Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-05-12
ECLI:NL:RBNHO:2026:5511
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,155 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5511 text/xml public 2026-05-19T16:30:07 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-12 HAA 24/2989 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5511 text/html public 2026-05-19T15:57:36 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5511 Rechtbank Noord-Holland , 12-05-2026 / HAA 24/2989 Eisers hebben beroep ingesteld tegen een verleende omgevingsvergunning voor de vervanging van een bio-vergister aan de Schorrenweg 12A in Oosterend op Texel. De rechtbank komt allereerst tot het oordeel dat een stel eisers geen belanghebbende meer is omdat zij verhuisd zijn. Hun beroep is daarom niet-ontvankelijk. De andere twee eisers kunnen wel in hun beroepen worden ontvangen omdat zij zienswijzen hadden ingediend. De rechtbank is verder van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders (het college) de belangen van eisers voldoende heeft betrokken bij het bestreden besluit zowel wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan als het vergunnen van de (iets) gewijzigde inrichting. Er is dus geen grond voor de conclusie dat het woon- en leefklimaat van eisers zodanig verslechtert dat de vergunning niet mocht worden verleend. De beroepsgrond dat sprake is van één inrichting met de naastgelegen stierkalvenmesterij, zodat de vergunning daarom moet worden geweigerd, slaagt niet. De rechtbank stelt vo RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 24/2989, 24/2992 en 24/3004 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaken tussen in zaak 24/2989P. [eisers 1] , uit [plaats 1] , hierna: [eisers 1] , en in zaak 24/2992 [eisers 2] , uit [plaats 2] , hierna: [eisers 2] en in zaak 24/3004 [eisers 3] en [eisers 3] , uit [plaats 2] , hierna: [eisers 3] , alle eisers gezamenlijk ook te noemen: eisers en in alle zaken het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel , hierna: het college gemachtigde: M. Oosterdijk, ambtenaar ten stadhuize. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de besloten vennootschap [B.V. 1] ., te Oosterend, hierna: [B.V. 1] , gemachtigde: A.H.M. Krabbenborg van Locis adviseurs. Samenvatting 1.1 Deze uitspraak gaat over de aan [B.V. 1] verleende omgevingsvergunning van 26 april 2024 voor de vervanging van een reeds verleende vergunning voor een bio-vergister aan de Schorrenweg 12A in Oosterend op Texel (hierna: het perceel). Eisers zijn het hiermee niet eens met. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt uitsluitend aan de hand van aangevoerde beroepsgronden of het college terecht de vergunning heeft verleend. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van de [eisers 3] niet-ontvankelijk is. 1.3 Over de beroepen van de andere eisers oordeelt de rechtbank dat de door hen aangevoerde gronden geen doel treffen en het college de vergunning aan [B.V. 1] dus niet ten onrechte heeft verleend. [eisers 1] en [eisers 2] krijgen dus geen gelijk en hun beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.4 Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 bespreekt de rechtbank het beroep van de [eisers 3] . Onder 4 gaat de rechtbank in op de afwezigheid van [eisers 1] en [eisers 2] op de zitting. Onder 5 staat het overgangsrecht. Vervolgens staat onder 6 de totstandkoming van het bestreden besluit en de vaststaande feiten. Onder 7 bespreekt de rechtbank of [eisers 1] en [eisers 2] belanghebbenden zijn. Onder 8 beoordeelt de rechtbank of het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Onder 9 wordt het leerstuk van de relativiteit kort besproken. Onder 10 komt aan de orde of rekening is gehouden met de woonbelangen van [eisers 1] en [eisers 2] en onder 11 is de vraag aan de orde of sprake is van één inrichting met de naastgelegen stierkalvenmesterij. Onder 12 wordt bekeken welke stoffen zijn toegestaan. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en staan de gevolgen daarvan. Procesverloop 2.1 In het bestreden besluit van 26 april 2024 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend. 2.2 Eisers hebben alle drie apart beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3 De [eisers 3] heeft de rechtbank bij brief van 30 oktober 2025 bericht dat zij hun woning hebben verkocht en dat zij daar niet meer wonen. 2.4 Het college heeft in alle zaken verweerschriften ingediend die op 26 januari 2026 bij de rechtbank zijn binnengekomen. 2.5 De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen namens het college: de gemachtigde, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , beiden in dienst bij de Omgevingsdienst Noord Holland Noord. [B.V. 1] is vertegenwoordigd door [naam 3] , bestuurder, bijgestaan door de gemachtigde. Geen van de eisers is verschenen. Beoordeling door de rechtbank Beroep van de [eisers 3] 3. Omdat de [eisers 3] is verhuisd, is zij geen belanghebbende meer bij het bestreden besluit en is hun procesbelang komen te vervallen. Hun beroep is daarom alsnog niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt hun beroep daarom niet inhoudelijk. Afwezigheid [eisers 1] en [eisers 2] ter zitting? 4. [eisers 2] heeft bericht dat zij niet ter zitting zal verschijnen. [eisers 1] heeft geen bericht gestuurd. De rechtbank heeft een vooraankondiging van de zitting per e-mail en de uitnodiging voor de zitting per post aan zijn huisadres gezonden. De rechtbank concludeert dat hij behoorlijk is uitgenodigd. Toepasselijk recht in verband met overgangsrecht 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend op 26 november 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Dat zijn dus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en de bestemmingsplannen “Buitengebied Texel 2013” en “Reparatieplan Buitengebied Texel”. Totstandkoming van de bestreden besluiten en vaststaande feiten 6.1 Een bedrijf met een bio-vergistingsinstallatie, zoals [B.V. 1] wil oprichten, is een type C-inrichting en dus milieuvergunningplichtig, maar bevat geen IPPC-installatie. 6.2 Voor het perceel gelden het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013” en het “Reparatieplan Buitengebied Texel”. Op het perceel rust de bestemming ‘agrarische zeepolders’. Bij omgevingsvergunning van 31 augustus 2018 is op grond van het eerste bestemmingsplan voor wat betreft het toegestane gebruik van het perceel ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch bio-vergistingsinstallatie’ aan het perceel toegekend. De bio-vergister is dus in overeenstemming met de bestemming. 6.3 Op 6 november 2018 heeft het college een (eerdere) vergunning verleend voor de plaatsing van een bio-vergister op het perceel. Van deze vergunning is echter geen gebruik gemaakt. 6.4 Op grond naast het perceel, met het adres [adres 3] , runt een aan het concern van [B.V. 1] verbonden bedrijf een kalvermesterij. 6.5 [eisers 1] woont aan [adres 1] in [plaats 1] . [eisers 1] woont op circa 850 meter afstand van het perceel waarop de bio-vergister is beoogd. [eisers 2] woont aan [adres 2] in [plaats 2] . Dat is circa 600 meter verwijderd van het perceel waarop de bio-vergister is beoogd. Ze heeft over de Schorrenweg heen en langs de kalvermesterij zicht op (de bio-vergister op) het perceel. 6.6 Op 26 november 2019 hebben [B.V. 1] B.V. en [naam bedrijf] de aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning voor een iets andere (dan de eerder vergunde) bio-vergistingsinstallatie.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5511 text/xml public 2026-05-19T16:30:07 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-12 HAA 24/2989 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5511 text/html public 2026-05-19T15:57:36 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5511 Rechtbank Noord-Holland , 12-05-2026 / HAA 24/2989 Eisers hebben beroep ingesteld tegen een verleende omgevingsvergunning voor de vervanging van een bio-vergister aan de Schorrenweg 12A in Oosterend op Texel. De rechtbank komt allereerst tot het oordeel dat een stel eisers geen belanghebbende meer is omdat zij verhuisd zijn. Hun beroep is daarom niet-ontvankelijk. De andere twee eisers kunnen wel in hun beroepen worden ontvangen omdat zij zienswijzen hadden ingediend. De rechtbank is verder van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders (het college) de belangen van eisers voldoende heeft betrokken bij het bestreden besluit zowel wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan als het vergunnen van de (iets) gewijzigde inrichting. Er is dus geen grond voor de conclusie dat het woon- en leefklimaat van eisers zodanig verslechtert dat de vergunning niet mocht worden verleend. De beroepsgrond dat sprake is van één inrichting met de naastgelegen stierkalvenmesterij, zodat de vergunning daarom moet worden geweigerd, slaagt niet. De rechtbank stelt vo RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 24/2989, 24/2992 en 24/3004 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaken tussen in zaak 24/2989P. [eisers 1] , uit [plaats 1] , hierna: [eisers 1] , en in zaak 24/2992 [eisers 2] , uit [plaats 2] , hierna: [eisers 2] en in zaak 24/3004 [eisers 3] en [eisers 3] , uit [plaats 2] , hierna: [eisers 3] , alle eisers gezamenlijk ook te noemen: eisers en in alle zaken het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Texel , hierna: het college gemachtigde: M. Oosterdijk, ambtenaar ten stadhuize. Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de besloten vennootschap [B.V. 1] ., te Oosterend, hierna: [B.V. 1] , gemachtigde: A.H.M. Krabbenborg van Locis adviseurs. Samenvatting 1.1 Deze uitspraak gaat over de aan [B.V. 1] verleende omgevingsvergunning van 26 april 2024 voor de vervanging van een reeds verleende vergunning voor een bio-vergister aan de Schorrenweg 12A in Oosterend op Texel (hierna: het perceel). Eisers zijn het hiermee niet eens met. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt uitsluitend aan de hand van aangevoerde beroepsgronden of het college terecht de vergunning heeft verleend. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van de [eisers 3] niet-ontvankelijk is. 1.3 Over de beroepen van de andere eisers oordeelt de rechtbank dat de door hen aangevoerde gronden geen doel treffen en het college de vergunning aan [B.V. 1] dus niet ten onrechte heeft verleend. [eisers 1] en [eisers 2] krijgen dus geen gelijk en hun beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.4 Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 bespreekt de rechtbank het beroep van de [eisers 3] . Onder 4 gaat de rechtbank in op de afwezigheid van [eisers 1] en [eisers 2] op de zitting. Onder 5 staat het overgangsrecht. Vervolgens staat onder 6 de totstandkoming van het bestreden besluit en de vaststaande feiten. Onder 7 bespreekt de rechtbank of [eisers 1] en [eisers 2] belanghebbenden zijn. Onder 8 beoordeelt de rechtbank of het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. Onder 9 wordt het leerstuk van de relativiteit kort besproken. Onder 10 komt aan de orde of rekening is gehouden met de woonbelangen van [eisers 1] en [eisers 2] en onder 11 is de vraag aan de orde of sprake is van één inrichting met de naastgelegen stierkalvenmesterij. Onder 12 wordt bekeken welke stoffen zijn toegestaan. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en staan de gevolgen daarvan. Procesverloop 2.1 In het bestreden besluit van 26 april 2024 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend. 2.2 Eisers hebben alle drie apart beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3 De [eisers 3] heeft de rechtbank bij brief van 30 oktober 2025 bericht dat zij hun woning hebben verkocht en dat zij daar niet meer wonen. 2.4 Het college heeft in alle zaken verweerschriften ingediend die op 26 januari 2026 bij de rechtbank zijn binnengekomen. 2.5 De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen namens het college: de gemachtigde, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] , beiden in dienst bij de Omgevingsdienst Noord Holland Noord. [B.V. 1] is vertegenwoordigd door [naam 3] , bestuurder, bijgestaan door de gemachtigde. Geen van de eisers is verschenen. Beoordeling door de rechtbank Beroep van de [eisers 3] 3. Omdat de [eisers 3] is verhuisd, is zij geen belanghebbende meer bij het bestreden besluit en is hun procesbelang komen te vervallen. Hun beroep is daarom alsnog niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt hun beroep daarom niet inhoudelijk. Afwezigheid [eisers 1] en [eisers 2] ter zitting? 4. [eisers 2] heeft bericht dat zij niet ter zitting zal verschijnen. [eisers 1] heeft geen bericht gestuurd. De rechtbank heeft een vooraankondiging van de zitting per e-mail en de uitnodiging voor de zitting per post aan zijn huisadres gezonden. De rechtbank concludeert dat hij behoorlijk is uitgenodigd. Toepasselijk recht in verband met overgangsrecht 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend op 26 november 2019. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Dat zijn dus de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en de bestemmingsplannen “Buitengebied Texel 2013” en “Reparatieplan Buitengebied Texel”. Totstandkoming van de bestreden besluiten en vaststaande feiten 6.1 Een bedrijf met een bio-vergistingsinstallatie, zoals [B.V. 1] wil oprichten, is een type C-inrichting en dus milieuvergunningplichtig, maar bevat geen IPPC-installatie. 6.2 Voor het perceel gelden het bestemmingsplan “Buitengebied Texel 2013” en het “Reparatieplan Buitengebied Texel”. Op het perceel rust de bestemming ‘agrarische zeepolders’. Bij omgevingsvergunning van 31 augustus 2018 is op grond van het eerste bestemmingsplan voor wat betreft het toegestane gebruik van het perceel ook de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch bio-vergistingsinstallatie’ aan het perceel toegekend. De bio-vergister is dus in overeenstemming met de bestemming. 6.3 Op 6 november 2018 heeft het college een (eerdere) vergunning verleend voor de plaatsing van een bio-vergister op het perceel. Van deze vergunning is echter geen gebruik gemaakt. 6.4 Op grond naast het perceel, met het adres [adres 3] , runt een aan het concern van [B.V. 1] verbonden bedrijf een kalvermesterij. 6.5 [eisers 1] woont aan [adres 1] in [plaats 1] . [eisers 1] woont op circa 850 meter afstand van het perceel waarop de bio-vergister is beoogd. [eisers 2] woont aan [adres 2] in [plaats 2] . Dat is circa 600 meter verwijderd van het perceel waarop de bio-vergister is beoogd. Ze heeft over de Schorrenweg heen en langs de kalvermesterij zicht op (de bio-vergister op) het perceel. 6.6 Op 26 november 2019 hebben [B.V. 1] B.V. en [naam bedrijf] de aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning voor een iets andere (dan de eerder vergunde) bio-vergistingsinstallatie.
Volledig
In tegenstelling tot de vergunde situatie wil de aanvrager de inpandige hoofdvergister vervangen door twee kleinere, buiten het pand gelegen hoofdvergisters. Daarnaast heeft de aanvrager gekozen voor aparte gashouders in beide hoofdvergisters. De stoffen die mogen worden vergist, wil de aanvrager niet wijzigen. Die stoffen zijn in eerste instantie gras van wisselteelt, natuurgras en bermgras en kunnen in de toekomst overige plantaardige materialen zijn afkomstig van reststromen van het eiland. De aanvraag heeft dus betrekking op het plaatsen van een bedrijfsgebouw met inpandige installatie/pompgebouw en installatiecontainers, 2 vergisters en 1 opslagfaciliteit, sleufsilo’s, een affakkelsysteem en zonnecollectoren. Tot slot wil de aanvrager een erfafscheiding en beplanting rondom het terrein plaatsen en een in- en uitrit maken. 6.7 De aanvraag is behandeld met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure genoemd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 6.8 Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 30 augustus 2022 tot en met 10 oktober 2022. Daartegen hebben 8 personen zienswijzen ingediend, waaronder [eisers 1] en [eisers 2] . 6.9 In het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening (bestemmingsplan) en milieu (het oprichten van een inrichting). Het college constateert dat de aanvraag in strijd is met de bestemmingsplanregels voor wat betreft de bouw- en goothoogte van het gewenste bedrijfsgebouw, de vergister en de opslagfaciliteit. Het bestemmingsplan bevat een afwijkingsmogelijkheid voor het bouwen van een bedrijfsgebouw waarbij de maatvoering kan worden vergroot tot een bouwhoogte van 12,5 meter en een goothoogte van 6 meter. Het college past deze afwijkingsregels toe omdat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woon- en milieusituatie, de verkeers- en sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden. De bebouwing wordt aan het zicht onttrokken door een bomensingel. De daken van de silo’s zijn in strijd met de planregels omdat die plat zullen worden afgewerkt, maar ook daarvoor past het college op grond van het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid toe. Dit is volgens het college stedenbouwkundig akkoord. Ook de silo’s worden aan het zicht onttrokken door een bomensingel, zodat het college de silo’s ruimtelijk aanvaardbaar vindt. Bij de afweging heeft het college, zoals in het bestemmingsplan voorgeschreven, het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied van de gemeente Texel als onderdeel van het toetsingskader in de beoordeling betrokken. Voor het onderdeel milieu concludeert het college dat de inrichting voldoet aan de best beschikbare technieken (BBT) ter voorkoming of beperking van emissies naar de lucht, de bodem, het water, voorkoming of beperking van geluidsemissies, het bevorderen van afvalpreventie, het bewerkstelligen van externe veiligheid, voorkoming of beperking van lichthinder en het bereiken energiebesparing. Zijn [eisers 1] en [eisers 2] belanghebbende? 7.1 Het college voert aan dat [eisers 1] en [eisers 2] geen belanghebbenden zijn en daarom niet in beroep kunnen worden ontvangen. [eisers 1] en [eisers 2] wonen namelijk op (te) grote afstand van het perceel. Het college verwijst naar een uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2019 op beroepen gericht tegen de omgevingsvergunning van 6 november 2018 waarin de rechtbank oordeelde dat de indieners van die beroepen geen belanghebbenden waren. 7.2 De rechtbank kan het college in dat verweer niet volgen. [eisers 1] en [eisers 2] hebben beiden een zienswijze ingediend. Op grond van vaste jurisprudentie brengt het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 inzake de Stichting Varkens in Nood en artikel 9 van het Verdrag van Aarhus met zich mee dat ook al is een persoon bij een besluit geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, maar heeft die persoon wel tegen het ontwerpbesluit een zienswijze naar voren gebracht, dan zal aan die persoon in beroep niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. De beroepen van [eisers 1] en [eisers 2] zijn reeds daarom ontvankelijk. Besluit onjuist bekend gemaakt? 8.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren aan dat het college bij de eerste bekendmaking van de vergunning in de Texelse Courant heeft vermeld dat de vergunning ook te zien was op www.ruimtelijkeplannen.nl. Dat is weliswaar gerectificeerd op 3 mei 2024, maar bij elke publicatie is ook ten onrechte een bezwaarclausule opgenomen. Dat is, zo begrijpt de rechtbank hun standpunt, een gebrek dat tot vernietiging moet leiden. 8.2 De rechtbank volgt hen daarin niet. Een onjuistheid in de wijze van publicatie of vermelding van beroepsmogelijkheden kan namelijk niet afdoen aan de juistheid van het besluit zelf en is op zichzelf geen grond voor vernietiging. Overigens is het bestreden besluit (ook) wel op de juiste wijze bekend gemaakt. De officiële bekendmaking van het besluit vond namelijk plaats in het Gemeenteblad. Daarin stond terecht dat tegen de verleende vergunning beroep kon worden ingesteld. Het college heeft daarnaast ook een bekendmaking opgenomen in de Texelse Courant. In die onverplichte publicatie is ten onrechte opgenomen dat tegen de verleende vergunning bezwaar kon worden gemaakt. Als [eisers 1] en [eisers 2] daardoor op het verkeerde been waren gezet en bezwaar hadden gemaakt in plaats van beroep in te stellen, was het college gehouden geweest het bezwaar als beroep naar de rechtbank te zenden. Eisers kunnen en zijn door onjuistheden in publicatieberichten dus helemaal niet benadeeld. Zij hebben immers wel tijdig beroep bij de rechtbank ingesteld. 8.3 Deze beroepsgrond slaagt niet. Relativiteit 9. Op grond van artikel 8:69a Awb vernietigt de rechtbank een besluit niet op de grond dat het besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien de regel of het beginsel kennelijk niet strekt tot de bescherming van degene die zich daarop beroept. Omdat [eisers 1] en [eisers 2] niet naaste buren van het perceel zijn, kan de vraag opkomen of de regels waarop zij zich beroepen wel strekken tot hun bescherming. De rechtbank zal echter eerst beoordelen of hun gronden doeltreffend kunnen zijn en zo ja, daarna pas beoordelen of artikel 8:69a Awb aan vernietiging op die grond in de weg staat. Geen rekening gehouden met (woon)belangen 10.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren aan dat het college met hun (woon)belangen geen of onvoldoende rekening heeft gehouden. De rechtbank begrijpt dat zij daarmee aan willen voeren dat door de bio-vergister meer zwaar verkeer (trekkers, vrachtwagens) langs hun woningen zullen rijden met geluidshinder en uitlaatgassen. Door het extra verkeer worden de Schorrenweg en de Zaandammerdijk, die al erg druk zijn, nog drukker en dus nog gevaarlijker, aldus [eisers 1] en [eisers 2] . 10.2 Het college stelt zich op het standpunt dat die woonbelangen van eisers niet in de weg staan aan verlening van de vergunning. Hun woon- en leefklimaat verslechtert niet. 10.3 Bij de beoordeling van deze beroepsgrond, voor zover die ziet op de vergunning tot afwijking van het bestemmingsplan, stelt de rechtbank voorop dat met de vergunning – ten opzichte van de eerder reeds onherroepelijk verleende vergunning – met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid een van het bestemmingsplan afwijkende bouw- en goothoogte wordt vergund. Volgens artikel 7.3 van het bestemmingsplan geldt daarvoor als voorwaarde dat met de bouwhoogteafwijking geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden. De rechtbank is het met het college eens dat met de vergunde bouwhoogteafwijking geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie van eisers, reeds omdat een hogere bouwhoogte niet meer verkeer genereert ten opzichte van de eerder verleende vergunning.
Volledig
In tegenstelling tot de vergunde situatie wil de aanvrager de inpandige hoofdvergister vervangen door twee kleinere, buiten het pand gelegen hoofdvergisters. Daarnaast heeft de aanvrager gekozen voor aparte gashouders in beide hoofdvergisters. De stoffen die mogen worden vergist, wil de aanvrager niet wijzigen. Die stoffen zijn in eerste instantie gras van wisselteelt, natuurgras en bermgras en kunnen in de toekomst overige plantaardige materialen zijn afkomstig van reststromen van het eiland. De aanvraag heeft dus betrekking op het plaatsen van een bedrijfsgebouw met inpandige installatie/pompgebouw en installatiecontainers, 2 vergisters en 1 opslagfaciliteit, sleufsilo’s, een affakkelsysteem en zonnecollectoren. Tot slot wil de aanvrager een erfafscheiding en beplanting rondom het terrein plaatsen en een in- en uitrit maken. 6.7 De aanvraag is behandeld met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure genoemd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 6.8 Het ontwerpbesluit heeft ter inzage gelegen van 30 augustus 2022 tot en met 10 oktober 2022. Daartegen hebben 8 personen zienswijzen ingediend, waaronder [eisers 1] en [eisers 2] . 6.9 In het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening (bestemmingsplan) en milieu (het oprichten van een inrichting). Het college constateert dat de aanvraag in strijd is met de bestemmingsplanregels voor wat betreft de bouw- en goothoogte van het gewenste bedrijfsgebouw, de vergister en de opslagfaciliteit. Het bestemmingsplan bevat een afwijkingsmogelijkheid voor het bouwen van een bedrijfsgebouw waarbij de maatvoering kan worden vergroot tot een bouwhoogte van 12,5 meter en een goothoogte van 6 meter. Het college past deze afwijkingsregels toe omdat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woon- en milieusituatie, de verkeers- en sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden. De bebouwing wordt aan het zicht onttrokken door een bomensingel. De daken van de silo’s zijn in strijd met de planregels omdat die plat zullen worden afgewerkt, maar ook daarvoor past het college op grond van het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid toe. Dit is volgens het college stedenbouwkundig akkoord. Ook de silo’s worden aan het zicht onttrokken door een bomensingel, zodat het college de silo’s ruimtelijk aanvaardbaar vindt. Bij de afweging heeft het college, zoals in het bestemmingsplan voorgeschreven, het Beeldkwaliteitsplan Buitengebied van de gemeente Texel als onderdeel van het toetsingskader in de beoordeling betrokken. Voor het onderdeel milieu concludeert het college dat de inrichting voldoet aan de best beschikbare technieken (BBT) ter voorkoming of beperking van emissies naar de lucht, de bodem, het water, voorkoming of beperking van geluidsemissies, het bevorderen van afvalpreventie, het bewerkstelligen van externe veiligheid, voorkoming of beperking van lichthinder en het bereiken energiebesparing. Zijn [eisers 1] en [eisers 2] belanghebbende? 7.1 Het college voert aan dat [eisers 1] en [eisers 2] geen belanghebbenden zijn en daarom niet in beroep kunnen worden ontvangen. [eisers 1] en [eisers 2] wonen namelijk op (te) grote afstand van het perceel. Het college verwijst naar een uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2019 op beroepen gericht tegen de omgevingsvergunning van 6 november 2018 waarin de rechtbank oordeelde dat de indieners van die beroepen geen belanghebbenden waren. 7.2 De rechtbank kan het college in dat verweer niet volgen. [eisers 1] en [eisers 2] hebben beiden een zienswijze ingediend. Op grond van vaste jurisprudentie brengt het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021 inzake de Stichting Varkens in Nood en artikel 9 van het Verdrag van Aarhus met zich mee dat ook al is een persoon bij een besluit geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, maar heeft die persoon wel tegen het ontwerpbesluit een zienswijze naar voren gebracht, dan zal aan die persoon in beroep niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. De beroepen van [eisers 1] en [eisers 2] zijn reeds daarom ontvankelijk. Besluit onjuist bekend gemaakt? 8.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren aan dat het college bij de eerste bekendmaking van de vergunning in de Texelse Courant heeft vermeld dat de vergunning ook te zien was op www.ruimtelijkeplannen.nl. Dat is weliswaar gerectificeerd op 3 mei 2024, maar bij elke publicatie is ook ten onrechte een bezwaarclausule opgenomen. Dat is, zo begrijpt de rechtbank hun standpunt, een gebrek dat tot vernietiging moet leiden. 8.2 De rechtbank volgt hen daarin niet. Een onjuistheid in de wijze van publicatie of vermelding van beroepsmogelijkheden kan namelijk niet afdoen aan de juistheid van het besluit zelf en is op zichzelf geen grond voor vernietiging. Overigens is het bestreden besluit (ook) wel op de juiste wijze bekend gemaakt. De officiële bekendmaking van het besluit vond namelijk plaats in het Gemeenteblad. Daarin stond terecht dat tegen de verleende vergunning beroep kon worden ingesteld. Het college heeft daarnaast ook een bekendmaking opgenomen in de Texelse Courant. In die onverplichte publicatie is ten onrechte opgenomen dat tegen de verleende vergunning bezwaar kon worden gemaakt. Als [eisers 1] en [eisers 2] daardoor op het verkeerde been waren gezet en bezwaar hadden gemaakt in plaats van beroep in te stellen, was het college gehouden geweest het bezwaar als beroep naar de rechtbank te zenden. Eisers kunnen en zijn door onjuistheden in publicatieberichten dus helemaal niet benadeeld. Zij hebben immers wel tijdig beroep bij de rechtbank ingesteld. 8.3 Deze beroepsgrond slaagt niet. Relativiteit 9. Op grond van artikel 8:69a Awb vernietigt de rechtbank een besluit niet op de grond dat het besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien de regel of het beginsel kennelijk niet strekt tot de bescherming van degene die zich daarop beroept. Omdat [eisers 1] en [eisers 2] niet naaste buren van het perceel zijn, kan de vraag opkomen of de regels waarop zij zich beroepen wel strekken tot hun bescherming. De rechtbank zal echter eerst beoordelen of hun gronden doeltreffend kunnen zijn en zo ja, daarna pas beoordelen of artikel 8:69a Awb aan vernietiging op die grond in de weg staat. Geen rekening gehouden met (woon)belangen 10.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren aan dat het college met hun (woon)belangen geen of onvoldoende rekening heeft gehouden. De rechtbank begrijpt dat zij daarmee aan willen voeren dat door de bio-vergister meer zwaar verkeer (trekkers, vrachtwagens) langs hun woningen zullen rijden met geluidshinder en uitlaatgassen. Door het extra verkeer worden de Schorrenweg en de Zaandammerdijk, die al erg druk zijn, nog drukker en dus nog gevaarlijker, aldus [eisers 1] en [eisers 2] . 10.2 Het college stelt zich op het standpunt dat die woonbelangen van eisers niet in de weg staan aan verlening van de vergunning. Hun woon- en leefklimaat verslechtert niet. 10.3 Bij de beoordeling van deze beroepsgrond, voor zover die ziet op de vergunning tot afwijking van het bestemmingsplan, stelt de rechtbank voorop dat met de vergunning – ten opzichte van de eerder reeds onherroepelijk verleende vergunning – met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid een van het bestemmingsplan afwijkende bouw- en goothoogte wordt vergund. Volgens artikel 7.3 van het bestemmingsplan geldt daarvoor als voorwaarde dat met de bouwhoogteafwijking geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden. De rechtbank is het met het college eens dat met de vergunde bouwhoogteafwijking geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie van eisers, reeds omdat een hogere bouwhoogte niet meer verkeer genereert ten opzichte van de eerder verleende vergunning.
Volledig
10.4 Voor zover [eisers 1] en [eisers 2] met deze beroepsgrond hebben bedoeld te betogen dat de inrichting voor hen te veel milieuhinder zal veroorzaken, overweegt de rechtbank als volgt. 10.5 Ten aanzien van het geluid dat afkomstig is van de inrichting, heeft het college in het bestreden besluit gemotiveerd dat op de dichtstbijzijnde woning, dat is de woning waar de [eisers 3] woonde ( [adres 4] ), wordt voldaan aan de geldende geluidnorm uit het Activiteitenbesluit en de toepasselijke circulaires over geluidhinder. De woningen van eisers liggen (veel) verder van de inrichting dan deze woning, zodat voldoende aannemelijk is dat ook voor hun geldt dat voldaan wordt aan de geldende geluidsnorm. 10.6 Ten aanzien van de (mogelijke) geur afkomstig van de inrichting heeft het college in het bestreden besluit voldoende overtuigend gemotiveerd dat de sleufsilo’s, de enige mogelijke bron van geuroverlast, zijn afgesloten zodat daar geen geuremissie vandaan komt. [eisers 1] en [eisers 2] worden door geuroverlast niet in hun woonbelangen geschaad. 10.7 Over het affakkelen heeft het college onbestreden gesteld dat dat alleen bij een calamiteit plaatsvindt en geen onderdeel uitmaakt van de representatieve bedrijfssituatie en dus niet zonder meer reden voor weigering kan zijn. Daarbij komt dat de fakkels een omkasting hebben zodat de vlam voor omwonenden niet waarneembaar is en dus niet of nauwelijks overlast voor [eisers 1] en [eisers 2] kunnen veroorzaken. 10.8 Tot slot heeft het college over het aantal verkeersbewegingen gesteld dat dat ten opzichte van de reeds in 2018 vergunde situatie ongewijzigd blijft. De verkeersveiligheid op de Schorrenweg is daarnaast beoordeeld in het ruimtelijk spoor, te weten in het besluit van 31 augustus 2018 tot wijziging van de bestemming van het perceel Schorrenweg 12A en geen belemmering bevonden voor het toestaan van een bio-vergister op het perceel. Dit aspect verkeersveiligheid is daarom geen onderdeel van het toetsingskader van deze omgevingsvergunning. [eisers 1] en [eisers 2] hebben de juistheid van dat argument niet bestreden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding dat standpunt onjuist te achten. 10.9 Het college heeft dus de belangen van [eisers 1] en [eisers 2] voldoende betrokken bij het bestreden besluit zowel wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan als het vergunnen van de (iets) gewijzigde inrichting. Er is dus geen grond voor de conclusie dat het woon- en leefklimaat van [eisers 1] en [eisers 2] zodanig verslechtert dat de vergunning niet mocht worden verleend. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Is sprake van één inrichting met de naastgelegen stierkalvenmesterij en moet de vergunning daarom worden geweigerd? 11.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren, zo begrijpt de rechtbank, aan dat het college geen rekening heeft gehouden met de reeds aanwezige intensieve veeteelt, namelijk de stierkalvenmesterij. Ten onrechte stelt het college dat de kalvermesterij met de vergister niet één inrichting vormt. Omdat het wel om één inrichting gaat, mocht de vergunning niet in de huidige vorm worden verleend. De beide bedrijven zijn feitelijk allemaal in een hand en vormen één bedrijf, omdat zij naast elkaar liggen. Er komt alleen een schuifdeur of schuifhek tussen de bedrijven te staan. 11.2 Het college stelt zich op het standpunt dat de stierkalvermesterij op het naastgelegen perceel en de bio-vergister niet zijn aan te merken als één inrichting in de zin van artikel 1.2, vierde lid, Wet milieubeheer. De eigenaar van de kalvermesterij stelt weliswaar de grond ter beschikking waarop de bio-vergister staat, maar verhuurt deze aan een derde-partij . Verder is het college niet gebleken van technische, organisatorische of functionele bindingen tussen beide inrichtingen. Beiden hebben eigen bedrijfsmiddelen, eigen nutsvoorzieningen en functioneren volledig zelfstandig naast elkaar. Bij de vergunningverlening voor het onderdeel milieu zijn daarom alleen de milieugevolgen van de inrichting waar de aanvraag betrekking op heeft, beoordeeld. Een toets aan de milieugevolgen van de naastgelegen inrichting kan buiten beschouwing blijven. 11.3 De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die is ingediend. De aanvraag ziet niet op een gecombineerde inrichting inclusief de stierkalvenmesterij, maar alleen op de bio-vergister. Het college heeft daarom terecht de mesterij buiten beschouwing gelaten. Een aanvraag om vergunning die (beweerdelijk) niet de gehele inrichting omvat, kan niet om die reden worden geweigerd . Indien de vergister en de mesterij in de praktijk wel één inrichting blijken te vormen, dan mag die inrichting - onder het tot 1 januari 2024 geldende recht - niet in werking zijn zonder een daartoe strekkende vergunning en kan over die overtreding een handhavingsverzoek worden gedaan. 11.4 Ten overvloede merkt de rechtbank daar bij op dat ter zitting is gebleken dat tussen de mesterij en de bio-vergister weliswaar organisatorisch binding bestaat omdat een tot het concern van [B.V. 1] behorende vennootschap de grond voor de bio-vergister ter beschikking stelt en [B.V. 1] ook (indirect) een (minderheids)aandeel heeft in de (beoogde) drijver van de inrichting [B.V. 2] Ten tijde van de aanvraag (en het besluit) was echter geen sprake van technische of functionele bindingen tussen de bio-vergister en de mesterij, zodat het college zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van één inrichting. Beide bedrijven hebben eigen bedrijfsmiddelen, eigen nutsvoorzieningen en functioneren volledig zelfstandig naast elkaar. 11.5 Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Welke afvalstoffen zijn toegestaan? 12.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren aan dat in de omgevingsvergunning is voorgeschreven dat er geen dierlijke afvalstoffen, zoals mest, vergist mogen worden, maar dat het nog steeds onduidelijk is welke stoffen dan wel in de bio-vergister mogen worden vergist. In de aanvraag staat dat ook gras vergist zal worden dat is verkregen door wisselteelt. In het besluit tot wijziging van de bestemming van 31 augustus 2018 is echter uitdrukkelijk als voorwaarde gesteld dat er geen speciaal daarvoor geproduceerde gewassen mogen worden vergist. Gras uit wisselteelt is, aldus [eisers 1] en [eisers 2] , een dergelijk speciaal geproduceerd gewas. Ervan uitgaande dat alleen berm- en natuurgras in de bio-vergister mag worden vergist, zal de bio-vergister onvoldoende rendement opleveren en dus niet levensvatbaar zijn. Daarom moet, zo begrijpt de rechtbank hun standpunt, de vergunning worden geweigerd. Ten slotte wordt op Texel erover gesproken dat er wel mest vergist zal worden. Dat mag niet en ook daarom moet de vergunning geweigerd, zo begrijpt de rechtbank deze beroepsgrond. 12.2 De rechtbank overweegt daarover als volgt. In voorschrift 2.6.2 van de vergunning staat welke stoffen binnen de inrichting mogen worden verwerkt. Het gaat om ‘alleen stoffen van plantaardige herkomst die vermeld staan in Bijlage Aa onderdeel IV, categorieën A1, A2, B, C1 en G1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet met een gezamenlijke capaciteit van 14.000 ton op jaarbasis’. Daar valt mest dus niet onder. Voor zover gesteld wordt dat sprake is van strijd met het besluit van 31 augustus 2018 tot wijziging van de bestemming van het perceel naar ‘agrarisch bio-vergistingsinstallatie’, overweegt de rechtbank dat in de daaraan verbonden voorwaarden inderdaad staat dat de te vergisten stoffen afkomstig moeten zijn van Texel. Er mag geen materiaal van buiten het eiland worden aangevoerd. Als dat wel het geval zal blijken te zijn, is dat een overtreding waartegen kan worden opgetreden. Het gras verkregen uit wisselteelt is afkomstig van Texel en wordt, zo hebben het college en [B.V. 1] voldoende overtuigend toegelicht, niet specifiek voor de bio-vergister geteeld. De vraag of de bio-vergister rendabel zal zijn, vormt ten slotte geen onderdeel van het toetsingskader bij het onderdeel milieu. Wat daar dus ook van zij, dat de installatie niet rendabel zou zijn, is geen weigeringsgrond voor dit onderdeel. 12.3 Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Relativiteitsvereiste? 13.
Volledig
10.4 Voor zover [eisers 1] en [eisers 2] met deze beroepsgrond hebben bedoeld te betogen dat de inrichting voor hen te veel milieuhinder zal veroorzaken, overweegt de rechtbank als volgt. 10.5 Ten aanzien van het geluid dat afkomstig is van de inrichting, heeft het college in het bestreden besluit gemotiveerd dat op de dichtstbijzijnde woning, dat is de woning waar de [eisers 3] woonde ( [adres 4] ), wordt voldaan aan de geldende geluidnorm uit het Activiteitenbesluit en de toepasselijke circulaires over geluidhinder. De woningen van eisers liggen (veel) verder van de inrichting dan deze woning, zodat voldoende aannemelijk is dat ook voor hun geldt dat voldaan wordt aan de geldende geluidsnorm. 10.6 Ten aanzien van de (mogelijke) geur afkomstig van de inrichting heeft het college in het bestreden besluit voldoende overtuigend gemotiveerd dat de sleufsilo’s, de enige mogelijke bron van geuroverlast, zijn afgesloten zodat daar geen geuremissie vandaan komt. [eisers 1] en [eisers 2] worden door geuroverlast niet in hun woonbelangen geschaad. 10.7 Over het affakkelen heeft het college onbestreden gesteld dat dat alleen bij een calamiteit plaatsvindt en geen onderdeel uitmaakt van de representatieve bedrijfssituatie en dus niet zonder meer reden voor weigering kan zijn. Daarbij komt dat de fakkels een omkasting hebben zodat de vlam voor omwonenden niet waarneembaar is en dus niet of nauwelijks overlast voor [eisers 1] en [eisers 2] kunnen veroorzaken. 10.8 Tot slot heeft het college over het aantal verkeersbewegingen gesteld dat dat ten opzichte van de reeds in 2018 vergunde situatie ongewijzigd blijft. De verkeersveiligheid op de Schorrenweg is daarnaast beoordeeld in het ruimtelijk spoor, te weten in het besluit van 31 augustus 2018 tot wijziging van de bestemming van het perceel Schorrenweg 12A en geen belemmering bevonden voor het toestaan van een bio-vergister op het perceel. Dit aspect verkeersveiligheid is daarom geen onderdeel van het toetsingskader van deze omgevingsvergunning. [eisers 1] en [eisers 2] hebben de juistheid van dat argument niet bestreden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding dat standpunt onjuist te achten. 10.9 Het college heeft dus de belangen van [eisers 1] en [eisers 2] voldoende betrokken bij het bestreden besluit zowel wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan als het vergunnen van de (iets) gewijzigde inrichting. Er is dus geen grond voor de conclusie dat het woon- en leefklimaat van [eisers 1] en [eisers 2] zodanig verslechtert dat de vergunning niet mocht worden verleend. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Is sprake van één inrichting met de naastgelegen stierkalvenmesterij en moet de vergunning daarom worden geweigerd? 11.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren, zo begrijpt de rechtbank, aan dat het college geen rekening heeft gehouden met de reeds aanwezige intensieve veeteelt, namelijk de stierkalvenmesterij. Ten onrechte stelt het college dat de kalvermesterij met de vergister niet één inrichting vormt. Omdat het wel om één inrichting gaat, mocht de vergunning niet in de huidige vorm worden verleend. De beide bedrijven zijn feitelijk allemaal in een hand en vormen één bedrijf, omdat zij naast elkaar liggen. Er komt alleen een schuifdeur of schuifhek tussen de bedrijven te staan. 11.2 Het college stelt zich op het standpunt dat de stierkalvermesterij op het naastgelegen perceel en de bio-vergister niet zijn aan te merken als één inrichting in de zin van artikel 1.2, vierde lid, Wet milieubeheer. De eigenaar van de kalvermesterij stelt weliswaar de grond ter beschikking waarop de bio-vergister staat, maar verhuurt deze aan een derde-partij . Verder is het college niet gebleken van technische, organisatorische of functionele bindingen tussen beide inrichtingen. Beiden hebben eigen bedrijfsmiddelen, eigen nutsvoorzieningen en functioneren volledig zelfstandig naast elkaar. Bij de vergunningverlening voor het onderdeel milieu zijn daarom alleen de milieugevolgen van de inrichting waar de aanvraag betrekking op heeft, beoordeeld. Een toets aan de milieugevolgen van de naastgelegen inrichting kan buiten beschouwing blijven. 11.3 De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die is ingediend. De aanvraag ziet niet op een gecombineerde inrichting inclusief de stierkalvenmesterij, maar alleen op de bio-vergister. Het college heeft daarom terecht de mesterij buiten beschouwing gelaten. Een aanvraag om vergunning die (beweerdelijk) niet de gehele inrichting omvat, kan niet om die reden worden geweigerd . Indien de vergister en de mesterij in de praktijk wel één inrichting blijken te vormen, dan mag die inrichting - onder het tot 1 januari 2024 geldende recht - niet in werking zijn zonder een daartoe strekkende vergunning en kan over die overtreding een handhavingsverzoek worden gedaan. 11.4 Ten overvloede merkt de rechtbank daar bij op dat ter zitting is gebleken dat tussen de mesterij en de bio-vergister weliswaar organisatorisch binding bestaat omdat een tot het concern van [B.V. 1] behorende vennootschap de grond voor de bio-vergister ter beschikking stelt en [B.V. 1] ook (indirect) een (minderheids)aandeel heeft in de (beoogde) drijver van de inrichting [B.V. 2] Ten tijde van de aanvraag (en het besluit) was echter geen sprake van technische of functionele bindingen tussen de bio-vergister en de mesterij, zodat het college zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van één inrichting. Beide bedrijven hebben eigen bedrijfsmiddelen, eigen nutsvoorzieningen en functioneren volledig zelfstandig naast elkaar. 11.5 Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Welke afvalstoffen zijn toegestaan? 12.1 [eisers 1] en [eisers 2] voeren aan dat in de omgevingsvergunning is voorgeschreven dat er geen dierlijke afvalstoffen, zoals mest, vergist mogen worden, maar dat het nog steeds onduidelijk is welke stoffen dan wel in de bio-vergister mogen worden vergist. In de aanvraag staat dat ook gras vergist zal worden dat is verkregen door wisselteelt. In het besluit tot wijziging van de bestemming van 31 augustus 2018 is echter uitdrukkelijk als voorwaarde gesteld dat er geen speciaal daarvoor geproduceerde gewassen mogen worden vergist. Gras uit wisselteelt is, aldus [eisers 1] en [eisers 2] , een dergelijk speciaal geproduceerd gewas. Ervan uitgaande dat alleen berm- en natuurgras in de bio-vergister mag worden vergist, zal de bio-vergister onvoldoende rendement opleveren en dus niet levensvatbaar zijn. Daarom moet, zo begrijpt de rechtbank hun standpunt, de vergunning worden geweigerd. Ten slotte wordt op Texel erover gesproken dat er wel mest vergist zal worden. Dat mag niet en ook daarom moet de vergunning geweigerd, zo begrijpt de rechtbank deze beroepsgrond. 12.2 De rechtbank overweegt daarover als volgt. In voorschrift 2.6.2 van de vergunning staat welke stoffen binnen de inrichting mogen worden verwerkt. Het gaat om ‘alleen stoffen van plantaardige herkomst die vermeld staan in Bijlage Aa onderdeel IV, categorieën A1, A2, B, C1 en G1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet met een gezamenlijke capaciteit van 14.000 ton op jaarbasis’. Daar valt mest dus niet onder. Voor zover gesteld wordt dat sprake is van strijd met het besluit van 31 augustus 2018 tot wijziging van de bestemming van het perceel naar ‘agrarisch bio-vergistingsinstallatie’, overweegt de rechtbank dat in de daaraan verbonden voorwaarden inderdaad staat dat de te vergisten stoffen afkomstig moeten zijn van Texel. Er mag geen materiaal van buiten het eiland worden aangevoerd. Als dat wel het geval zal blijken te zijn, is dat een overtreding waartegen kan worden opgetreden. Het gras verkregen uit wisselteelt is afkomstig van Texel en wordt, zo hebben het college en [B.V. 1] voldoende overtuigend toegelicht, niet specifiek voor de bio-vergister geteeld. De vraag of de bio-vergister rendabel zal zijn, vormt ten slotte geen onderdeel van het toetsingskader bij het onderdeel milieu. Wat daar dus ook van zij, dat de installatie niet rendabel zou zijn, is geen weigeringsgrond voor dit onderdeel. 12.3 Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Relativiteitsvereiste? 13.