Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-04-16
ECLI:NL:RBNHO:2026:5568
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/4245 en HAA 25/4246 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. J.J. Wittekamp), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan belanghebbende over de tijdvakken 6 januari 2024 tot en met 5 januari 2025 (HAA 25/4245) en van 6 januari 2025 tot en met 5 april 2025 (HAA 25/4246) naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd van respectievelijk € 2.448 en € 586. Gelijktijdig bij de naheffingsaanslag over het eerste tijdvak is bij beschikking een boete van € 1.224 opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de boete gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] . Overwegingen Feiten 1. Sinds 22 december 2020 is belanghebbende houder van een [auto] pick-up met kenteken [kenteken] (het voertuig). Op 29 maart 2019 is het voertuig door de RDW gekeurd en per 6 april 2019 in het kentekenregister opgenomen als ‘opleggertrekker’. 2. Na de keuring en registratie in het kentekenregister, maar voordat belanghebbende houder van het voertuig werd, is een laadbak op het voertuig geplaatst. Belanghebbende heeft zelf een huif geconstrueerd die op (de laadbak van) het voertuig kan worden geplaatst. 3. Voor het voertuig is door belanghebbende MRB voldaan naar het bestelautotarief voor ondernemers. 4. Tijdens een controle op 24 oktober 2024 is door verweerder geconstateerd dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. Naar aanleiding hiervan zijn naheffingsaanslagen en een boete aan belanghebbende opgelegd. Geschil 5. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Daarbij is de vraag of het voertuig op grond van de (toen geldende) goedkeuring van het Besluit inrichtingseisen bpm en mrb, nr. 2021-323898 (de goedkeuring van het Besluit) als bestelauto kwalificeert. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig niet voldoet aan de inrichtingseisen. 6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen en boetebeschikking ten onrechte zijn opgelegd, omdat het voertuig op grond van de goedkeuring van het Besluit kwalificeert als bestelauto. Verder vindt belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen. Daarnaast concludeert belanghebbende primair tot vernietiging en subsidiair tot vermindering van de boetebeschikking. 7. Verweerder stelt dat niet voldaan wordt aan de goedkeuring van het Besluit, zodat de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Verder stelt verweerder dat de uitspraken op bezwaar voldoende zijn gemotiveerd en de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen. Beoordeling van het geschil De naheffingsaanslag 8. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wet MRB zijn motorrijtuigen op drie of meer wielen voor het heffing van motorrijtuigenbelasting in principe personenauto’s. Als een motorrijtuig aan de inrichtingseisen van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de Wet MRB voldoet, dan kan een motorrijtuig kwalificeren als bestelauto. 9. Verder bestaat met toepassing van de hardheidsclausule een goedkeuring dat een motorrijtuig met de vermelding ‘oplegtrekker’ of “afneembare bovenbouw” wordt aangemerkt als bestelauto. De goedkeuring van het Besluit luidt, voor zover hier relevant, als volgt: “ 2.1.6.2. Door de aangebrachte laadbak en huif vertoont het voertuig dusdanige overeenkomsten in uiterlijk met een vergelijkbaar type voertuig dat als personenauto wordt verkocht en maken die aanpassingen het ook mogelijk om het voertuig te gebruiken voor personenvervoer. Hierdoor onderscheidt het voertuig zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van de lading niet (langer) van ‘reguliere’ motorrijtuigen. Dat de huif, zoals belanghebbende stelt, eenvoudig is te (de)monteren en geen vast onderdeel is van het voertuig, doet daaraan niet af (vgl. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7713). Het voertuig kwalificeert dus alleen als bestelauto voor de MRB indien aan de inrichtingseisen is voldaan. Nu vaststaat dat het voertuig op het moment van de controle hier niet aan voldeed zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. Motiveringsbeginsel 13. Volgens belanghebbende heeft verweerder het motiveringsbeginsel geschonden, omdat verweerder enkel motiveert dat de laadruimte niet voldoet aan de inrichtingseisen, maar gaat hij ten onrechte niet in op de vraag waarom in dit specifieke geval het motorrijtuig niet kwalificeert als bestelauto. 14. Naar het oordeel van de rechtbank is het motiveringsbeginsel niet geschonden. De onderhavige uitspraken op bezwaar bevatten een voldoende toereikende motivering van de beslissingen van verweerder. Belanghebbende is het weliswaar niet eens met de volgens hem summiere motivering van verweerder, maar dat betekent niet dat sprake is van een schending van het motiveringsbeginsel. Bovendien kunnen eventuele motiveringsgebreken in de bestreden besluiten in beroep worden hersteld. Verweerder mag daarom in beroep ook zijn besluit beter onderbouwen. Verzuimboete 15. Indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, kan de inspecteur een verzuimboete van minimaal € 50 en ten hoogste € 5.514 opleggen (tekst 2024) (artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). 16. Het beboetbare feit is door belanghebbende begaan, nu het voertuig niet kwalificeerde als bestelauto, maar de motorrijtuigenbelasting wel naar het bestelautotarief is aangegeven en betaald. Dat de boete achterwege dient te blijven, omdat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas) is niet gesteld en ook niet gebleken. Ook acht de rechtbank de boete passend en geboden en ziet de rechtbank in de door belanghebbende aangedragen omstandigheden geen aanleiding om de boete te verminderen. Van de belastingplichtige die gebruik wenst te maken van een begunstigende regeling mag worden verwacht dat hij onderzoek doet naar de voorwaarden van die regeling. 17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Doesburg, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de datum van