Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-05-13
ECLI:NL:RBNHO:2026:5356
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5356 text/xml public 2026-05-20T15:00:00 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-13 HAA 25/2907 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5356 text/html public 2026-05-20T11:34:25 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5356 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2026 / HAA 25/2907 Deze uitspraak gaat over de intrekking van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser en de beslissing tot sluiting van zijn horecagelegenheid in Zaandam. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om de vergunningen in te trekken omdat eiser niet alle benodigde informatie heeft overgelegd om een inhoudelijke beoordeling te maken in het kader de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de sluiting van het pand niet onevenredig was omdat voldoende aannemelijk is dat eiser het horecabedrijf exploiteerde zonder de vereiste vergunningen en omdat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan de financiële gevolgen voor eiser door de sluiting van het pand RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2907 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Gürses), en de burgemeester van de gemeente Zaanstad, (gemachtigde: mr. F.P. Brouwer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser en de beslissing tot sluiting van het bedrijf aan [adres] in [plaats] . Eiser is het niet eens met deze beslissingen. De rechtbank beoordeelt deze besluiten aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat deze besluiten stand kunnen houden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding 2. Eiser exploiteerde het horecabedrijf [naam bedrijf] aan [adres] in [plaats] . Op 18 januari 2024 heeft de burgemeester aan eiser bericht voornemens te zijn de aan hem verleende horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning in te trekken. 2.1. Op 14 februari 2024 heeft eiser op het voornemen gereageerd met een zienswijze. 2.2. Met het besluit van 13 mei 2024 heeft de burgemeester besloten om de aan eiser verleende vergunningen in te trekken met ingang van 5 juni 2024. 2.3. Hiertegen heeft eiser op 26 mei 2024 bezwaar gemaakt. 2.4. Op 19 juni 2024 heeft de burgemeester het pand aan [adres] met toepassing van spoedeisende bestuursdwang direct en voor onbepaalde duur gesloten. Het besluit daartoe is 3 juli 2024 op schrift gesteld. Het bezwaar van eiser is mede daartegen gericht. 2.5. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij deze besluiten gebleven. 2.6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.7. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van de burgemeester, bijgestaan door [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank Wettelijk kader 3. De van belang zijnde bepalingen uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob), Alcoholwet en de Algemene Plaatselijke Verordening Zaanstad 2013 (hierna: APV) zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Het bestreden besluit 4. De burgemeester stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar het advies van de externe hoor- en adviescommissie van de gemeente Zaanstad, dat terecht is overgegaan tot het intrekken van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser. De kern hiervan luidt dat eiser desgevraagd het formulier van artikel 7a, vijfde lid, van de Wet bibob niet volledig heeft ingevuld. Artikel 4 van de wet bepaalt dan dat sprake is van “ernstig gevaar” als bedoeld in artikel 3 van de wet. Dit laatste levert grond op voor intrekking van zowel de horeca-exploitatievergunning (artikel 7 van de Wet bibob) als van de Alcoholwetvergunning (artikel 31). Verder constateert de burgemeester, eveneens onder verwijzing naar dat advies, dat gezien het gebrek aan transparantie van eiser en de onduidelijkheden over de bedrijfsvoering het risico voor misbruik van de vergunningen groot is. Een lichtere maatregel, zoals een tijdelijke intrekking of een waarschuwing, kan het risico niet voldoende afdekken. Verder is het bedrijf van eiser terecht gesloten, omdat hij voortging dit te exploiteren ondanks de intrekking van de exploitatievergunning. Aanleiding voor het onderzoek 5. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat het onderzoek op grond van de Wet bibob onrechtmatig is omdat daarvoor geen aanleiding bestond. De – terechte –aanleiding bestond in de in de beslissing in primo gememoreerde gegevens en bescheiden verstrekt door de Belastingdienst over de jaren 2021, 2022 en 2023. De intrekking van de vergunningen 6. Eiser stelt dat hij voldoende informatie heeft overgelegd om een inhoudelijke beoordeling van het al dan niet bestaan van “ernstig gevaar” in de zin van artikel 3 van de wet mogelijk te maken. De burgemeester heeft zijns inziens niet concreet aangegeven welke informatie nog ontbrak. Daarom heeft de burgemeester ten onrechte aangenomen dat sprake is van een weigering van het voldoen aan de informatieplicht. Zodoende is volgens eiser ook geen sprake van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Verder stelt hij dat hij voor de aanlevering van de gevraagde informatie afhankelijk is van zijn boekhouder die zijn administratie niet goed op orde heeft gehouden. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 7a, derde lid, van de Wet bibob en dat daarom, op grond van artikel 4 van de wet, sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van die wet. Eiser is immers verzocht om informatie aan te leveren, niet alleen op 7 juli 2023, maar ook nog daarna, op 14 september 2023 en 26 oktober 2023. Daarbij is uitvoerig uiteengezet welke informatie reeds was aangeleverd en welke informatie nog ontbrak. Daarover kan dan ook geen onduidelijkheid hebben bestaan bij eiser. De rechtbank wijst erop dat eiser ook ten tijde van de zitting een deel van deze informatie nog altijd niet heeft overgelegd, ondanks toezeggingen van de gemachtigde van eiser in het beroepschrift. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat hij in een situatie van overmacht verkeerde omdat hij voor de aanlevering van deze informatie afhankelijk is van zijn boekhouder. Zij wijst er op dat eiser eindverantwoordelijk is voor het bijhouden van zijn eigen administratie en dus ook voor het werk van zijn boekhouder. 6.2. Omdat sprake is van ernstig gevaar, was de burgemeester bevoegd de horeca-exploitatievergunning alsmede de Alcoholwetvergunning van eiser in te trekken. Dat niet volstaan kon worden met een lichtere maatregel, omdat cruciale gegevens voor het beoordelen van het risico op misbruik van het bedrijf voor – kortweg – ongewenste of illegale activiteiten ontbreken, acht de rechtbank afdoende gemotiveerd. De maatregel was derhalve evenredig als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de wet. Sluiting van het bedrijf 7. Eiser stelt ten slotte dat de sluiting van het horecabedrijf op 19 juni 2024 onterecht was. Het bedrijf was immers, anders dan de toezichthouders zeggen te hebben geconstateerd, niet open voor publiek. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het rapport van de toezichthouders van 19 juni 2024 toont genoegzaam aan dat het bedrijf op 19 juli 2024 geopend was voor het publiek en dus werd geëxploiteerd. De betwisting van eiser geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De burgemeester heeft terecht aanleiding gezien om het bedrijf met toepassing van spoedeisende bestuursdwang te sluiten.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5356 text/xml public 2026-05-20T15:00:00 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-13 HAA 25/2907 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5356 text/html public 2026-05-20T11:34:25 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5356 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2026 / HAA 25/2907 Deze uitspraak gaat over de intrekking van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser en de beslissing tot sluiting van zijn horecagelegenheid in Zaandam. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om de vergunningen in te trekken omdat eiser niet alle benodigde informatie heeft overgelegd om een inhoudelijke beoordeling te maken in het kader de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de sluiting van het pand niet onevenredig was omdat voldoende aannemelijk is dat eiser het horecabedrijf exploiteerde zonder de vereiste vergunningen en omdat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan de financiële gevolgen voor eiser door de sluiting van het pand RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2907 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Gürses), en de burgemeester van de gemeente Zaanstad, (gemachtigde: mr. F.P. Brouwer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser en de beslissing tot sluiting van het bedrijf aan [adres] in [plaats] . Eiser is het niet eens met deze beslissingen. De rechtbank beoordeelt deze besluiten aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat deze besluiten stand kunnen houden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding 2. Eiser exploiteerde het horecabedrijf [naam bedrijf] aan [adres] in [plaats] . Op 18 januari 2024 heeft de burgemeester aan eiser bericht voornemens te zijn de aan hem verleende horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning in te trekken. 2.1. Op 14 februari 2024 heeft eiser op het voornemen gereageerd met een zienswijze. 2.2. Met het besluit van 13 mei 2024 heeft de burgemeester besloten om de aan eiser verleende vergunningen in te trekken met ingang van 5 juni 2024. 2.3. Hiertegen heeft eiser op 26 mei 2024 bezwaar gemaakt. 2.4. Op 19 juni 2024 heeft de burgemeester het pand aan [adres] met toepassing van spoedeisende bestuursdwang direct en voor onbepaalde duur gesloten. Het besluit daartoe is 3 juli 2024 op schrift gesteld. Het bezwaar van eiser is mede daartegen gericht. 2.5. Met het bestreden besluit van 16 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij deze besluiten gebleven. 2.6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.7. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van de burgemeester, bijgestaan door [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank Wettelijk kader 3. De van belang zijnde bepalingen uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob), Alcoholwet en de Algemene Plaatselijke Verordening Zaanstad 2013 (hierna: APV) zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Het bestreden besluit 4. De burgemeester stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar het advies van de externe hoor- en adviescommissie van de gemeente Zaanstad, dat terecht is overgegaan tot het intrekken van de horeca-exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning van eiser. De kern hiervan luidt dat eiser desgevraagd het formulier van artikel 7a, vijfde lid, van de Wet bibob niet volledig heeft ingevuld. Artikel 4 van de wet bepaalt dan dat sprake is van “ernstig gevaar” als bedoeld in artikel 3 van de wet. Dit laatste levert grond op voor intrekking van zowel de horeca-exploitatievergunning (artikel 7 van de Wet bibob) als van de Alcoholwetvergunning (artikel 31). Verder constateert de burgemeester, eveneens onder verwijzing naar dat advies, dat gezien het gebrek aan transparantie van eiser en de onduidelijkheden over de bedrijfsvoering het risico voor misbruik van de vergunningen groot is. Een lichtere maatregel, zoals een tijdelijke intrekking of een waarschuwing, kan het risico niet voldoende afdekken. Verder is het bedrijf van eiser terecht gesloten, omdat hij voortging dit te exploiteren ondanks de intrekking van de exploitatievergunning. Aanleiding voor het onderzoek 5. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat het onderzoek op grond van de Wet bibob onrechtmatig is omdat daarvoor geen aanleiding bestond. De – terechte –aanleiding bestond in de in de beslissing in primo gememoreerde gegevens en bescheiden verstrekt door de Belastingdienst over de jaren 2021, 2022 en 2023. De intrekking van de vergunningen 6. Eiser stelt dat hij voldoende informatie heeft overgelegd om een inhoudelijke beoordeling van het al dan niet bestaan van “ernstig gevaar” in de zin van artikel 3 van de wet mogelijk te maken. De burgemeester heeft zijns inziens niet concreet aangegeven welke informatie nog ontbrak. Daarom heeft de burgemeester ten onrechte aangenomen dat sprake is van een weigering van het voldoen aan de informatieplicht. Zodoende is volgens eiser ook geen sprake van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Verder stelt hij dat hij voor de aanlevering van de gevraagde informatie afhankelijk is van zijn boekhouder die zijn administratie niet goed op orde heeft gehouden. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 7a, derde lid, van de Wet bibob en dat daarom, op grond van artikel 4 van de wet, sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van die wet. Eiser is immers verzocht om informatie aan te leveren, niet alleen op 7 juli 2023, maar ook nog daarna, op 14 september 2023 en 26 oktober 2023. Daarbij is uitvoerig uiteengezet welke informatie reeds was aangeleverd en welke informatie nog ontbrak. Daarover kan dan ook geen onduidelijkheid hebben bestaan bij eiser. De rechtbank wijst erop dat eiser ook ten tijde van de zitting een deel van deze informatie nog altijd niet heeft overgelegd, ondanks toezeggingen van de gemachtigde van eiser in het beroepschrift. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat hij in een situatie van overmacht verkeerde omdat hij voor de aanlevering van deze informatie afhankelijk is van zijn boekhouder. Zij wijst er op dat eiser eindverantwoordelijk is voor het bijhouden van zijn eigen administratie en dus ook voor het werk van zijn boekhouder. 6.2. Omdat sprake is van ernstig gevaar, was de burgemeester bevoegd de horeca-exploitatievergunning alsmede de Alcoholwetvergunning van eiser in te trekken. Dat niet volstaan kon worden met een lichtere maatregel, omdat cruciale gegevens voor het beoordelen van het risico op misbruik van het bedrijf voor – kortweg – ongewenste of illegale activiteiten ontbreken, acht de rechtbank afdoende gemotiveerd. De maatregel was derhalve evenredig als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de wet. Sluiting van het bedrijf 7. Eiser stelt ten slotte dat de sluiting van het horecabedrijf op 19 juni 2024 onterecht was. Het bedrijf was immers, anders dan de toezichthouders zeggen te hebben geconstateerd, niet open voor publiek. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Het rapport van de toezichthouders van 19 juni 2024 toont genoegzaam aan dat het bedrijf op 19 juli 2024 geopend was voor het publiek en dus werd geëxploiteerd. De betwisting van eiser geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De burgemeester heeft terecht aanleiding gezien om het bedrijf met toepassing van spoedeisende bestuursdwang te sluiten.