld.Verder leidt het niet volledig gebruiken van de landenspecifieke contingenten van Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk ertoe dat eiseres gediscrimineerd wordt. Geen landenspecifiek contingent voor China 16. Uit Bijlage III.2 van Verordening 2019/159, gelezen in samenhang met Bijlage II van Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2037 van de Commissie van 10 december 2020, en overweging 121 van Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1029 van de Commissie van 24 juni 2021 (Verordening 2021/1029) volgt dat China - anders dan India - voor productcategorie 14 werd aangemerkt als ontwikkelingsland waarvoor geen contingent werd vastgesteld. In zoverre mist het betoog van eiseres doel: de situaties van India en China zijn niet vergelijkbaar. Verder overweegt de rechtbank dat het eiseres vrij stond om staal te importeren dat werd ingevoerd binnen het residuele contingent of binnen een ander landenspecifiek contingent dan India. Voor zover zij de keuze maakte om staal te importeren uit India, is zij niet anders behandeld dan andere importeurs van staal uit India. 17. Overschrijding van de drempel van een invoervolume van 5% behoeft niet tot het onmiddellijk instellen van een tariefcontingent voor het betreffende land te leiden. Bij het voorbereiden van de vrijwaringsmaatregelen heeft de Commissie de traditionele handelsstromen, waaronder de handelsstroom uit China, betrokken in haar analyse. Zodoende is (onder andere) voor staal van categorie 15 afkomstig uit China een contingent vastgesteld. 17.1 Bij de verlenging van de vrijwaringsmaatregelen (bij Verordening 2021/1029) heeft de Commissie aandacht geschonken aan de positie van Chinees staal op de wereldmarkt. De Commissie heeft ontwikkeling van de invoer en het marktaandeel, ontwikkeling van het gebruik van tariefcontingenten, ontwikkeling van de wereldwijde uitvoer door de belangrijkste staalexporterende landen en van het verbruik op hun binnenlandse markten, wereldwijde overcapaciteit, maatregelen van de VS op grond van Section 232, situatie van handelsbeschermings- en handelsbeperkende maatregelen in derde landen en aantrekkelijkheid van de markt van de Unie in haar beoordeling betrokken. 17.2 Bij de wijziging en verlenging van de vrijwaringsmaatregel in 2024 bij Uitvoeringsverordening (EU) 2024/1782 van de Commissie van 24 juni 2024 (Verordening 2024/1782) heeft de Commissie vorengenoemde aspecten ook betrokken, en daarbij nog twee andere aspecten: maatregelen van andere derde landen dan de VS en marktvooruitzichten. Zij heeft toen onder andere overwogen dat “de sterke toename van de uitvoer uit China leidde tot extra concurrentiedruk op derde markten, waarbij volumes van andere landen van uitvoer werden verdrongen, een trend die in de nabije toekomst niet lijkt te zullen worden gekeerd” . De uitvoer uit China op de wereldmarkt (inclusief de EU) is dus uitdrukkelijk in de beoordeling betrokken en de Commissie heeft (tot en met 2024) geen aanleiding gezien voor het instellen van een contingent voor de invoer van staal van productcategorie 14 van oorsprong uit China. 17.3 Naar het oo Ook voor productcategorie 15 is het contingent per kwartaal verhoogd met 5%, namelijk van 6 830,52 naar 7 167,73 ton netto. 22.4 Bij de wijziging en verlenging van de vrijwaringsregeling bij Verordening 2024/1782 heeft de Commissie de snelle uitputting van bepaalde tariefcontingenten betrokken, en in het bijzonder de omstandigheid dat een aanzienlijk aantal van deze tariefcontingenten was uitgeput door enkele van de belangrijkste landen die staal uitvoeren naar de Europese Unie (China, India, Korea, Taiwan en Turkije). Soortgelijke uitvoerpatronen had de Commissie ook vastgesteld in Verordening 2021/1029. De Commissie heeft de snelle uitputting van tariefcontingenten dus uitdrukkelijk onder ogen gezien en daarin geen aanleiding gezien de contingenten van staal uit India in productcategorieën 14 en 15 verder te verhogen. 22.5 Het argument dat de contingenten zo snel uitgeput zijn, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat een onjuiste omvang van het contingent is vastgesteld voor het nu in geding zijnde staal dat eiseres uit India heeft ingevoerd. In dit verband wijst de rechtbank ook op Verordening 2024/1782 - meer in het bijzonder op overwegingen 121 tot en met 124 van die verordening - waarin de Commissie in algemene zin het argument van sommige belanghebbenden dat bepaalde contingenten snel of consistent uitgeput raken, heeft beoordeeld en afgewezen. De Commissie licht in overweging 158 van Verordening 2024/1782 toe dat ten aanzien van de traditionele handelsstromen wordt uitgegaan van de handelsstromen zoals die bestonden vóór de invoering van de maatregel en niet naar handelsstromen zoals die tijdens de maatregelen zijn gewijzigd, zoals eiseres voorstaat. 22.6 Het betoog van eiseres dat de contingenten voor staal van productcategorieën 14 en 15 van oorsprong uit India hoger hadden moeten worden vastgesteld, treft geen doel. Onvoldoende liberalisering? 23. Eiseres betoogt dat de Commissie, in weerwil van haar verplichting daartoe, onvoldoende is overgegaan tot liberalisering van de vrijwaringsmaatregelen voor productcategorie 14. Zij stelt dat liberalisering nauwelijks heeft plaatsgevonden en wijst erop dat de quotaniveaus met 3% per jaar zijn geliberaliseerd van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2022, vanaf 1 juli 2022 met 4% per jaar, vanaf 1 juli 2024 met 1% en ten slotte vanaf 1 april 2025 met 0,1%. Volgens de rechtbank volgt uit het betoog van eiseres dat de Commissie de niveaus van het contingent wel degelijk heeft geliberaliseerd. Zoals verweerder terecht opmerkt, voldoet zelfs een minimale liberalisering aan de vereisten van Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015. Voor de periode in geding heeft het liberaliseringspercentage tussen de 1 en 4% gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de regels inzake vrijwaringsmaatregelen niet geschonden door de mate van liberalisering. Geschiktheid van het door de Commissie gekozen systeem 24. Eiseres betoogt dat ook andere systemen van verdeling of contingenten gekozen hadden kunnen worden waardoor de voorspelbaarheid groter zou zijn geweest. Als voorbeeld noemt zij een vergunningstelsel. De rechtbank wijst allereerst op de terughoudende toets die zij in deze heeft te betrachten (zie overweging 12). In overwegingen 151 en verder van Verordening 2019/159 heeft de Commissie gemotiveerd waarom zij met het oog op voorspelbaarheid niet heeft gekozen voor een vergunningstelsel. De Commissie heeft daar overwogen dat een vergunningstelsel niet noodzakelijk is omdat gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van de invoer onder tariefcontingenten en het gebruik van rechtenvrije contingenten publiekelijk beschikbaar zijn en dagelijks worden geactualiseerd. Verder draagt de landenspecifieke toewijzing bij aan de voorspelbaarheid voor traditionele leveranciers en gebruikers en is het voor landen waarvan het landenspecifieke contingent is uitgeput mogelijk om in het laatste kwartaal van een periode gebruik te maken van het residu Het gegeven dat het Indiase deel van de contingenten voor productcategorieën 14 en 15 in de onderhavige periode vaak (categorie 14) of soms (categorie 15) al op de eerste dag van de opening van een contingent (per kwartaal) was uitgeput, betekent niet dat de evenredige toepassing van het contingent op de aanvraag op de uitputtingsdag onjuist is. Uitvoering van het beheer van de contingenten 29. Voor zover eiseres nader betoogt dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld in de uitvoering van het beheer van de contingenten van Verordening 2019/159, overweegt de rechtbank als volgt. 30. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat ten behoeve van de toepassing van contingenten de lidstaten elke werkdag om 13:00 uur een bestand naar de Commissie sturen, met daarin alle aanvragen voor contingenten die zijn opgespaard sinds de laatste verzending van aanvragen. De procedure die de Nederlandse douane hierbij volgt staat beschreven in het Handboek Douane, onder 6.15.2. De Commissie verzamelt de aanvragen uit alle lidstaten en wijst rond 14:30 uur die aanvragen toe waarvan de aanvaardingsdatum op dat moment twee dagen of langer geleden is. Het daarna resterende saldo wordt elke werkdag rond 19:00 uur bijgewerkt op de website van de Commissie. 31. Op deze website wordt ook de “ total awaiting allocation (indicative) ” bijgehouden, die op de website als volgt wordt toegelicht: “ The figure displayed as the "total awaiting allocation" is the aggregate total of the drawing requests received by the Commission for this tariff quota but not yet allocated. It should be noted that drawing requests under the "First-come First-served" management regime are not treated before the second working day following the date of acceptance of the customs declarations in question. Therefore, more requests than the amount indicated here may be forwarded to the Commission before the allocation is made. Consequently, if the total amount awaiting allocation exceeds or even approaches the amount indicated under "Balance" this should be taken as an indication that the quota will soon be exhausted.” 32. De verzameling van de binnengekomen aanvragen - door de nationale douaneautoriteiten en vervolgens de Commissie - en de volgtijdige toewijzing van beschikbare hoeveelheden uit de tariefcontingenten zoals in deze werkwijze beschreven, passen binnen het systeem zoals dat op grond van artikel 3 van Verordening 2019/159 en de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU is voorgeschreven. Het gegeven dat de publicatie van de nog beschikbare hoeveelheden uit de contingenten minimaal twee werkdagen achterloopt op de aanvaarding van aangiften, wordt - zij het in beperkte mate - opgevangen door de gepubliceerde “ total awaiting allocation ”. Dat hieruit voortvloeit dat eiseres nooit op het moment dat zij haar aangiften indient zekerheid heeft of, en zo ja voor welk deel, haar aangiften binnen een contingent vallen, is geen gevolg van een door haar gesteld wanbeheer door de Commissie, maar van het wettelijk systeem van beheer van contingenten. Zoals hiervoor onder 28 overwogen, bestaat ten tijde van het aanvaarden van een aangifte voor het vrije verkeer geen garantie dat alle aangegeven goederen binnen het (resterende saldo van het) contingent vallen. Eiseres ziet een bevestiging van haar verwijt van wanbeheer in een e-mailbericht van 26 november 2025 van TAXUD aan haar direct vertegenwoordiger. De rechtbank leest in deze e-mail alleen een - correcte - verstrekking van algemene informatie over contingenten in het eerste kwartaal van 2026 en niet enige vorm van door eiseres gestelde onrechtmatigheid of wanbeheer. Het betoog van eiseres dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld in de uitvoering van het beheer van de contingenten, slaagt dan ook niet. Informatie over uitputting: te laat? 33. De stelling van eiseres dat zij op het moment van het indienen van de aangiften waarin zij een beroep doet op een contingent niet kan weten of er nog genoeg contingent beschikb 39. In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1013 van de Commissie van 17 juli 2018 (Verordening 2018/2013), die aan Verordening 2019/159 is voorafgegaan, zijn voorlopige vrijwaringsmaatregelen vastgesteld. In de overwegingen 112 tot en met 114 van Verordening 2018/1013 (“beheer van de contingenten”) is uiteengezet dat de tariefcontingenten zullen worden toegewezen in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer, zoals bedoeld in de UVo.DWU. In artikel 3 van die verordening is vervolgens bepaald dat de tariefcontingenten door de Commissie en de lidstaten worden beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU. 40. Ook in Verordening 2019/159 is in de overwegingen 181 tot en met 183 (“Toewijzing van de tariefcontingenten”) opgenomen dat de tariefcontingenten zullen worden toegewezen in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer zoals bedoeld in de UVo.DWU. In artikel 3 van Verordening 2019/159 is vervolgens ook bepaald dat de tariefcontingenten door de Commissie en de lidstaten worden beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 49 tot en met 54 van de UVo.DWU. In artikel 49, eerste lid, van de UVo.DWU, is opgenomen dat tariefcontingenten worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer. De werking van dit systeem wordt herhaald in artikel 51, derde lid, van de UVo.DWU. Overeenkomstig artikel 51, vierde lid, van de UVo.DWU wordt het resterende deel van een contingent op de dag van de uitputting ervan, evenredig verdeeld over de aangiften die op die dag zijn aanvaard. 41. De hiervoor opgenomen bepalingen kunnen redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat de toewijzing van contingenten van Verordening 2019/159 plaatsvindt op chronologische volgorde van de dag dat de aangiften zijn aanvaard en niet, zoals eiseres betoogt, op chronologische volgorde van het tijdstip dat de aangiften zijn ingediend. Dit blijkt ook uit de Engelstalige en Franstalige versie van overweging 181 van Verordening 2019/159 ( onderstreping door rechtbank ). “the best way of ensuring optimal use of the tariff quotas is to allocate it between the countries having a substantial interest in supplying the product concerned and, for the others, in the chronological order of the dates on which declarations of release for free circulation are accepted, as provided for in Commission Implementing Regulation (EU) 2015/2447.” “la meilleure façon de garantir une utilisation optimale des contingents tarifaires est de les répartir entre les pays ayant un intérêt substantiel dans la fourniture du produit concerné et, pour les autres, selon l'ordre chronologique des dates d'acceptation des déclarations de mise en libre pratique, comme le prévoit le règlement d'exécution (UE) 2015/2447 de la Commission.” Toepasselijkheid van artikel 1, derde lid, van Verordening 2019/159 42. Eiseres verwijst voor haar interpretatie dat de contingenten op chronologische volgorde van het tijdstip van indienen van de aangiften zouden worden verdeeld, naar artikel 1, derde lid, van Verordening 2019/159. Daarin is voor een aantal contingenten bepaald dat “de aanvragen in chronologische volgorde van binnenkomst worden behandeld”. Uit het ontbreken van de toevoeging dat het om de volgorde van data gaat, leidt eiseres af dat het gaat om de chronologische volgorde naar tijdstip , zodat haar vroegtijdige aangiften volledig onder de contingenten zouden vallen. 43. Artikel 1, derde lid, van Verordening 2019/159 is niet van toepassing op staal uit India. Het derde lid ziet op “de toewijzing van het resterende deel van elk tariefcontingent en het tariefcontingent voor productcategorie 1”. Het geschil betreft niet productcategorie 1 maar productcategorieën 14 en 15. En het “resterende d De stelling dat aangiften zijn aanvaard in dagen voorafgaand aan de dag van uitputting kan dus niet slagen.Uit de gegevens in de Tariff quota consultation database volgt dat het contingent voor productcategorie 14 in het vierde kwartaal van 2023 op zondag 1 oktober was uitgeput. Uit de aard van die datum - de eerste dag van het kwartaal - volgt dat in dat kwartaal geen aangiften kunnen zijn gedaan eerder dan de uitputtingsdag. Productcategorie 15 47.3 Uit de gegevens in de Tariff quota consultation database volgt dat het contingent voor productcategorie 15 in het vierde kwartaal van 2022 op zaterdag 1 oktober was uitgeput. Uit de aard van die datum - de eerste dag van het kwartaal - volgt dat in dat kwartaal geen aangiften kunnen zijn gedaan eerder dan de uitputtingsdag. 47.4 De rechtbank stelt vast dat de door eiseres gestelde situatie zich niet heeft voorgedaan. Van eiseres zijn geen aangiften in het geding waarin aanspraak werd gemaakt op een contingent en deze aanspraak (gedeeltelijk) niet is gehonoreerd, terwijl het contingent nog openstond. Slotsom 48. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de uitspraken op bezwaar in stand blijven. Vergoeding van immateriële schade 49. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. Haar verzoek omvat niet vergoeding van schade vanwege de duur van de beroepsfase. 49.1 De duur van de redelijke termijn in eerste aanleg (de bezwaarfase inbegrepen) is in beginsel 2 jaar. Eiseres heeft verschillende bezwaarschriften ingediend op verschillende data. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien de samenhang in de zaken, redelijk is dat de termijn aanvangt met de ontvangst van het oudste bezwaarschrift van eiseres. Verweerder heeft het oudste bezwaarschrift ontvangen op 24 mei 2022. De termijn is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 20 mei 2026. De redelijke termijn van 2 jaar is daarom overschreden met afgerond 24 (48 minus 24 maanden) maanden. Gezien het verzoek van eiseres dient de rechtbank alleen voor de bezwaarfase te beoordelen of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. In beginsel is de maximale behandelduur in bezwaar 6 maanden. Partijen zijn het erover eens dat bijzonderheden in de procedure in bezwaar een verlenging van deze maximale behandelduur rechtvaardigen. Over het aantal maanden van de verlenging verschillen zij echter van inzicht. Verweerder vindt een verlenging van 12 maanden redelijk. Eiseres vindt een verlenging van 6 maanden redelijk. Gelet op de ingewikkeldheid van de zaken (vele samenlopende procedures en omvangrijke stukken) en het procedureel verloop van de bezwaarfase, waarbij in totaal drie hoorgesprekken zijn geweest en eiseres pas op een laat tijdstip in de procedure (op 3 maart 2023) de door verweerder gewenste duidelijkheid heeft verschaft door de gronden van haar bezwaren aan te vullen, is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de maximale behandelduur met 9 maanden tot in totaal 15 maanden gerechtvaardigd is. Bij uitspraken op bezwaar van verschillende data is op de bezwaren beslist. Gezien de samenhang in de zaken is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is dat de termijn eindigt met de laatste uitspraak op bezwaar. Op 31 mei 2024 is de laatste uitspraak op bezwaar in de onderhavige zaken gedaan. Tussen de ontvangst van het oudste bezwaarschrift van eiseres (24 mei 2022) en de laatste uitspraak op bezwaar zit een tijdspanne van (afgerond) 25 maanden. De redelijke termijn voor de bezwaarfase is met 10 (25 minus 15) maanden overschreden. 49.2 De rechtbank merkt de zaken van eiseres aan als samenhangend omdat deze in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor de zaken gezamenlijk éénmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd. Gezien hiervoor berekende overschrijding van de termijn met 10 maanden, correspondeert daarmee (10 maanden afgerond naar boven: 12 maanden) een vergoeding van immateriële schade De duur van de vrijwaringsmaatregelen wordt beperkt tot de tijd die nodig is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en om de producenten in de Unie de gelegenheid te geven zich aan te passen. Deze duur kan in principe niet meer dan vier jaar bedragen, met inbegrip van de duur van de eventuele voorlopige maatregelen. 2. De oorspronkelijke duur kan worden verlengd, doch niet voor de in artikel 15, lid 4, derde alinea, bedoelde maatregelen, indien wordt vastgesteld dat: a) deze verlenging noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen; b) er bewijsmateriaal is dat de producenten in de Unie nog met aanpassingen bezig zijn. 3. De besluiten tot verlenging worden genomen op de in hoofdstuk III omschreven voorwaarden en volgens dezelfde procedures als de oorspronkelijke maatregelen. De maatregelen mogen na verlenging niet restrictiever zijn dan zij aan het einde van de oorspronkelijke periode waren. 4. Indien de duur van de vrijwaringsmaatregelen meer dan een jaar bedraagt, moet de maatregel tijdens de toepassingsperiode, met inbegrip van de verlengde periode, met regelmatige intervallen geleidelijk worden geliberaliseerd. 5. De totale toepassingsduur van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de periode van toepassing van een voorlopige maatregel, de oorspronkelijke duur van de maatregel en iedere verlenging daarvan, mag niet meer dan acht jaar bedragen. UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/2447 VAN DE COMMISSIE van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (…) TITEL II FACTOREN DIE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN DE TOEPASSING VAN INVOER- OF UITVOERRECHTEN EN ANDERE MAATREGELEN WAARAAN HET GOEDERENVERKEER IS ONDERWORPEN HOOFDSTUK 1 Gemeenschappelijk douanetarief en tariefindeling van goederen Afdeling 1 Beheer van tariefcontingenten Artikel 49 Algemene regels betreffende het uniforme beheer van tariefcontingenten (Artikel 56, lid 4, van het wetboek) 1. Tariefcontingenten die zijn geopend in overeenstemming met de Uniewetgeving met betrekking tot de methode van administratie in dit artikel en in de artikelen 50 tot en met 54 van deze verordening worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften voor het in het vrije verkeer brengen. 2. Elk tariefcontingent wordt in de Uniewetgeving vastgesteld door een volgnummer dat het beheer ervan vergemakkelijkt. 3. Voor de toepassing van deze afdeling worden aangiften voor het vrije verkeer die door de douaneautoriteiten op 1, 2 of 3 januari zijn aanvaard, geacht op 3 januari van hetzelfde jaar te zijn geaccepteerd. Wanneer een van deze dagen echter op een zaterdag of op een zondag valt, worden de aangiften geacht op 4 januari van dat jaar te zijn aanvaard. 4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder werkdagen verstaan de dagen die geen feestdagen bij de instellingen van de Unie in Brussel zijn. Artikel 50 Verantwoordelijkheden van de douaneautoriteiten van de lidstaten voor het uniforme beheer van tariefcontingenten (Artikel 56, lid 4, van het wetboek) 1. De douaneautoriteiten onderzoeken of een door de aangever in een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen gedaan verzoek om toepassing van een tariefcontingent geldig is overeenkomstig de Uniewetgeving betreffende het openen van tariefcontingenten. 2. Wanneer een douaneaangifte voor het vrije verkeer met een geldige aanvraag voor toepassing van een tariefcontingent wordt aanvaard en alle bewijsstukken voor het toepassen van het tariefcontingent door de douaneautoriteiten zijn verstrekt, sturen de douaneautoriteiten dat verzoek onmiddellijk naar de Commissie door onder vermelding van de datum van aanvaarding van de douaneaangifte en de exacte hoeveelheid waarvoor dit verzoek wordt gedaan. Artikel 51 Toewijzing van hoeveelheden in het kader van de tariefcontingenten (Artikel 56, lid 4, van Aan het einde van elk kwartaal worden de ongebruikte delen van het tariefcontingent automatisch overgedragen naar het volgende kwartaal. Aan het einde van het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent worden geen ongebruikte delen overgedragen. 5. Indien het relevante contingent op grond van lid 2 voor een specifiek land is uitgeput, kan de invoer uit dat land verdergaan op basis van het resterende deel van het tariefcontingent voor dezelfde productcategorie. Deze bepaling zal enkel gelden gedurende het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent. 6. Indien het relevante tariefcontingent is opgebruikt of indien de invoer van de productcategorieën niet in aanmerking komt voor het relevante tariefcontingent wordt een bijkomend recht van 25 % toegepast op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, op de productcategorieën van bijlage IV.1. Artikel 2 1. De oorsprong van de producten waarop deze verordening van toepassing is, wordt vastgesteld overeenkomstig de in de Unie geldende voorschriften met betrekking tot niet-preferentiële oorsprong. 2. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. De moratoire interest die moet worden betaald in geval van terugbetaling waaruit een recht op betaling van moratoire interest voortvloeit, is de op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie , verhoogd met één procentpunt. Artikel 3 De in artikel 1 vastgestelde tariefcontingenten worden door de Commissie en de lidstaten beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447. Artikel 4 De lidstaten en de Commissie werken nauw samen om toe te zien op de naleving van deze verordening. Artikel 5 1. Onverminderd het bepaalde in lid 2 is de invoer van de 26 in bijlage IV genoemde productcategorieën van oorsprong uit een van de landen, zoals gespecificeerd in bijlage III, niet aan de in artikel 1 bedoelde maatregelen onderworpen. 2. Voor elk van de 26 productcategorieën die zijn gespecificeerd in bijlage IV, zijn in bijlage III.2 de landen van oorsprong opgenomen waarop de in artikel 1 bedoelde maatregelen van toepassing zijn. (…) Artikel 8 Tijdens de in de bijlagen IV.1 en IV.2 vastgestelde periode kan de Commissie de maatregelen evalueren in geval van verandering in de omstandigheden. (…) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/2037 van de Commissie van 10 december 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (…) Artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 wordt als volgt gewijzigd: bijlage IV wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze verordening; bijlage III.2 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening. Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op vrijdag 1 januari 2021. UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2021/1029 VAN DE COMMISSIE van 24 juni 2021 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie teneinde de vrijwaringsmaatregel ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten te verlengen (…) HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Verordening (EU) 2019/159 wordt als volgt gewijzigd: 1) Aan artikel 10 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd: “Zij is van toepassing tot en met 30 juni 2024.”; 2) Bijlage IV wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening. (…) Zie overwegingen 136, 144, 147, 162, 171, 173, 177, 180, 181 en 183 van Verordening 2019/159. Vergelijk overweging 20 van de UVo.DWU. Zie overweging 20 van de UVo.DWU en vergelijk het arrest van het Gerecht van 28 januari 2026, T-177/25, C. sp. z o.o. sp.k., ECLI:EU:T:2026:53, punt 40. Vergelij