Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-21
ECLI:NL:RBNHO:2026:559
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11781153 \ CV EXPL 25-4424 (HB) Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van [eiser], handelend onder de naam [bedrijf] wonende en zaakdoende te [plaats 1] eiser verder te noemen: [eiser] gemachtigden: mr. C.A.G. van der Wijst en mr. S. Hasançebi (DAS) tegen [gedaagde] wonende te [plaats 2] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. V.G.I. van der Lei (LegalGuard) De zaak in het kort Deze zaak betreft de levering en installatie van elektrische systemen (verlichting, inbraakdetectie, camera’s) in de woning van gedaagde. Eiser vordert primair nakoming van een (volgens hem) tussen partijen gesloten minnelijke regeling. Subsidiair vordert hij veroordeling van gedaagde tot betaling van facturen voor door hem verrichte werkzaamheden en geleverde materialen. De primaire vordering wordt afgewezen, omdat er geen minnelijke regeling tussen partijen tot stand is gekomen. De subsidiaire vordering wordt toegewezen. Het beroep van gedaagde op opschorting van zijn betalingsverplichting wordt verworpen. De tegenvordering van gedaagde tot ontbinding van de overeenkomst en tot het vergoeden van schade wordt afgewezen, omdat gedaagde eiser pas in gebreke heeft gesteld op het moment dat hij zelf al in gebreke was en eiser zich zijnerzijds al – terecht – had beroepen op opschorting. De tegenvordering tot afgifte van wachtwoorden en codes wordt eveneens afgewezen, omdat toewijzing van die vordering zou leiden tot een onmogelijkheid zijdens eiser. 1 Het procesverloop 1.1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 27 juni 2025 (met producties) een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend onder overlegging van producties. 1.2. Vervolgens heeft [eiser] bij brief van 22 oktober 2025 een akte genomen waarbij hij de eis heeft gewijzigd en producties heeft overgelegd. Ook bij brief van 4 december 2025 heeft hij nog een productie in het geding gebracht. 1.3. Op 16 december 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. 2 Feiten 2.1. [gedaagde] heeft [eiser] (medio 2023, in ieder geval vóór oktober 2023) opdracht gegeven om een inbraakdetectiesysteem en een CCTV-installatie te leveren en installeren, alsmede een Fibarosysteem voor het realiseren van verlichting in zijn woning. 2.2. Na bezichtiging op locatie heeft [eiser] op 15 oktober 2023 aan [gedaagde] een offerte gestuurd voor het leveren van het inbraakdetectiesysteem voor een bedrag van € 5.622,00 exclusief btw/€ 6.802,62 inclusief btw. Van die offerte maken deel uit de VEB Algemene Leveringsvoorwaarden installatiebedrijven – Techniek (hierna: de algemene voorwaarden). 2.3. Bij e-mail van 28 november 2023 heeft [eiser] nogmaals de offerte voor de inbraakdetectie aan [gedaagde] toegestuurd en ook een offerte voor een CCTV-installatie. De offerte voor de CCTV-installatie sloot op € 2.796,- exclusief btw/€ 3.383,16 inclusief btw. In die e-mail staat dat de prijs bij overeenstemming (over beide offertes) € 7.500,- exclusief btw zou bedragen, wat een korting impliceert van € 918,00 exclusief btw. 2.4. Voor de gewenste verlichtingswerkzaamheden (Fibarosysteem) is geen offerte verstrekt, omdat de daarvoor benodigde gegevens ontbraken. Partijen zijn overeengekomen dat die werkzaamheden op basis van nacalculatie aan [gedaagde] in rekening zouden worden gebracht. 2.5. [eiser] heeft - onder meer - de volgende facturen aan [gedaagde] toegestuurd (die in dit geschil ter discussie staan): - nr. 80262 van 24 oktober 2023 van € 4.105,52 inclusief btw voor arbeidsloon (over de periode van 12 juni 2023 tot en met 13 oktober 2023), - nr. 80263 van 25 oktober 2023 van € 1.052,26 inclusief btw (‘deel levering 3 Fibaro componenten en overige’), - nr. 80271 van 2 november 2 80271 van 2 november 2023 gelijk is aan factuur 80263 (op wat extra werk en materiaal in factuur 80263 na.) [gedaagde] is bereid het openstaande bedrag van € 4.047,01 direct over te maken, onder de garantie dat [eiser] binnen 3 weken de werkzaamheden komt afronden. 2.18. Bij brief van zijn gemachtigde van 19 juni 2024 heeft [eiser] daarop gereageerd. In die brief stelt [eiser] dat er nog een bedrag van € 11.014,02 open staat (bestaande uit het bedrag van € 8.925,41, de btw over het voor inbraakdetectie en CCTV overeengekomen bedrag van € 7.500,- van € 1575,- (kantonrechter: dat bedrag wordt niet gevorderd in deze procedure) en € 513,61 aan buitengerechtelijke incassokosten. In die brief legt [eiser] uit dat factuur nr. 80271 niet gelijk is aan factuur nr. 80263. Ook wijst [eiser] er in die brief op dat conform de algemene voorwaarden de garantie is komen te vervallen doordat [gedaagde] het wachtwoord voor Fibaro heeft laten wijzigen. 2.19. Bij brief van zijn gemachtigde van 16 juli 2024 heeft [gedaagde] daarop gereageerd. In die brief staat (nogmaals) dat hij eind oktober 2023 € 7.500,- contant heeft betaald voor factuur 80262 en de offerte (voor de inbraakdetectie). Volgens [gedaagde] staat er nog € 4.819,89 open (het totaal van de facturen van 25 oktober 2023 nr. 80263, 2 november 2023 nr. 80271 - waarover hij twijfels heeft - en 11 maart 2024 nr. 80367). Ook wijst [gedaagde] er op dat de volgende werkzaamheden nog moeten worden uitgevoerd: - de verschillende zones van het Fibarosysteem moeten nog worden ingesteld - de automatische lichten werken niet - de vloerverwarming moet nog aan het Fibaro systeem worden gekoppeld - er staat een foutmelding op het inbraaksysteem - [gedaagde] beschikt niet over de wachtwoorden en codes van het inbraaksysteem. De algemene voorwaarden zien volgens [gedaagde] niet op het Fibaro systeem, maar op het inbraakdetectiesysteem. [gedaagde] heeft in de brief een schikkingsvoorstel gedaan op basis van het volgens hem openstaande bedrag van € 4.818,89. 2.20. In reactie daarop heeft [eiser] bij brief van zijn gemachtigde van 27 augustus 2024 meegedeeld dat hij niet begrijpt waarom hij wordt aangesproken op gebreken: het Fibaro systeem kent geen zones, de automatische lichten werken, het koppelen van de vloerverwarming aan het Fibaro systeem behoort niet tot de overeengekomen werkzaamheden, de foutmelding van het inbraaksysteem is waarschijnlijk te wijten aan het wegvallen van de internetverbinding en [gedaagde] heeft wel de codes en uitleg van het inbraaksysteem ontvangen. De contante betaling van € 7.500,- ziet niet op factuur 80262, maar op het inbraakdetectiesysteem en de CCTV-installatie. De algemene voorwaarden zien ook op het Fibaro systeem. Op grond van die voorwaarden is de garantie komen te vervallen door de wijziging van het wachtwoord, aldus [eiser]. Bovenop het bedrag van € 11.014,02 heeft [eiser] bij deze brief € 4.423,95 aan reisuren- en kosten aan [gedaagde] in rekening gebracht (kantonrechter: deze worden in deze procedure niet gevorderd) en heeft hij [gedaagde] gesommeerd het totaalbedrag van € 15.437,97 binnen veertien dagen te betalen. 2.21. Bij brief van zijn gemachtigde van 21 oktober 2024 heeft [gedaagde] zijn standpunt dat er € 4.819,89 openstaat (inclusief de factuur van 2 november 2023 waarbij hij twijfels heeft) gehandhaafd en heeft hij aangegeven dat het schikkingsvoorstel uit zijn brief van 16 juli 2024 nog steeds openstaat. 2.22. Bij e-mails van 10 december 2024 tot en met 22 mei 2025 hebben partijen (verder) gecorrespondeerd over een minnelijke regeling. In dat kader heeft [gedaagde] op 6 januari 2025 aangeboden een bedrag van € 5.086,29 tegen finale kwijting te betalen. Aan dat voorstel heeft hij op 21 januari 2025 de voorwaarde verbonden dat [eiser] hem alle benodigde wachtwoorden en codes zou verstrekken. Daarbij ging het [gedaagde] vooral om het Fibaro systeem, dat volgens hem maar gedeeltelijk was geïnstalleerd. 2.23. Bij e-mail van 25 april 2025 heeft [gedaagde] a om over te gaan tot afgifte van de wachtwoorden en codes die [gedaagde] nodig heeft om toegang te krijgen tot het Fibaro systeem en om over te kunnen gaan tot het resetten van dat systeem, op straffe van een dwangsom; c. tot betaling van de proceskosten (met de wettelijke handelsrente) en de nakosten. 4.4. [gedaagde] legt aan zijn tegenvordering ten grondslag – samengevat – dat de overeengekomen werkzaamheden niet zijn afgerond en dat hij problemen ervaart met het geleverde werk. [gedaagde] heeft [eiser] (bij de e-mail van 23 maart 2024) in gebreke gesteld, maar [eiser] deed niets meer en verkeert dus in verzuim. De gebreken zijn ook door een derde (JB Security) geconstateerd. [gedaagde] heeft kosten gemaakt om het camera systeem te laten vervangen en het Fibaro systeem te laten uitzoeken. Die kosten van in totaal € 4.179,93 komen als schade voor rekening van [eiser]. Het beveiligingssysteem is geheel vervangen en werkt nu. Het Fibaro systeem werkt nog steeds niet, omdat [gedaagde] de juiste wachtwoorden en codes niet heeft. 4.5. [eiser] betwist de tegenvordering. 4.6. Op de standpunten van partijen zal (zo nodig) hierna onder ‘de beoordeling’ verder worden ingegaan. 5 De beoordeling (van de vordering en de tegenvordering) 5.1. De vordering en de tegenvordering lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De primaire vordering: minnelijke regeling? 5.2. De primaire vordering van [eiser] is gegrond op de stelling dat tussen partijen een minnelijke regeling tot stand is gekomen die door [eiser] wel en door [gedaagde] niet is nagekomen. Dat betoog kan niet slagen. 5.3. [gedaagde] heeft aan zijn bereidheid tot betaling de voorwaarde verbonden dat hij de benodigde wachtwoorden en codes zou ontvangen. Uit zijn verdere e-mails blijkt dat het voor hem van belang was om het systeem, en met name het Fibaro systeem, werkzaam te krijgen. Het daarvoor door [eiser] verstrekte wachtwoord was, zoals [eiser] in de brief van 30 april 2025 ook aangeeft, al bij [gedaagde] bekend. In diezelfde brief heeft [eiser] aangegeven dat het Fibaro systeem (volgens hem door toedoen van [gedaagde]) inmiddels twee wachtwoorden had en dat het aangepast moest worden, waarop [eiser] geen garantie kon geven. [eiser] was ook niet bereid om hierover contact te hebben met de elektricien van [gedaagde]. 5.4. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [eiser] heeft voldaan aan de door [gedaagde] gestelde voorwaarde, in die zin dat hij niet de wachtwoorden/code heeft geleverd die ertoe hebben geleid dat het Fibaro systeem werkzaam werd en hij ook niet bereid was om daarover contact te hebben met de door [gedaagde] ingeschakelde elektricien. Of [eiser] hier al dan niet een verwijt van kan worden gemaakt, is in deze niet relevant: hij is zijn verplichting uit de vaststellingsovereenkomst onvoldoende nagekomen. Verder heeft [eiser] in de hierboven aangehaalde correspondentie zelf tot twee keer toe aangegeven dat de regeling kwam te vervallen als [gedaagde] niet zou betalen. 5.5. De primaire vordering is daarom niet toewijsbaar. De subsidiaire vordering 5.6. De subsidiaire vordering is gegrond op een gemengde overeenkomst van consumentenkoop en aanneming van werk betreffende het leveren en installeren van een inbraakdetectiesysteem, een CCTV systeem en een Fibaro systeem voor de verlichting. Ambtshalve toetsing van precontractuele informatieplichten 5.7. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, ook als er daartegen geen verweer is gevoerd. 5.8. In dit geval is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte, zoals bedoeld in artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Niet in geschil is dat de afspraken tussen partijen tot stand zijn gekomen tijdens h 80367 van 11 maart 2024 van € 2.994,75 inclusief btw. 5.17. [gedaagde] heeft in die correspondentie ook erkend dat factuur 80271 van 2 november 2023 van € 772,88 inclusief btw niet is betaald. Over die factuur heeft hij echter twijfels geuit, in die zin dat deze betrekking zou hebben op onderdelen die al bij factuur nr. 80263 van 25 oktober 2023 in rekening waren gebracht. [eiser] heeft echter in de brief van 19 juni 2024 voldoende toegelicht dat factuur nr. 89271 ziet op bestellingen - door [eiser] bij Fibaro - gedaan op 17 november 2024 en dat factuur nr. 80263 ziet op bestellingen gedaan op 1 november 2023. De betreffende inkoopfacturen van 18 oktober 2023 en 3 november 2023 zijn meegestuurd met die brief. [gedaagde] heeft de juistheid van die uitleg niet (of in ieder geval onvoldoende) weersproken. 5.18. Met betrekking tot factuur nr. 80262 van 24 oktober 2023 van € 4.105,52 inclusief btw heeft [gedaagde] aangevoerd dat deze is voldaan door een betaling eind oktober 2023 van € 7.500,-. Die betaling zag volgens [gedaagde] op die factuur en op het offertebedrag betreffende de inbraakdetectie installatie (van € 6.802,62), wat een korting betekende van € 3.408,14 op het totaalbedrag van € 10.908,14. Dit is door [eiser] betwist en ligt ook niet voor de hand. Uit niets blijkt dat partijen deze aanzienlijke korting zijn overeengekomen. Blijkens de e-mail van 28 november 2023 zag die contante betaling kennelijk (zoals ook door [eiser] is aangevoerd) op het offertebedrag van € 7.500,- exclusief btw voor het inbraakdetectiesysteem en het CCTV systeem tezamen, wat een (meer voor de hand liggende) korting van € 918,- zou opleveren. In de e-mail van 22 mei 2024 waarin [gedaagde] voor het eerst het standpunt inneemt dat de contante betaling ook op factuur 80626 zag, spreekt hij ook over een “kleine korting”. Verder sluit het betoog van [gedaagde] niet aan op zijn mededeling in zijn e-mail van 24 oktober 2023 waarin hij aangeeft de factuur voor het arbeidsloon (80262) pas te zullen betalen als de “zaken finaal worden opgeleverd” en hij een “100% werkend systeem” heeft. Dit laatste is echter nooit het geval geweest en gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] desondanks de betreffende factuur heeft willen voldoen of heeft voldaan. De kantonrechter neemt dan ook als vaststaand aan dat factuur nr. 80262 niet is voldaan. 5.19. Dit betekent dat in totaal nog een factuurbedrag van € 8.925,41 openstaat zoals gevorderd. Dit totaal ziet op de vier hiervoor genoemde facturen. 5.20. Gelet op wat hiervoor is overwogen kan het door [gedaagde] in deze procedure primair ingenomen standpunt dat het openstaande bedrag slechts € 1.425,41 bedraagt geen standhouden en evenmin het subsidiaire verweer dat slechts € 4.047,01 openstaat. 5.21. Voor zover [gedaagde] stelt dat optelling van alle ooit van [eiser] ontvangen facturen (in totaal € 16.206,62) en aftrek van alle betalingen (in totaal € 14.781,21) resulteert in een openstaand bedrag van € 1.425,41 heeft hij dat ook onvoldoende concreet onderbouwd. Bovendien is dit standpunt niet in overeenstemming met het door [gedaagde] in de correspondentie ingenomen standpunt dat er een bedrag van € 4.0471,01 of € 4.819,89 openstaat. ii. beroep op opschorting 5.22. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde] zich terecht op opschorting van zijn betalingsverplichting betreffende de facturen 80262 (arbeidsloon), 80263 en 80721 (beiden levering materiaal Fibaro systeem) heeft beroepen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een partij alleen mag opschorten als hij een opeisbare vordering op zijn wederpartij heeft. De reden voor de opschorting lag er blijkens de mededeling van [gedaagde] destijds in dat het Fibaro systeem nog niet 100% werkte. Echter, uit niets blijkt dat een dergelijke verplichting op dat moment op [eiser] rustte. Hij had zich verbonden om werkzaamheden op regiebasis te verrichten en om materialen te leveren. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd betwist dat [eiser] de werkzaamheden die hij