Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-05-06
ECLI:NL:RBNHO:2026:5361
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
20,230 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5361 text/xml public 2026-05-20T15:00:04 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-06 HAA 25/4931 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5361 text/html public 2026-05-20T12:57:38 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5361 Rechtbank Noord-Holland , 06-05-2026 / HAA 25/4931 Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunningen voor het bouwen van een gebouw voor sport- en fitness-activiteiten in Zaandam. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen voor de bouw van de sportschool heeft mogen verlenen. Het bouwplan is niet in strijd met de parkeervoorzieningseisen uit de beheersverordening. Er gelden geen welstandseisen, zodat het bouwwerk ook daarmee niet in strijd kan zijn. Toetsing aan de regels over de zogenoemde ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is, anders dan eisers aanvoeren, ook niet aan de orde. Op enkele regels – met name die over natuurbescherming en regels over veiligheid rond hoogspanningsleidingen – kunnen eisers geen beroep doen. Voorts is niet aannemelijk dat het bouwplan zou moeten worden afgewezen omdat inbreuk zou worden gemaakt op de regels voor bescherming van beschermde diersoorten. De overige gronden die eisers hebben aangevoerd, – met name met betrekking tot toename van verkeer in de wijk en de verkeersveiligheid en de RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/4931 en 25/4933 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaken tussen 1. in zaak 25/4931: [eiser] , uit [plaats] , eiser 1 en 2. in zaak 25/4933: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 18] , [naam 19] , [naam 20] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 23] , [naam 24] , [naam 25] , [naam 26] , [naam 27] , [naam 28] , [naam 29] en [naam 30] , allen uit [plaats] , eisers 2 gemachtigde: eiser 1, [eiser] voornoemd, eiser 1 en eisers 2 duidt de rechtbank tezamen ook aan als: eisers en in beide zaken: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad , het college gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen, advocaat te Hoofddorp. Als derde-partij neemt aan beide zaken deel: de besloten vennootschap [B.V.] uit [plaats] , vergunninghoudster vertegenwoordigers: [naam bestuurder 1] en [naam bestuurder 2] , bestuurders. Samenvatting 1.1 Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunningen voor het bouwen van een gebouw voor sport- en fitness-activiteiten met uitweg op een thans onbebouwd terrein nabij de hoek van de Houtveldweg en Weiteveen te Zaandam . Eisers, buurtbewoners, zijn het niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunningen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Op grond van de wet beoordeelt de rechtbank (uitsluitend) aan de hand van deze beroepsgronden of het college de vergunningen heeft kunnen verlenen. Daarbij is van belang of aan eisers een beroep toe komt op alle rechtsregels die zien op hun beroepsgronden. In geschil is met name of aan de parkeervoorzieningseisen uit de ter plaatse geldende beheersverordening is voldaan en of de voor de bouw noodzakelijke afwijking van de beheersverordening al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel of het college anderszins de afwijking niet had mogen vergunnen. Voorts voeren eisers aan dat het bouwplan in strijd zou zijn met volgens hen ter plaatse geldende regels van welstand. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen voor de bouw van de sportschool heeft mogen verlenen. Het bouwplan is niet in strijd met de parkeervoorzieningseisen uit de beheersverordening. Er gelden geen welstandseisen, zodat het bouwwerk ook daarmee niet in strijd kan zijn. Toetsing aan de regels over de zogenoemde ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is, anders dan eisers aanvoeren, ook niet aan de orde. Op enkele regels – met name die over natuurbescherming en regels over veiligheid rond hoogspanningsleidingen – kunnen eisers geen beroep doen. Voorts is niet aannemelijk dat het bouwplan zou moeten worden afgewezen omdat inbreuk zou worden gemaakt op de regels voor bescherming van beschermde diersoorten. De overige gronden die eisers hebben aangevoerd, – met name met betrekking tot toename van verkeer in de wijk en de verkeersveiligheid en de relatie met andere bestaande bestemmingen – zijn ofwel niet voldoende onderbouwd of brengen niet mee dat het college het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet achten dan wel in het kader van de te maken belangenafweging hadden moeten nopen tot weigering van de vergunning tot afwijking van de beheersverordening. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop en enige feiten 2.1 De vergunninghoudster heeft op 12 mei 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de realisatie van een nieuw gebouw voor haar tot heden elders in het westelijk deel van Zaandam – in de wijk Westerwatering – aangeboden sportactiviteiten, door haar aangeduid als sportschool, op het door haar van de gemeente aangekochte, thans nog onbebouwde, perceel met kadastraal nummer [nummer] (hierna het perceel) nabij de hoek van de Houtveldweg en Weiteveen in Zaandam . 2.2 Het perceel is onderdeel van een groter onbebouwd stuk grond (hierna: het groene perceel) waarop planten groeien (bomen en gras), enige speelvoorzieningen zijn aangebracht, (bouw)afval is opgeslagen en inmiddels een (tijdelijk) kinderdagverblijf met nieuwe toegangsweg en parkeerplaatsen is gerealiseerd. Langs de Houtveldweg loopt – ook nabij het perceel, op minder dan 90 meter afstand – een hoogspanningsleiding. 2.3 Eiser 1 exploiteert een sportschool en woont met de eisers 2 met dezelfde achternaam op het naastgelegen terrein aan de Weiteveen, vanaf het geplande gebouw gezien achter het kinderdagverblijf, dat in wezen ook onderdeel is van het groene perceel. 2.4 De overige eisers 2 wonen aan de Bovenveen, Dalerveen, Eesveen en het Westerzijderveld. Hun woningen staan ten opzichte van het geplande gebouw niet aan de overkant van de Weiteveen, maar daar achter en overigens ook niet dichterbij het geplande gebouw dan de woning en de sportschool van eiser 1. 2.5 Het dichtstbijzijnde Natura-2000-gebied is de polder Westzaan op tenminste 600 meter – volgens het college – of 400 meter – volgens eisers van de daar dichtstbij wonende eiser. Tussen de woningen van alle eisers en dat Natura-2000-gebied strekt zich de wijk Westerwatering verder uit, waar meerdere woningen staan. Geen van de eisers heeft rechtstreeks zicht op of woont aan dat Natura-2000-gebied. 2.6 Het groene perceel is wellicht wel geschikt voor kleine marterachtigen, buizerds en vleermuizen, maar die soorten of verblijfplaatsen daarvan zijn daar niet (recent) aangetroffen. 2.7 Op 12 maart 2025 heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eisers hebben hiertegen zienswijzen ingediend. De zienswijzen van eisers zijn, met andere ingediende zienswijzen, beantwoord bij de beantwoording zienswijzen van 17 september 2025. 2.8 Met het bestreden besluit van 22 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. 2.9 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.10 Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en nog op de zaak betrekking hebbende stukken nagezonden. Vergunninghoudster heeft ook een reactie ingediend. Eisers hebben op het verweerschrift gereageerd. 2.11 De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, tevens als gemachtigde van eisers 2, bijgestaan door [naam 31] en vergezeld door [naam ecoloog] , ecoloog, en [naam verkeerskundige 1] , verkeerskundige.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5361 text/xml public 2026-05-20T15:00:04 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-06 HAA 25/4931 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5361 text/html public 2026-05-20T12:57:38 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5361 Rechtbank Noord-Holland , 06-05-2026 / HAA 25/4931 Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunningen voor het bouwen van een gebouw voor sport- en fitness-activiteiten in Zaandam. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen voor de bouw van de sportschool heeft mogen verlenen. Het bouwplan is niet in strijd met de parkeervoorzieningseisen uit de beheersverordening. Er gelden geen welstandseisen, zodat het bouwwerk ook daarmee niet in strijd kan zijn. Toetsing aan de regels over de zogenoemde ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is, anders dan eisers aanvoeren, ook niet aan de orde. Op enkele regels – met name die over natuurbescherming en regels over veiligheid rond hoogspanningsleidingen – kunnen eisers geen beroep doen. Voorts is niet aannemelijk dat het bouwplan zou moeten worden afgewezen omdat inbreuk zou worden gemaakt op de regels voor bescherming van beschermde diersoorten. De overige gronden die eisers hebben aangevoerd, – met name met betrekking tot toename van verkeer in de wijk en de verkeersveiligheid en de RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummers: HAA 25/4931 en 25/4933 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaken tussen 1. in zaak 25/4931: [eiser] , uit [plaats] , eiser 1 en 2. in zaak 25/4933: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 18] , [naam 19] , [naam 20] , [naam 21] , [naam 22] , [naam 23] , [naam 24] , [naam 25] , [naam 26] , [naam 27] , [naam 28] , [naam 29] en [naam 30] , allen uit [plaats] , eisers 2 gemachtigde: eiser 1, [eiser] voornoemd, eiser 1 en eisers 2 duidt de rechtbank tezamen ook aan als: eisers en in beide zaken: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad , het college gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen, advocaat te Hoofddorp. Als derde-partij neemt aan beide zaken deel: de besloten vennootschap [B.V.] uit [plaats] , vergunninghoudster vertegenwoordigers: [naam bestuurder 1] en [naam bestuurder 2] , bestuurders. Samenvatting 1.1 Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunningen voor het bouwen van een gebouw voor sport- en fitness-activiteiten met uitweg op een thans onbebouwd terrein nabij de hoek van de Houtveldweg en Weiteveen te Zaandam . Eisers, buurtbewoners, zijn het niet eens met de verlening van deze omgevingsvergunningen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Op grond van de wet beoordeelt de rechtbank (uitsluitend) aan de hand van deze beroepsgronden of het college de vergunningen heeft kunnen verlenen. Daarbij is van belang of aan eisers een beroep toe komt op alle rechtsregels die zien op hun beroepsgronden. In geschil is met name of aan de parkeervoorzieningseisen uit de ter plaatse geldende beheersverordening is voldaan en of de voor de bouw noodzakelijke afwijking van de beheersverordening al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, dan wel of het college anderszins de afwijking niet had mogen vergunnen. Voorts voeren eisers aan dat het bouwplan in strijd zou zijn met volgens hen ter plaatse geldende regels van welstand. 1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunningen voor de bouw van de sportschool heeft mogen verlenen. Het bouwplan is niet in strijd met de parkeervoorzieningseisen uit de beheersverordening. Er gelden geen welstandseisen, zodat het bouwwerk ook daarmee niet in strijd kan zijn. Toetsing aan de regels over de zogenoemde ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is, anders dan eisers aanvoeren, ook niet aan de orde. Op enkele regels – met name die over natuurbescherming en regels over veiligheid rond hoogspanningsleidingen – kunnen eisers geen beroep doen. Voorts is niet aannemelijk dat het bouwplan zou moeten worden afgewezen omdat inbreuk zou worden gemaakt op de regels voor bescherming van beschermde diersoorten. De overige gronden die eisers hebben aangevoerd, – met name met betrekking tot toename van verkeer in de wijk en de verkeersveiligheid en de relatie met andere bestaande bestemmingen – zijn ofwel niet voldoende onderbouwd of brengen niet mee dat het college het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet achten dan wel in het kader van de te maken belangenafweging hadden moeten nopen tot weigering van de vergunning tot afwijking van de beheersverordening. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop en enige feiten 2.1 De vergunninghoudster heeft op 12 mei 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de realisatie van een nieuw gebouw voor haar tot heden elders in het westelijk deel van Zaandam – in de wijk Westerwatering – aangeboden sportactiviteiten, door haar aangeduid als sportschool, op het door haar van de gemeente aangekochte, thans nog onbebouwde, perceel met kadastraal nummer [nummer] (hierna het perceel) nabij de hoek van de Houtveldweg en Weiteveen in Zaandam . 2.2 Het perceel is onderdeel van een groter onbebouwd stuk grond (hierna: het groene perceel) waarop planten groeien (bomen en gras), enige speelvoorzieningen zijn aangebracht, (bouw)afval is opgeslagen en inmiddels een (tijdelijk) kinderdagverblijf met nieuwe toegangsweg en parkeerplaatsen is gerealiseerd. Langs de Houtveldweg loopt – ook nabij het perceel, op minder dan 90 meter afstand – een hoogspanningsleiding. 2.3 Eiser 1 exploiteert een sportschool en woont met de eisers 2 met dezelfde achternaam op het naastgelegen terrein aan de Weiteveen, vanaf het geplande gebouw gezien achter het kinderdagverblijf, dat in wezen ook onderdeel is van het groene perceel. 2.4 De overige eisers 2 wonen aan de Bovenveen, Dalerveen, Eesveen en het Westerzijderveld. Hun woningen staan ten opzichte van het geplande gebouw niet aan de overkant van de Weiteveen, maar daar achter en overigens ook niet dichterbij het geplande gebouw dan de woning en de sportschool van eiser 1. 2.5 Het dichtstbijzijnde Natura-2000-gebied is de polder Westzaan op tenminste 600 meter – volgens het college – of 400 meter – volgens eisers van de daar dichtstbij wonende eiser. Tussen de woningen van alle eisers en dat Natura-2000-gebied strekt zich de wijk Westerwatering verder uit, waar meerdere woningen staan. Geen van de eisers heeft rechtstreeks zicht op of woont aan dat Natura-2000-gebied. 2.6 Het groene perceel is wellicht wel geschikt voor kleine marterachtigen, buizerds en vleermuizen, maar die soorten of verblijfplaatsen daarvan zijn daar niet (recent) aangetroffen. 2.7 Op 12 maart 2025 heeft het college een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eisers hebben hiertegen zienswijzen ingediend. De zienswijzen van eisers zijn, met andere ingediende zienswijzen, beantwoord bij de beantwoording zienswijzen van 17 september 2025. 2.8 Met het bestreden besluit van 22 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. 2.9 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.10 Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en nog op de zaak betrekking hebbende stukken nagezonden. Vergunninghoudster heeft ook een reactie ingediend. Eisers hebben op het verweerschrift gereageerd. 2.11 De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, tevens als gemachtigde van eisers 2, bijgestaan door [naam 31] en vergezeld door [naam ecoloog] , ecoloog, en [naam verkeerskundige 1] , verkeerskundige.
Volledig
Voorts is verschenen de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam verkeerskundige 2] , verkeerskundige, en [naam 32] , beiden ambtenaren ten stadhuize. Voorts hebben deelgenomen voornoemde vertegenwoordigers van de vergunninghoudster. Beoordeling door de rechtbank Toepasselijk recht/overgangsrecht 3.1 Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van een hier niet relevante uitzondering. In dit geval is de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 12 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval niet de Omgevingswet maar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet natuurbescherming, het Besluit ruimtelijke ordening en de Beheersverordening Zaandam Oost en West (de beheersverordening) zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing zijn op de beoordeling in dit beroep. 3.2 In de bijlage bij deze uitspraak zijn enige in de uitspraak verkort aangehaalde wettelijke bepalingen vermeld. Het standpunt van het college in het bestreden besluit en het verweerschrift 4. Met het bestreden besluit heeft het college omgevingsvergunningen verleend voor de activiteit bouwen, de activiteit gebruiken van gronden of gebouwen in strijd met de beheersverordening en het maken van een uitweg. Welstandseisen gelden volgens het college niet, zodat daarin volgens het college geen grond voor weigering van de vergunning voor bouwen is gelegen. Voor zover het bouwplan in strijd is met de beheersverordening, omdat er strijd is met de bestemming groen en daar niet mag worden gebouwd, heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3º, Wabo. Volgens dit artikel kan die omgevingsvergunning tot afwijking van de beheerverordening alleen worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college wordt in dit geval aan deze voorwaarde voldaan. Het college ziet – gelet op de betrokken belangen – aanleiding de vergunning tot afwijking van de beheersverordening te verlenen. Het college overweegt hiertoe kort samengevat het volgende. De vergunninghoudster heeft een ecologische quickscan en een AERIUS-berekening uit laten voeren. Hieruit volgt volgens het college dat stikstofdepositie en (dus) gebiedenbeschermingsregimes en voorts soortenbeschermingsregimes zich niet verzetten tegen de verlening van de omgevingsvergunning. Ook de afstand tussen de sportschool en de hoogspanningsleiding vormt volgens het college geen belemmering voor het gebruik omdat de sportschool geen gevoelig object is. Andere in aanmerking te nemen omstandigheden en belangen als enige verkeerstoename, landschappelijke inpassing, mogelijke (beperkte) geluidsproductie en bodemgesteldheid, staan volgens het college ook niet aan verlening van de vergunning in de weg. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is volgens het college op deze aanvraag niet van toepassing. Ten aanzien van de in de beheersverordening opgenomen regels over parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen heeft het college het bouwplan getoetst aan het beleid zoals neergelegd in de “Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016”. Volgens het college voorziet het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid (op eigen terrein en op openbare parkeerplaatsen op het groene perceel) waardoor de parkeerdruk in de omgeving niet onaanvaardbaar zal toenemen, zodat het bouwplan met die regels uit de beheersverordening niet in strijd is. Zodoende ziet het college geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. Beoordelingskader, waaronder een goede ruimtelijke ordening 6.1 Eisers voeren in beroep verschillende argumenten aan waarom de omgevingsvergunningen volgens hen niet mogen worden verleend. Deze argumenten betreffen de vergunde afwijking van de beheersverordening en zien – met name – op toenemende parkeerdruk in hun buurt, op volgens hen nadelige effecten op Natura-2000-gebieden, de mogelijke aanwezigheid van beschermde diersoorten in het plangebied, de volgens hen verplichte ladder-toets, de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding en de verkeersveiligheid. Voorts voeren ze aan dat (bouw)vergunningverlening in strijd is met eisen van welstand. 6.2 De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo) mag alleen en moet worden geweigerd, als niet wordt voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 2.10, eerste lid, Wabo, waaronder het vereiste dat er geen strijd met regels van ruimtelijke ordening (waaronder een beheersverordening) mag zijn en, indien van toepassing, redelijke eisen van welstand. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo kan het college – als het dat nodig vindt – vergunnen gronden of bouwwerken in strijd met de beheersverordening te gebruiken met toepassing – in dit geval – van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, en onder 3º, Wabo, mits er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorvraag is dus of en op welke punten er feitelijk sprake is van strijd met de beheersverordening. Als dergelijke strijd er is, dan geldt in het algemeen dat het college een zekere beoordelingsvrijheid heeft bij het beantwoorden van de vraag of de gewenste activiteit op deze plaats in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Als er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening, heeft het college beleidsvrijheid om al dan aan de gevraagde afwijking mee te werken. Daartoe moet het college de aan de orde zijnde belangen in kaart brengen en afwegen. Voor zover het college zich in deze beoordelingen op feiten beroept en eisers die betwisten, toetst de rechtbank die vaststelling integraal. Als het vervolgens aankomt op de vraag wat een goede ruimtelijke ordening eist, dient de rechtbank enige beoordelingsruimte aan het college te laten. Voor zover het daarna aankomt op de beleidsvrijheid van het college om al dan aan de gevraagde afwijking mee te werken, kan de rechtbank de afweging van het college niet anders dan terughoudend toetsen, wat wil zeggen dat alleen bij een niet draagkrachtige motivering het besluit op dit punt niet in stand kan blijven. Bij de laatste afweging door het college is een integrale afweging aan de orde. 6.3 De rechtbank zal hieronder afzonderlijk ingaan op de door eisers aangevoerde gronden. Daarbij zal worden bezien of de door het college vastgestelde relevante en thans betwiste feiten juist zijn, er terecht is aangevoerd dat er strijd is met enige regel, of er – voor zover van toepassing en aangevoerd – strijd is met een goede ruimtelijke ordening en of de belangenafweging, voor zover bestreden, de toets in rechte kan doorstaan. 6.3 Op het voorgaande geldt wel een belangrijke uitzondering. Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag de rechtbank het besluit niet vernietigen op de grond dat sprake zou zijn van strijd met een regel, als die regel niet strekt ter bescherming van degene die zich daar op beroept. Dat betekent dat, als eisers zich beroepen op een rechtsregel die niet geldt ter bescherming van hun belangen, de beroepsgrond moet worden gepasseerd. Dat wordt het relativiteitsvereiste genoemd. De parkeerdruk 7.1 Eisers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met de regels over parkeren in het beheersplan en het college aan de verkeerde norm heeft getoetst, namelijk de parkeernorm voor sportscholen in plaats van voor fitnesscentra, waarvoor een hogere parkeernorm geldt. Als gevolg hiervan realiseert de vergunninghoudster te weinig parkeerplaatsen op eigen terrein zodat het bouwplan in strijd is met de beheersverordening. Verder stellen eisers dat dubbelgebruik van parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf, die het college mede in de beoordeling heeft betrokken of voldaan wordt aan de parkeernorm, niet planologisch of privaatrechtelijk is geborgd.
Volledig
Voorts is verschenen de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam verkeerskundige 2] , verkeerskundige, en [naam 32] , beiden ambtenaren ten stadhuize. Voorts hebben deelgenomen voornoemde vertegenwoordigers van de vergunninghoudster. Beoordeling door de rechtbank Toepasselijk recht/overgangsrecht 3.1 Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van een hier niet relevante uitzondering. In dit geval is de aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend op 12 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval niet de Omgevingswet maar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet natuurbescherming, het Besluit ruimtelijke ordening en de Beheersverordening Zaandam Oost en West (de beheersverordening) zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing zijn op de beoordeling in dit beroep. 3.2 In de bijlage bij deze uitspraak zijn enige in de uitspraak verkort aangehaalde wettelijke bepalingen vermeld. Het standpunt van het college in het bestreden besluit en het verweerschrift 4. Met het bestreden besluit heeft het college omgevingsvergunningen verleend voor de activiteit bouwen, de activiteit gebruiken van gronden of gebouwen in strijd met de beheersverordening en het maken van een uitweg. Welstandseisen gelden volgens het college niet, zodat daarin volgens het college geen grond voor weigering van de vergunning voor bouwen is gelegen. Voor zover het bouwplan in strijd is met de beheersverordening, omdat er strijd is met de bestemming groen en daar niet mag worden gebouwd, heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3º, Wabo. Volgens dit artikel kan die omgevingsvergunning tot afwijking van de beheerverordening alleen worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college wordt in dit geval aan deze voorwaarde voldaan. Het college ziet – gelet op de betrokken belangen – aanleiding de vergunning tot afwijking van de beheersverordening te verlenen. Het college overweegt hiertoe kort samengevat het volgende. De vergunninghoudster heeft een ecologische quickscan en een AERIUS-berekening uit laten voeren. Hieruit volgt volgens het college dat stikstofdepositie en (dus) gebiedenbeschermingsregimes en voorts soortenbeschermingsregimes zich niet verzetten tegen de verlening van de omgevingsvergunning. Ook de afstand tussen de sportschool en de hoogspanningsleiding vormt volgens het college geen belemmering voor het gebruik omdat de sportschool geen gevoelig object is. Andere in aanmerking te nemen omstandigheden en belangen als enige verkeerstoename, landschappelijke inpassing, mogelijke (beperkte) geluidsproductie en bodemgesteldheid, staan volgens het college ook niet aan verlening van de vergunning in de weg. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is volgens het college op deze aanvraag niet van toepassing. Ten aanzien van de in de beheersverordening opgenomen regels over parkeervoorzieningen voor auto's en fietsen heeft het college het bouwplan getoetst aan het beleid zoals neergelegd in de “Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016”. Volgens het college voorziet het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid (op eigen terrein en op openbare parkeerplaatsen op het groene perceel) waardoor de parkeerdruk in de omgeving niet onaanvaardbaar zal toenemen, zodat het bouwplan met die regels uit de beheersverordening niet in strijd is. Zodoende ziet het college geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. Beoordelingskader, waaronder een goede ruimtelijke ordening 6.1 Eisers voeren in beroep verschillende argumenten aan waarom de omgevingsvergunningen volgens hen niet mogen worden verleend. Deze argumenten betreffen de vergunde afwijking van de beheersverordening en zien – met name – op toenemende parkeerdruk in hun buurt, op volgens hen nadelige effecten op Natura-2000-gebieden, de mogelijke aanwezigheid van beschermde diersoorten in het plangebied, de volgens hen verplichte ladder-toets, de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding en de verkeersveiligheid. Voorts voeren ze aan dat (bouw)vergunningverlening in strijd is met eisen van welstand. 6.2 De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo) mag alleen en moet worden geweigerd, als niet wordt voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 2.10, eerste lid, Wabo, waaronder het vereiste dat er geen strijd met regels van ruimtelijke ordening (waaronder een beheersverordening) mag zijn en, indien van toepassing, redelijke eisen van welstand. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo kan het college – als het dat nodig vindt – vergunnen gronden of bouwwerken in strijd met de beheersverordening te gebruiken met toepassing – in dit geval – van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, en onder 3º, Wabo, mits er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorvraag is dus of en op welke punten er feitelijk sprake is van strijd met de beheersverordening. Als dergelijke strijd er is, dan geldt in het algemeen dat het college een zekere beoordelingsvrijheid heeft bij het beantwoorden van de vraag of de gewenste activiteit op deze plaats in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Als er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening, heeft het college beleidsvrijheid om al dan aan de gevraagde afwijking mee te werken. Daartoe moet het college de aan de orde zijnde belangen in kaart brengen en afwegen. Voor zover het college zich in deze beoordelingen op feiten beroept en eisers die betwisten, toetst de rechtbank die vaststelling integraal. Als het vervolgens aankomt op de vraag wat een goede ruimtelijke ordening eist, dient de rechtbank enige beoordelingsruimte aan het college te laten. Voor zover het daarna aankomt op de beleidsvrijheid van het college om al dan aan de gevraagde afwijking mee te werken, kan de rechtbank de afweging van het college niet anders dan terughoudend toetsen, wat wil zeggen dat alleen bij een niet draagkrachtige motivering het besluit op dit punt niet in stand kan blijven. Bij de laatste afweging door het college is een integrale afweging aan de orde. 6.3 De rechtbank zal hieronder afzonderlijk ingaan op de door eisers aangevoerde gronden. Daarbij zal worden bezien of de door het college vastgestelde relevante en thans betwiste feiten juist zijn, er terecht is aangevoerd dat er strijd is met enige regel, of er – voor zover van toepassing en aangevoerd – strijd is met een goede ruimtelijke ordening en of de belangenafweging, voor zover bestreden, de toets in rechte kan doorstaan. 6.3 Op het voorgaande geldt wel een belangrijke uitzondering. Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag de rechtbank het besluit niet vernietigen op de grond dat sprake zou zijn van strijd met een regel, als die regel niet strekt ter bescherming van degene die zich daar op beroept. Dat betekent dat, als eisers zich beroepen op een rechtsregel die niet geldt ter bescherming van hun belangen, de beroepsgrond moet worden gepasseerd. Dat wordt het relativiteitsvereiste genoemd. De parkeerdruk 7.1 Eisers voeren aan dat het bouwplan in strijd is met de regels over parkeren in het beheersplan en het college aan de verkeerde norm heeft getoetst, namelijk de parkeernorm voor sportscholen in plaats van voor fitnesscentra, waarvoor een hogere parkeernorm geldt. Als gevolg hiervan realiseert de vergunninghoudster te weinig parkeerplaatsen op eigen terrein zodat het bouwplan in strijd is met de beheersverordening. Verder stellen eisers dat dubbelgebruik van parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf, die het college mede in de beoordeling heeft betrokken of voldaan wordt aan de parkeernorm, niet planologisch of privaatrechtelijk is geborgd.
Volledig
7.2 Volgens artikel 5 van de beheersverordening moet het college de omgevingsvergunning weigeren als onvoldoende parkeervoorzieningen voor auto's (en fietsen) worden gerealiseerd op de betreffende locatie of in de directe omgeving daarvan in of buiten het plangebied. Daarbij zijn de normen die zijn neergelegd in de “Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016” (hierna: parkeernota) van toepassing. 7.3 Het college is terecht tot de conclusie gekomen dat het plan op dit punt voldoet aan de beheersverordening en de parkeerdruk in de wijk als gevolg van het bouwplan dus niet zal toenemen. 7.4 Het geschil tussen partijen is toegespitst op de vraag of het bouwplan ziet op de bouw van een fitnesstudio/sportschool, zoals het college en vergunninghoudster stellen, dan wel een fitnesscentrum, zoals eisers aanvoeren. Als sprake is van een fitnesstudio/sportschool moeten volgens de parkeernota 4,2 parkeerplaatsen per 100 m² van het te realiseren gebouw beschikbaar zijn. Voor fitnesscentra geldt een hogere parkeernormen van 5,8 parkeerplaatsen per 100 m². Deze normen staan in tabellen in Bijlage 1 bij van de parkeernota. Uit de nota volgt dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de meest recente landelijke kencijfers van het kennisplatform CROW. 7.5 Ter zitting hebben partijen toegelicht dat de definities van de termen “fitnesscentrum” en “sportschool/fitnesscentrum” zoals opgenomen in de tabellen bij de parkeernota zijn terug te vinden op pagina 54 van de publicatie van het kennisplatform CROW getiteld ‘Toekomstbestendig parkeren - Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ uit 2018. Eisers hebben deze pagina ter zitting overgelegd. In dat document is vermeld dat met een fitnesstudio/sportschool wordt gedoeld op kleinschaligere voorzieningen (indicatie circa 750 m² bvo) waar voor het overgrote deel alleen gebruik wordt gemaakt van fitnessapparaten. Bij een fitnesscentrum gaat het volgens de definitie op die pagina om zogenoemde grotere multifunctionele centra (groter dan 1500 m² bvo) die een breed pakket aan activiteiten aanbieden. Dit betreft zowel individueel trainen als groepslessen, diverse vormen van fitness zoals cardiofitness, krachttraining, spinning en aerobics, eventueel in beperkte mate aangevuld met wellnessvoorzieningen zoals sauna of zonnebank. De nadruk ligt wel op de sportfunctie. 7.6 Het gebouw dat de vergunninghoudster wil realiseren, heeft, zo is niet in geschil, een oppervlakte (bvo) van 1140 m². Op basis van de oppervlakte valt dit gebouw dus niet onder de term “fitnesscentrum” uit de parkeernota, omdat daarvoor een minimale oppervlakte van 1500 m² geldt. Bij fitnessstudio/sportschool is 750 m² als indicatie vermeld en niet als maximale omvang. Het college heeft reeds daarom in redelijkheid het gebouw als fitnessstudio/sportschool kunnen kwalificeren en de daarbij horende rekennorm kunnen hanteren. Voor zover eisers aanvoeren dat de activiteiten en voorzieningen doorslaggevend zijn voor de kwalificatie als “fitnesscentrum” in plaats van als “sportschool/fitnessstudio”, hebben zij niet onderbouwd waar dit uit volgt. Uit het door hen ingebrachte advies volgt niet waarom ondanks de kleinere oppervlakte de sportschool toch moet worden aangemerkt als een fitnesscentrum met een hogere parkeernorm. De parkeerbehoefte heeft het college derhalve juist berekend op basis van de parkeernorm 4,2 per 100 m² is 46. 7.7 De vergunninghoudster realiseert 18 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast zijn op de openbare weg, deels bij het kinderdagverblijf 28 parkeerplaatsen voorzien. 7.8 Eisers voeren aan dat de parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf niet mogen worden meegeteld, enerzijds omdat dan sprake zou zijn van dubbelgebruik en anderzijds omdat dat (dubbel)gebruik niet planologisch of privaatrechtelijk zou zijn geborgd. Het college heeft daar echter terecht tegen aangevoerd, dat het piekgebruik door het kinderdagverblijf (halen en brengen) op andere momenten plaats vindt dan het piekgebruik door de sportschool (avond en weekend). Daarnaast valt niet in te zien, waarom die publieke parkeerplaatsen onvoldoende zouden zijn geborgd. 7.9 Het bouwplan is dus niet in strijd met de parkeerregels uit de beheersverordening. Welstand 8.1 Eisers voeren aan dat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan regels over redelijke eisen van welstand. 8.2 Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Uit de Welstandsnota Zaanstad 2013 zoals voor het laatst gewijzigd op 3 maart 2022, waarmee ook de proef met welstandsvrije gebieden is verlengd, volgt dat het gebied waar het plan moet worden gerealiseerd (nog steeds) onderdeel uitmaakt van het proefgebied met een welstandsvrij regime. Volgens dit beleid worden bouwplannen in deze gebieden, die geen betrekking hebben op een monument, niet getoetst aan redelijke eisen van welstand. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat voor het bouwplan de vrijstelling voor toetsing aan regels over redelijke eisen van welstand geldt, zodat het bouwplan dus niet in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo. De ladder-toets 9.1 Volgens eisers moet het college het bouwplan toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking, die in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is neergelegd als vereiste voor (het afwijken van) een bestemmingsplan, en heeft het college daar geen juiste toepassing aan gegeven. Een binnenstedelijke inpassing van een sportschool in een groengebied met een zware verkeersfunctie staat volgens eisers op gespannen voet met de beleidsambitie voor leefkwaliteit en groen behoud. 9.2 Deze beroepsgrond slaagt niet. Er is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening waarvoor de bijzondere motiveringseis geldt als in dat artikel neergelegd. De ladder-toets is enkel verplicht als sprake is van een "nieuwe stedelijke ontwikkeling". Het college stelt terecht dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en zeker niet een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Het plan ziet op een locatie binnen een bestaande woonwijk, zij het aan de rand tegen een spoorlijn, waar reeds vergelijkbare bestemmingen in de buurt zijn, te weten de sportschool van eiser 1 en speelvoorzieningen. Het enkele feit dat een bestaande bestemming groen deels wordt opgeofferd voor de sportschool, maakt niet dat sprake is van een nieuwe (min of meer grootschalige) stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Daar komt nog bij, zoals het college aanvoert, dat het gaat om een bestaande sportschool die van elders in de westelijke woonwijken (Westerwatering) van Zaandam wordt verplaatst naar deze plek. Ook daarom is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het college hoefde het besluit dus niet te motiveren op de wijze als in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven. De natura-2000 gebieden en de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding 10.1 Eisers voeren verder aan dat – zo begrijpt de rechtbank – de afwijking van het bestemmingsplan niet mag worden vergund en de sportschool niet mag worden gerealiseerd, omdat de (bouw van de) sportschool significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied en niet is gebleken dat een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, is gemaakt als bedoeld in de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming waaruit blijkt dat die gevolgen er niet zijn. Volgens eisers is de AERIUS-berekening, voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van het bouwplan ondeugdelijk, omdat de door de vergunninghoudster overgelegde berekening alleen zou zien op de primaire bouwfase en het herkomstkader van de gebruikte verkeersbewegingen niet transparant is. Verder ontbreekt volgens eisers in de berekening de cumulatie van stikstofemissie en -depositie met andere functies in de omgeving (zoals het kinderdagverblijf). 10.1 Daarnaast wijzen eisers erop dat de sportschool nu gerealiseerd wordt binnen de rekenafstanden die gelden voor bovengrondse hoogspanningslijnen.
Volledig
7.2 Volgens artikel 5 van de beheersverordening moet het college de omgevingsvergunning weigeren als onvoldoende parkeervoorzieningen voor auto's (en fietsen) worden gerealiseerd op de betreffende locatie of in de directe omgeving daarvan in of buiten het plangebied. Daarbij zijn de normen die zijn neergelegd in de “Uitvoeringsnota Parkeren Zaanstad 2016” (hierna: parkeernota) van toepassing. 7.3 Het college is terecht tot de conclusie gekomen dat het plan op dit punt voldoet aan de beheersverordening en de parkeerdruk in de wijk als gevolg van het bouwplan dus niet zal toenemen. 7.4 Het geschil tussen partijen is toegespitst op de vraag of het bouwplan ziet op de bouw van een fitnesstudio/sportschool, zoals het college en vergunninghoudster stellen, dan wel een fitnesscentrum, zoals eisers aanvoeren. Als sprake is van een fitnesstudio/sportschool moeten volgens de parkeernota 4,2 parkeerplaatsen per 100 m² van het te realiseren gebouw beschikbaar zijn. Voor fitnesscentra geldt een hogere parkeernormen van 5,8 parkeerplaatsen per 100 m². Deze normen staan in tabellen in Bijlage 1 bij van de parkeernota. Uit de nota volgt dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de meest recente landelijke kencijfers van het kennisplatform CROW. 7.5 Ter zitting hebben partijen toegelicht dat de definities van de termen “fitnesscentrum” en “sportschool/fitnesscentrum” zoals opgenomen in de tabellen bij de parkeernota zijn terug te vinden op pagina 54 van de publicatie van het kennisplatform CROW getiteld ‘Toekomstbestendig parkeren - Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ uit 2018. Eisers hebben deze pagina ter zitting overgelegd. In dat document is vermeld dat met een fitnesstudio/sportschool wordt gedoeld op kleinschaligere voorzieningen (indicatie circa 750 m² bvo) waar voor het overgrote deel alleen gebruik wordt gemaakt van fitnessapparaten. Bij een fitnesscentrum gaat het volgens de definitie op die pagina om zogenoemde grotere multifunctionele centra (groter dan 1500 m² bvo) die een breed pakket aan activiteiten aanbieden. Dit betreft zowel individueel trainen als groepslessen, diverse vormen van fitness zoals cardiofitness, krachttraining, spinning en aerobics, eventueel in beperkte mate aangevuld met wellnessvoorzieningen zoals sauna of zonnebank. De nadruk ligt wel op de sportfunctie. 7.6 Het gebouw dat de vergunninghoudster wil realiseren, heeft, zo is niet in geschil, een oppervlakte (bvo) van 1140 m². Op basis van de oppervlakte valt dit gebouw dus niet onder de term “fitnesscentrum” uit de parkeernota, omdat daarvoor een minimale oppervlakte van 1500 m² geldt. Bij fitnessstudio/sportschool is 750 m² als indicatie vermeld en niet als maximale omvang. Het college heeft reeds daarom in redelijkheid het gebouw als fitnessstudio/sportschool kunnen kwalificeren en de daarbij horende rekennorm kunnen hanteren. Voor zover eisers aanvoeren dat de activiteiten en voorzieningen doorslaggevend zijn voor de kwalificatie als “fitnesscentrum” in plaats van als “sportschool/fitnessstudio”, hebben zij niet onderbouwd waar dit uit volgt. Uit het door hen ingebrachte advies volgt niet waarom ondanks de kleinere oppervlakte de sportschool toch moet worden aangemerkt als een fitnesscentrum met een hogere parkeernorm. De parkeerbehoefte heeft het college derhalve juist berekend op basis van de parkeernorm 4,2 per 100 m² is 46. 7.7 De vergunninghoudster realiseert 18 parkeerplaatsen op eigen terrein. Daarnaast zijn op de openbare weg, deels bij het kinderdagverblijf 28 parkeerplaatsen voorzien. 7.8 Eisers voeren aan dat de parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf niet mogen worden meegeteld, enerzijds omdat dan sprake zou zijn van dubbelgebruik en anderzijds omdat dat (dubbel)gebruik niet planologisch of privaatrechtelijk zou zijn geborgd. Het college heeft daar echter terecht tegen aangevoerd, dat het piekgebruik door het kinderdagverblijf (halen en brengen) op andere momenten plaats vindt dan het piekgebruik door de sportschool (avond en weekend). Daarnaast valt niet in te zien, waarom die publieke parkeerplaatsen onvoldoende zouden zijn geborgd. 7.9 Het bouwplan is dus niet in strijd met de parkeerregels uit de beheersverordening. Welstand 8.1 Eisers voeren aan dat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan regels over redelijke eisen van welstand. 8.2 Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Uit de Welstandsnota Zaanstad 2013 zoals voor het laatst gewijzigd op 3 maart 2022, waarmee ook de proef met welstandsvrije gebieden is verlengd, volgt dat het gebied waar het plan moet worden gerealiseerd (nog steeds) onderdeel uitmaakt van het proefgebied met een welstandsvrij regime. Volgens dit beleid worden bouwplannen in deze gebieden, die geen betrekking hebben op een monument, niet getoetst aan redelijke eisen van welstand. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat voor het bouwplan de vrijstelling voor toetsing aan regels over redelijke eisen van welstand geldt, zodat het bouwplan dus niet in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo. De ladder-toets 9.1 Volgens eisers moet het college het bouwplan toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking, die in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is neergelegd als vereiste voor (het afwijken van) een bestemmingsplan, en heeft het college daar geen juiste toepassing aan gegeven. Een binnenstedelijke inpassing van een sportschool in een groengebied met een zware verkeersfunctie staat volgens eisers op gespannen voet met de beleidsambitie voor leefkwaliteit en groen behoud. 9.2 Deze beroepsgrond slaagt niet. Er is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening waarvoor de bijzondere motiveringseis geldt als in dat artikel neergelegd. De ladder-toets is enkel verplicht als sprake is van een "nieuwe stedelijke ontwikkeling". Het college stelt terecht dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en zeker niet een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Het plan ziet op een locatie binnen een bestaande woonwijk, zij het aan de rand tegen een spoorlijn, waar reeds vergelijkbare bestemmingen in de buurt zijn, te weten de sportschool van eiser 1 en speelvoorzieningen. Het enkele feit dat een bestaande bestemming groen deels wordt opgeofferd voor de sportschool, maakt niet dat sprake is van een nieuwe (min of meer grootschalige) stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Daar komt nog bij, zoals het college aanvoert, dat het gaat om een bestaande sportschool die van elders in de westelijke woonwijken (Westerwatering) van Zaandam wordt verplaatst naar deze plek. Ook daarom is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het college hoefde het besluit dus niet te motiveren op de wijze als in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven. De natura-2000 gebieden en de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding 10.1 Eisers voeren verder aan dat – zo begrijpt de rechtbank – de afwijking van het bestemmingsplan niet mag worden vergund en de sportschool niet mag worden gerealiseerd, omdat de (bouw van de) sportschool significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied en niet is gebleken dat een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, is gemaakt als bedoeld in de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming waaruit blijkt dat die gevolgen er niet zijn. Volgens eisers is de AERIUS-berekening, voor stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van het bouwplan ondeugdelijk, omdat de door de vergunninghoudster overgelegde berekening alleen zou zien op de primaire bouwfase en het herkomstkader van de gebruikte verkeersbewegingen niet transparant is. Verder ontbreekt volgens eisers in de berekening de cumulatie van stikstofemissie en -depositie met andere functies in de omgeving (zoals het kinderdagverblijf). 10.1 Daarnaast wijzen eisers erop dat de sportschool nu gerealiseerd wordt binnen de rekenafstanden die gelden voor bovengrondse hoogspanningslijnen.
Volledig
Omdat een hoogspanningsleiding gevaarlijke straling met zich mee kan brengen, mogen bepaalde bestemmingen niet binnen die afstand worden gerealiseerd. Omdat de sportschool binnen een afstand van 90 meter tot de hoogspanningsleiding wordt gepland, is het voor gebruikers van de sportschool veel te gevaarlijk om daar te sporten, zo begrijpt de rechtbank hun standpunt. 10.3 Deze beroepsgronden kunnen niet slagen, omdat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die zich daar op beroept (het relativiteitsvereiste). Met hun beroepsgrond over de toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, beroepen eisers zich op bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Het behoud van die natuurwaarden betreft een algemeen belang, waarvoor niet elke individuele burger kan opkomen, omdat dan sprake zou zijn van een actio popularis en de wetgever niet heeft bedoeld het opkomen voor dergelijke algemene belangen door middel van een rechtsgang voor elke persoon in Nederland open te stellen. Weliswaar kunnen (soms) individuele belangen van natuurlijke personen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk mede strekken tot bescherming van hun belangen. In het onderhavige geval wonen alle eisers op aanzienlijke afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, polder Westzaan, dat wil zeggen in ieder geval meer dan 400 meter daar vandaan. Bovendien zijn er woningen en woonwijken gelegen tussen hun woningen en dat dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, waardoor van verwevenheid met hun directe leefomgeving, die hen zou kunnen onderscheiden van de gemiddelde persoon, te minder sprake is. Bij zo’n grote afstand kan geen verwevenheid worden aangenomen tussen de individuele belangen van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Het relativiteitsvereiste staat dus in de weg aan vernietiging van de omgevingsvergunning op grond van hun beroepsgrond over stikstofdepositie. 10.4 Hetzelfde geldt ten aanzien van het beroep van eisers op de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding nabij de geplande sportschool. De rekenafstanden die gelden voor veilig verblijf in de nabijheid van hoogspanningsleidingen zijn gebaseerd op een advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. In relatie tot het bouwplan zijn die (veiligheids)eisen gericht op de belangen van de sportschoolgebruikers en dus niet op die van eisers als buurtbewoners. Hun beroep op die veiligheidseisen stuit daarom ook af op het relativiteitsvereiste en kunnen de bestreden vergunningen niet op het door hen daarop gedane beroep worden vernietigd. 10.5 Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat deze rekenafstanden alleen betrekking hebben op gevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches, en andere plekken waar mensen langdurig verblijven. Het college stelt terecht dat een sportschool, vanwege het relatief kortdurende verblijf door bezoekers, niet een dergelijke gevoelige bestemming is zodat de rekenafstanden voor hoogspanningskabels helemaal niet van toepassing zijn. 10.6 Bij de vraag of de vergunning tot afwijking van de beheersverordening in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of de afweging van belangen tot afwijzing van de aanvraag zou moeten leiden, kan het beroep van eisers op deze argumenten – significante effecten op natuurgebieden en afstand tot de hoogspanningsleiding – dus geen rol spelen. Soortenbescherming 11.1 Volgens eisers zijn de ecologische onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit verouderd en ligt het op de weg van het college om nieuw onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. De rechtbank begrijpt deze grond aldus, dat eisers menen dat het bouwplan leidt tot het opzettelijk doden of vernielen van rust- en fourageerplaatsen van beschermde dieren, althans overtreding van enig ander verbod uit de Wet natuurbescherming dat ziet op bescherming van dieren en daarom de vergunning tot afwijking van de beheersverordening niet mag worden verleend. 11.2 Voor een deel van eisers strandt deze beroepsgrond ook op het relativiteitsvereiste. Ten aanzien van soortenbescherming geldt immers ook dat sprake moet zijn van voldoende verwevenheid tussen de individuele belangen van eisers bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang dat het soortenbeschermingsregime dat de Wnb beoogt te beschermen. Dat betekent dat de dieren (en planten) die eisers beschermd willen zien, onderdeel moeten zijn van hun directe woonomgeving. Dat is niet het geval als de betreffende persoon op grote afstand woont of zelfs een paar straten verder. Ten aanzien van eiser 1 wordt op dit punt wel voldaan aan het relativiteitsvereiste omdat zijn woning naast het plangebied is gelegen. Hetzelfde geldt voor andere eisers wier woningen grenzen aan het plangebied. Zodoende zal de rechtbank deze grond toch inhoudelijk beoordelen. 11.3 Het college heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen beschermde dieren zullen worden gedood of hun leef- of fourageergebied door de bouw van de sportschool zullen worden verstoord dan wel dat anderszins een ontheffing voor soortenbescherming nodig is en die ontheffingen niet kunnen worden verkregen. Uit het onderzoek van Bureau Schildwacht, dat de vergunninghoudster heeft overgelegd, volgt dat de geplande werkzaamheden en de sportschool geen invloed hebben op de instandhouding van populaties van beschermde soorten. Er zijn geen beschermde dieren in het plangebied aangetroffen. Dit onderzoek dateert van januari 2023 en was ten tijde van het indienen van de aanvraag op 12 mei 2023 dus voldoende actueel. Uit het onderzoek volgt dat dit een actualisatie betreft van een eerdere QuickScan uit 2019 en dat er in die tijd geen significante veranderingen hebben plaatsgevonden in het plangebied. Bovendien heeft vergunninghoudster naar aanleiding van de zienswijzen van eisers een aanvullend rapport van Bureau Schildwacht van 7 augustus 2025 overgelegd, waaruit wederom volgt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het verblijfgebied van vleermuissoorten. Op grond van deze rapporten heeft het college in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat het soortenbeschermingsregime van de Wnb niet in de weg staat aan de verlening van de verzochte omgevingsvergunning. De door eisers ingebrachte reactie van Verwilder de Stad maakt dit niet anders omdat uit deze reactie niet volgt dat er in 2025 wel beschermde soorten zijn waargenomen in het plangebied. De enkele stelling dat een buizerd zou zijn gezien, is tegenover de bevindingen van Bureau Schildwacht onvoldoende overtuigend, laat staan dat daarmee overtuigend is aangevoerd dat een buizerd op de plek van de sportschool en niet elders op het groene perceel zou hebben verbleven. Dat het gebied mogelijk wel geschikt is als habitat voor beschermde diersoorten – met name de door Verwilder de Stad genoemde marterachtigen en buizerds – maakt niet dat alleen al daarom een natuurontheffing vereist zal zijn (en niet kan worden verkregen). 11.4 Het beroep van eisers op mogelijke overtreding van de regels voor bescherming van soorten, kan daarom (ook) niet meebrengen dat het bouwplan is strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins tot afwijzing van de aanvraag moet worden geconcludeerd. Verkeersveiligheid 12.1 Eisers voeren aan dat zij vrezen dat de verkeersveiligheid in hun wijk in het geding is met de komst van de sportschool.
Volledig
Omdat een hoogspanningsleiding gevaarlijke straling met zich mee kan brengen, mogen bepaalde bestemmingen niet binnen die afstand worden gerealiseerd. Omdat de sportschool binnen een afstand van 90 meter tot de hoogspanningsleiding wordt gepland, is het voor gebruikers van de sportschool veel te gevaarlijk om daar te sporten, zo begrijpt de rechtbank hun standpunt. 10.3 Deze beroepsgronden kunnen niet slagen, omdat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die zich daar op beroept (het relativiteitsvereiste). Met hun beroepsgrond over de toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, beroepen eisers zich op bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Het behoud van die natuurwaarden betreft een algemeen belang, waarvoor niet elke individuele burger kan opkomen, omdat dan sprake zou zijn van een actio popularis en de wetgever niet heeft bedoeld het opkomen voor dergelijke algemene belangen door middel van een rechtsgang voor elke persoon in Nederland open te stellen. Weliswaar kunnen (soms) individuele belangen van natuurlijke personen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk mede strekken tot bescherming van hun belangen. In het onderhavige geval wonen alle eisers op aanzienlijke afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, polder Westzaan, dat wil zeggen in ieder geval meer dan 400 meter daar vandaan. Bovendien zijn er woningen en woonwijken gelegen tussen hun woningen en dat dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, waardoor van verwevenheid met hun directe leefomgeving, die hen zou kunnen onderscheiden van de gemiddelde persoon, te minder sprake is. Bij zo’n grote afstand kan geen verwevenheid worden aangenomen tussen de individuele belangen van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Het relativiteitsvereiste staat dus in de weg aan vernietiging van de omgevingsvergunning op grond van hun beroepsgrond over stikstofdepositie. 10.4 Hetzelfde geldt ten aanzien van het beroep van eisers op de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding nabij de geplande sportschool. De rekenafstanden die gelden voor veilig verblijf in de nabijheid van hoogspanningsleidingen zijn gebaseerd op een advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. In relatie tot het bouwplan zijn die (veiligheids)eisen gericht op de belangen van de sportschoolgebruikers en dus niet op die van eisers als buurtbewoners. Hun beroep op die veiligheidseisen stuit daarom ook af op het relativiteitsvereiste en kunnen de bestreden vergunningen niet op het door hen daarop gedane beroep worden vernietigd. 10.5 Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat deze rekenafstanden alleen betrekking hebben op gevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches, en andere plekken waar mensen langdurig verblijven. Het college stelt terecht dat een sportschool, vanwege het relatief kortdurende verblijf door bezoekers, niet een dergelijke gevoelige bestemming is zodat de rekenafstanden voor hoogspanningskabels helemaal niet van toepassing zijn. 10.6 Bij de vraag of de vergunning tot afwijking van de beheersverordening in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of de afweging van belangen tot afwijzing van de aanvraag zou moeten leiden, kan het beroep van eisers op deze argumenten – significante effecten op natuurgebieden en afstand tot de hoogspanningsleiding – dus geen rol spelen. Soortenbescherming 11.1 Volgens eisers zijn de ecologische onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit verouderd en ligt het op de weg van het college om nieuw onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. De rechtbank begrijpt deze grond aldus, dat eisers menen dat het bouwplan leidt tot het opzettelijk doden of vernielen van rust- en fourageerplaatsen van beschermde dieren, althans overtreding van enig ander verbod uit de Wet natuurbescherming dat ziet op bescherming van dieren en daarom de vergunning tot afwijking van de beheersverordening niet mag worden verleend. 11.2 Voor een deel van eisers strandt deze beroepsgrond ook op het relativiteitsvereiste. Ten aanzien van soortenbescherming geldt immers ook dat sprake moet zijn van voldoende verwevenheid tussen de individuele belangen van eisers bij behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang dat het soortenbeschermingsregime dat de Wnb beoogt te beschermen. Dat betekent dat de dieren (en planten) die eisers beschermd willen zien, onderdeel moeten zijn van hun directe woonomgeving. Dat is niet het geval als de betreffende persoon op grote afstand woont of zelfs een paar straten verder. Ten aanzien van eiser 1 wordt op dit punt wel voldaan aan het relativiteitsvereiste omdat zijn woning naast het plangebied is gelegen. Hetzelfde geldt voor andere eisers wier woningen grenzen aan het plangebied. Zodoende zal de rechtbank deze grond toch inhoudelijk beoordelen. 11.3 Het college heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen beschermde dieren zullen worden gedood of hun leef- of fourageergebied door de bouw van de sportschool zullen worden verstoord dan wel dat anderszins een ontheffing voor soortenbescherming nodig is en die ontheffingen niet kunnen worden verkregen. Uit het onderzoek van Bureau Schildwacht, dat de vergunninghoudster heeft overgelegd, volgt dat de geplande werkzaamheden en de sportschool geen invloed hebben op de instandhouding van populaties van beschermde soorten. Er zijn geen beschermde dieren in het plangebied aangetroffen. Dit onderzoek dateert van januari 2023 en was ten tijde van het indienen van de aanvraag op 12 mei 2023 dus voldoende actueel. Uit het onderzoek volgt dat dit een actualisatie betreft van een eerdere QuickScan uit 2019 en dat er in die tijd geen significante veranderingen hebben plaatsgevonden in het plangebied. Bovendien heeft vergunninghoudster naar aanleiding van de zienswijzen van eisers een aanvullend rapport van Bureau Schildwacht van 7 augustus 2025 overgelegd, waaruit wederom volgt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het verblijfgebied van vleermuissoorten. Op grond van deze rapporten heeft het college in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat het soortenbeschermingsregime van de Wnb niet in de weg staat aan de verlening van de verzochte omgevingsvergunning. De door eisers ingebrachte reactie van Verwilder de Stad maakt dit niet anders omdat uit deze reactie niet volgt dat er in 2025 wel beschermde soorten zijn waargenomen in het plangebied. De enkele stelling dat een buizerd zou zijn gezien, is tegenover de bevindingen van Bureau Schildwacht onvoldoende overtuigend, laat staan dat daarmee overtuigend is aangevoerd dat een buizerd op de plek van de sportschool en niet elders op het groene perceel zou hebben verbleven. Dat het gebied mogelijk wel geschikt is als habitat voor beschermde diersoorten – met name de door Verwilder de Stad genoemde marterachtigen en buizerds – maakt niet dat alleen al daarom een natuurontheffing vereist zal zijn (en niet kan worden verkregen). 11.4 Het beroep van eisers op mogelijke overtreding van de regels voor bescherming van soorten, kan daarom (ook) niet meebrengen dat het bouwplan is strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins tot afwijzing van de aanvraag moet worden geconcludeerd. Verkeersveiligheid 12.1 Eisers voeren aan dat zij vrezen dat de verkeersveiligheid in hun wijk in het geding is met de komst van de sportschool.
Volledig
Eisers stellen dat het college het door de sportschool (extra) gegenereerde verkeer onjuist heeft berekend en dat te weinig rekening is gehouden met de cumulatie van de verkeersbewegingen van het kinderdagverblijf naast de planlocatie, en dan met name de aanwezigheid van de parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf. Hoewel eisers het met het college eens zijn dat de capaciteit van de toegangsweg niet wordt overschreden met de komst van de sportschool, houden eisers vol dat de ontsluitingsweg te smal is en een knelpunt zal vormen hetgeen in het kader van de verkeersveiligheid onwenselijk is. De parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf zijn bovendien zo vorm gegeven – namelijk dwars op de weg: haaks parkeren – dat daardoor een gevaarlijke situatie is ontstaan, aldus eisers. 12.2 Deze beroepsgrond kan eisers niet baten. De rechtbank wijst er ten eerste op dat de aanleg van de parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf geen onderdeel uitmaakt van het in de onderhavige omgevingsvergunning vergunde bouwplan en om die reden buiten de omvang van de beoordeling in dit geding vallen. Dat die parkeerplaatsen wel meetellen bij de toets aan de parkeerregels, maakt dat niet anders. Voorts heeft het college voldoende gemotiveerd dat de verkeerstoename door bezoekers en personeel van de sportschool niet meebrengt dat de capaciteit van de weg wordt overschreden. Eisers en hun deskundige – Stienstra – betwisten dat in wezen ook niet. Dit wordt ook bevestigd in het advies van Adviesbureau stedelijk verkeer dat door eisers zelf is ingebracht. Het enkele feit dat het verkeer met 29 % toeneemt, moet het college wel in zijn afweging betrekken, maar maakt nog niet dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Ecologie en groenbeleving 13.1 Eisers voeren voorts aan dat het plangebied – het perceel waar de sportschool is gepland – onderdeel is van het groene perceel dat een waardevolle groene schakel in de wijk vormt. 13.2 Voor zover eisers bedoelen hiermee aan te voeren dat het bouwplan reeds daarom in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening, volgt de rechtbank hen daarin niet. Het college is binnen de hem toekomende beoordelingsruimte gebleven, door de vestiging van de sportschool in een gebied waar reeds een sportschool is gevestigd, speelvoorzieningen aanwezig zijn en een kinderdagverblijf is gerealiseerd, terwijl de waarde van het groene perceel mede door de opslag van bouwafval gerelativeerd kan worden, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Belangenafweging en overige beroepsgronden 14.1 Hiervoor is vastgesteld dat een aantal beroepsgronden van eisers geen doel treffen. De omstandigheden waarop die gronden betrekking hebben, heeft het college dus ook niet in zijn belangenafweging hoeven te betrekken. De door eisers aangevoerde omstandigheden die het college daar wel in moest betrekken, betreffen de toename van verkeer, het bebouwen van het groene perceel en het feit dat de woonomgeving van eisers verandert. Die omstandigheden heeft het college in zijn beoordeling betrokken en heeft het college in redelijkheid bij de belangenafweging niet doorslaggevend hoeven achten. De motivering daarvoor, te weten dat de sportschool een nieuwe vestigingsplaats behoeft, is daarvoor in het licht van de overige belangen toereikend. 14.2 Hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd, zoals hun stelling dat het kinderdagverblijf slechts voor bepaalde tijd zou zijn vergund, hetgeen het college heeft bestreden omdat inmiddels vergunning voor een blijvend kinderdagverblijf wordt nagestreefd, en enige formele punten – eisers menen dat het college niet tijdig door hen verlangde informatie heeft verstrekt en er enige, volgens eisers te lange tijd voor besluitvorming is verstreken – kunnen niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat die argumenten de juistheid van het besluit zelf niet raken. Conclusie en gevolgen 15.1 Het college heeft de afwijking van de beheersverordening kunnen vergunnen. Er is dan geen sprake van een grond om de vergunning voor de bouwactiviteit te weigeren. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de omgevingsvergunningen in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk, (…) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet (…) Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: (…) (…) de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; (…) 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; (…) Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 (…) 2.
Volledig
Eisers stellen dat het college het door de sportschool (extra) gegenereerde verkeer onjuist heeft berekend en dat te weinig rekening is gehouden met de cumulatie van de verkeersbewegingen van het kinderdagverblijf naast de planlocatie, en dan met name de aanwezigheid van de parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf. Hoewel eisers het met het college eens zijn dat de capaciteit van de toegangsweg niet wordt overschreden met de komst van de sportschool, houden eisers vol dat de ontsluitingsweg te smal is en een knelpunt zal vormen hetgeen in het kader van de verkeersveiligheid onwenselijk is. De parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf zijn bovendien zo vorm gegeven – namelijk dwars op de weg: haaks parkeren – dat daardoor een gevaarlijke situatie is ontstaan, aldus eisers. 12.2 Deze beroepsgrond kan eisers niet baten. De rechtbank wijst er ten eerste op dat de aanleg van de parkeerplaatsen bij het kinderdagverblijf geen onderdeel uitmaakt van het in de onderhavige omgevingsvergunning vergunde bouwplan en om die reden buiten de omvang van de beoordeling in dit geding vallen. Dat die parkeerplaatsen wel meetellen bij de toets aan de parkeerregels, maakt dat niet anders. Voorts heeft het college voldoende gemotiveerd dat de verkeerstoename door bezoekers en personeel van de sportschool niet meebrengt dat de capaciteit van de weg wordt overschreden. Eisers en hun deskundige – Stienstra – betwisten dat in wezen ook niet. Dit wordt ook bevestigd in het advies van Adviesbureau stedelijk verkeer dat door eisers zelf is ingebracht. Het enkele feit dat het verkeer met 29 % toeneemt, moet het college wel in zijn afweging betrekken, maar maakt nog niet dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Ecologie en groenbeleving 13.1 Eisers voeren voorts aan dat het plangebied – het perceel waar de sportschool is gepland – onderdeel is van het groene perceel dat een waardevolle groene schakel in de wijk vormt. 13.2 Voor zover eisers bedoelen hiermee aan te voeren dat het bouwplan reeds daarom in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening, volgt de rechtbank hen daarin niet. Het college is binnen de hem toekomende beoordelingsruimte gebleven, door de vestiging van de sportschool in een gebied waar reeds een sportschool is gevestigd, speelvoorzieningen aanwezig zijn en een kinderdagverblijf is gerealiseerd, terwijl de waarde van het groene perceel mede door de opslag van bouwafval gerelativeerd kan worden, niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. Belangenafweging en overige beroepsgronden 14.1 Hiervoor is vastgesteld dat een aantal beroepsgronden van eisers geen doel treffen. De omstandigheden waarop die gronden betrekking hebben, heeft het college dus ook niet in zijn belangenafweging hoeven te betrekken. De door eisers aangevoerde omstandigheden die het college daar wel in moest betrekken, betreffen de toename van verkeer, het bebouwen van het groene perceel en het feit dat de woonomgeving van eisers verandert. Die omstandigheden heeft het college in zijn beoordeling betrokken en heeft het college in redelijkheid bij de belangenafweging niet doorslaggevend hoeven achten. De motivering daarvoor, te weten dat de sportschool een nieuwe vestigingsplaats behoeft, is daarvoor in het licht van de overige belangen toereikend. 14.2 Hetgeen eisers overigens nog hebben aangevoerd, zoals hun stelling dat het kinderdagverblijf slechts voor bepaalde tijd zou zijn vergund, hetgeen het college heeft bestreden omdat inmiddels vergunning voor een blijvend kinderdagverblijf wordt nagestreefd, en enige formele punten – eisers menen dat het college niet tijdig door hen verlangde informatie heeft verstrekt en er enige, volgens eisers te lange tijd voor besluitvorming is verstreken – kunnen niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, omdat die argumenten de juistheid van het besluit zelf niet raken. Conclusie en gevolgen 15.1 Het college heeft de afwijking van de beheersverordening kunnen vergunnen. Er is dan geen sprake van een grond om de vergunning voor de bouwactiviteit te weigeren. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de omgevingsvergunningen in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het bouwen van een bouwwerk, (…) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet (…) Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: (…) (…) de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend; (…) 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; (…) Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6 (…) 2.