Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-05-13
ECLI:NL:RBNHO:2026:5535
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
4,066 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5535 text/xml public 2026-05-20T14:44:09 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-13 HAA 26/1241 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Alkmaar Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5535 text/html public 2026-05-20T14:41:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5535 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2026 / HAA 26/1241 Vovo bijzondere bijstand (wasmachine, gasfornuis, bank, fiets, laptop). Geen sprake van spoedeisend belang. Ook geen sprake van evidente onrechtmatigheid. Verzoek afgewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/1241 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (gemachtigde: mr. D. Arslan). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoeker heeft op 15 juni 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor een gasfornuis, een wasmachine, een bankstel, een laptop en een fiets. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 6 augustus 20225 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 23 februari 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De gemachtigde van verzoeker heeft vervolgens op 29 maart 2026 beroep ingesteld. 2.1. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De vraag die eerst voorligt is of er sprake is van een zodanig spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker stelt dat zijn situatie acuut en schrijnend is. Het gaat volgens hem om primaire levensbehoeften die niet mogen ontbreken, zoals wassen en koken. Daarnaast moet zijn zoon op een normale manier naar school kunnen en heeft zijn zoon voor school een laptop nodig. 4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet in dit geval in wezen op het alsnog geheel inwilligen van het verzoek om bijzondere bijstand. Toewijzing van het verzoek heeft een definitieve, onomkeerbare strekking. Dat heeft niet het karakter van een voorlopige voorziening. Daarom is de voorzieningenrechter over het algemeen heel terughoudend met het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een dergelijk verzoek is in beginsel alleen plaats als ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt. 5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen verzoeker in het verzoekschrift naar voren heeft gebracht en hetgeen gemachtigde daarover ter zitting heeft verklaard, onvoldoende blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat verzoeker inmiddels een fiets heeft gekocht voor zijn zoon, waarmee hij naar school kan. Daarnaast beschikt zijn zoon ook over een laptop voor school. Ten aanzien van de overige zaken heeft verzoeker – gelet op de verstreken periode sinds de aanvraag – geen onderbouwing gegeven op grond waarvan thans moet worden geoordeeld dat er een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening bestaat. Aldus kan niet worden geoordeeld dat het om een zodanig zeer zwaarwegend spoedeisend belang gaat dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden ingewilligd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het spoedeisend belang ontbreekt. 6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de beroepsprocedure in stand zal blijven. Daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Het college heeft aangevoerd dat sprake is van duurzame gebruiksgoederen die behoren tot de algemene kosten van het bestaan, welke kosten moeten worden voldaan uit het inkomen, hetzij door reserveren, hetzij door gespreide betaling achteraf. Er zijn diverse gegevens opgevraagd om te kunnen beoordelen of sprake is van een bijzondere situatie bij verzoeker. Niet alle opgevraagde gegevens zijn ontvangen. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat sprake is van kosten die het gevolg zijn van een bijzondere situatie noch bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot een toekenning. Het is aan verzoeker, als aanvrager, om te onderbouwen waarom hij in dit geval recht op bijzondere bijstand heeft. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij daarin vooralsnog onvoldoende is geslaagd. Uit het dossier wordt ook duidelijk dat verzoeker zich onder meer op privacy heeft beroepen waar het gaat om het verstrekken van gegevens over de financiële situatie van het gezin. De medewerkingsverplichting van artikel 17 van de PW verplicht de belanghebbende om op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het college kan ingevolge artikel 53a, eerste lid, van de PW bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt, respectievelijk overgelegd moeten worden. Ook kan het college de wijze en het tijdstip waarop dit moet gebeuren bepalen. Bij een aanvraag tot bijstandverlening mag van een betrokkene worden verlangd dat hij zodanige financiële (bewijs)stukken overlegt dat het college kan onderzoeken en beoordelen of toekenning daarvan gerechtvaardigd is. De gevraagde gegevens zijn van invloed op de vraag of er sprake is van een bijzondere situatie dan wel bijzondere omstandigheden. In een dergelijk geval is een beroep op de privacy niet een verschoonbare reden om de gegevens achter te houden. Voor zover verzoeker alsnog gegevens heeft verstrekt nadat het bestreden besluit is genomen, heeft het college deze in dat besluit niet kunnen betrekken. 7. Alle omstandigheden in aanmerking nemend komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5535 text/xml public 2026-05-20T14:44:09 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-13 HAA 26/1241 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Alkmaar Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5535 text/html public 2026-05-20T14:41:47 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5535 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2026 / HAA 26/1241 Vovo bijzondere bijstand (wasmachine, gasfornuis, bank, fiets, laptop). Geen sprake van spoedeisend belang. Ook geen sprake van evidente onrechtmatigheid. Verzoek afgewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/1241 uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (gemachtigde: mr. D. Arslan). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeker als volgt af. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoeker heeft op 15 juni 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor een gasfornuis, een wasmachine, een bankstel, een laptop en een fiets. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 6 augustus 20225 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 februari 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 23 februari 2026 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De gemachtigde van verzoeker heeft vervolgens op 29 maart 2026 beroep ingesteld. 2.1. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De vraag die eerst voorligt is of er sprake is van een zodanig spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker stelt dat zijn situatie acuut en schrijnend is. Het gaat volgens hem om primaire levensbehoeften die niet mogen ontbreken, zoals wassen en koken. Daarnaast moet zijn zoon op een normale manier naar school kunnen en heeft zijn zoon voor school een laptop nodig. 4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet in dit geval in wezen op het alsnog geheel inwilligen van het verzoek om bijzondere bijstand. Toewijzing van het verzoek heeft een definitieve, onomkeerbare strekking. Dat heeft niet het karakter van een voorlopige voorziening. Daarom is de voorzieningenrechter over het algemeen heel terughoudend met het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een dergelijk verzoek is in beginsel alleen plaats als ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt. 5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen verzoeker in het verzoekschrift naar voren heeft gebracht en hetgeen gemachtigde daarover ter zitting heeft verklaard, onvoldoende blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat verzoeker inmiddels een fiets heeft gekocht voor zijn zoon, waarmee hij naar school kan. Daarnaast beschikt zijn zoon ook over een laptop voor school. Ten aanzien van de overige zaken heeft verzoeker – gelet op de verstreken periode sinds de aanvraag – geen onderbouwing gegeven op grond waarvan thans moet worden geoordeeld dat er een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening bestaat. Aldus kan niet worden geoordeeld dat het om een zodanig zeer zwaarwegend spoedeisend belang gaat dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden ingewilligd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het spoedeisend belang ontbreekt. 6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de beroepsprocedure in stand zal blijven. Daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Het college heeft aangevoerd dat sprake is van duurzame gebruiksgoederen die behoren tot de algemene kosten van het bestaan, welke kosten moeten worden voldaan uit het inkomen, hetzij door reserveren, hetzij door gespreide betaling achteraf. Er zijn diverse gegevens opgevraagd om te kunnen beoordelen of sprake is van een bijzondere situatie bij verzoeker. Niet alle opgevraagde gegevens zijn ontvangen. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat sprake is van kosten die het gevolg zijn van een bijzondere situatie noch bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot een toekenning. Het is aan verzoeker, als aanvrager, om te onderbouwen waarom hij in dit geval recht op bijzondere bijstand heeft. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij daarin vooralsnog onvoldoende is geslaagd. Uit het dossier wordt ook duidelijk dat verzoeker zich onder meer op privacy heeft beroepen waar het gaat om het verstrekken van gegevens over de financiële situatie van het gezin. De medewerkingsverplichting van artikel 17 van de PW verplicht de belanghebbende om op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het college kan ingevolge artikel 53a, eerste lid, van de PW bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt, respectievelijk overgelegd moeten worden. Ook kan het college de wijze en het tijdstip waarop dit moet gebeuren bepalen. Bij een aanvraag tot bijstandverlening mag van een betrokkene worden verlangd dat hij zodanige financiële (bewijs)stukken overlegt dat het college kan onderzoeken en beoordelen of toekenning daarvan gerechtvaardigd is. De gevraagde gegevens zijn van invloed op de vraag of er sprake is van een bijzondere situatie dan wel bijzondere omstandigheden. In een dergelijk geval is een beroep op de privacy niet een verschoonbare reden om de gegevens achter te houden. Voor zover verzoeker alsnog gegevens heeft verstrekt nadat het bestreden besluit is genomen, heeft het college deze in dat besluit niet kunnen betrekken. 7. Alle omstandigheden in aanmerking nemend komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.