Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-21
ECLI:NL:RBNHO:2026:534
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/8381 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen 1. [eiser] en [eiseres 1] uit [plaats] , 2. [eiseres 2] B.V. eisers (gemachtigde: mr. F.W. Horstman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem , het college (gemachtigde: mr. J.C. Sumter). Inleiding 1. Het gaat in deze uitspraak om de vraag of het college een omgevingsvergunning kon weigeren voor het samenvoegen van twee woningen (gemeentelijke monumenten) op het perceel [adres 1] in [plaats] . Eisers sub 1 en 2 zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. Procesverloop 2.1 Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 november 2024 op het bezwaar van eisers sub 1 en 2 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2 Hiertegen is door eisers sub 1 en 2 beroep ingesteld bij de rechtbank. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3 De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers sub 1, de gemachtigde van eisers, [adviseur] (adviseur omgevingsrecht namens eisers) en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 november 2021 Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Voorts is het tot die datum als bestemmingsplan geldende plan “Kleverpark/Frans Hals” van toepassing, dat vanaf die datum onderdeel is van het omgevingsplan. Totstandkoming van het bestreden besluit 4.1 De aanvraag ziet op het (ver)bouwen van een bouwwerk, het bouwen en/of gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het wijzigen van een beschermd monument. 4.2 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Kleverpark/Frans Hals”. Op de betreffende gronden gelden de bestemmingen “Tuin-2” en “Wonen” met de specifieke bouwaanduiding “Specifieke bouwaanduiding – orde 2” en de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 5” en “Waarde – beschermd stadsgezicht”. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan waarin staat opgenomen dat gebouwen niet mogen worden samengevoegd. 4.3 Met het primaire besluit van 4 augustus 2023 heeft het college de aanvraag om een omgevingsvergunning geweigerd. Het college stelt onder meer dat zij gelet op de strijd met het bestemmingsplan heeft getoetst of zij voor de aangevraagde activiteit de vergunning alsnog kan verlenen. Dat is niet het geval wegens strijd met de goede ruimtelijke ordening, en door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is negatief geadviseerd. Ook moet de omgevingsvergunning worden geweigerd indien de activiteit niet voldoet aan het in de monumentenverordening van de gemeente gestelde toetsingskader. De aanvraag is voorgelegd en het belang van de monumentenzorg verzet zich tegen het verlenen van de vergunning. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed. 4.4 Eisers zijn het niet eens met de weigering en hebben op 12 september 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 4.5 Bij brief van 1 december 2023 hebben eisers de gronden van bezwaar ingediend. Op 18 december 2023 hebben eisers verzocht om aanhouding en een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning ingediend vo De rechtbank concludeert dat het college eiseres sub 2 ten onrechte in haar bezwaar heeft ontvangen. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen. Doende hetgeen het college zou behoren te doen, verklaart de rechtbank eiseres sub 2 alsnog niet-ontvankelijk in haar bezwaar. De rechtbank stelt deze beslissing in zoverre in de plaats van het besluit. Bespreken van de beroepsgronden van eisers sub 1 (hierna: eisers) Is Reparatieplan C van toepassing op het perceel? 9.1 Eisers voeren aan dat Reparatieplan C (het ‘jongere’ bestemmingsplan) van toepassing is. In beide bestemmingsplannen staat een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het samenvoegen van woningen. Door het college wordt overwogen dat omdat de voorgevels een breedte hebben van 14 meter dit de toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid belet, omdat deze maximaal 11 meter mag zijn. In Reparatieplan C is echter 15 meter toegestaan. In de toelichting op dit bestemmingsplan staat ondubbelzinnig vermeld dat het plan van toepassing is op heel Haarlem . Er staat ook in dat dit bestemmingsplan voorrang heeft boven bestaande bestemmingsplannen en bestaande voorschriften worden vervangen door de voorschriften uit Reparatieplan C. Tot slot voeren eisers aan dat de gevelbreedtevoorwaarde uitgaat van de situatie dat een aanvrager voor samenvoegingen van woningen, een gevelwijziging aanbrengt in het kader van die samenvoeging. Het gaat om visuele wijzigingen in het straatbeeld te beperken en/of beperkt mogelijk te maken. De individuele voorgevels veranderen in dit plan niet en worden niet samengevoegd tot één nieuwe voorgevel; de bestaande individuele voorgevels worden behouden waardoor niet gesproken kan worden van één totale nieuwe voorgevelbreedte. 9.2 Artikel 25.9 van Repartieplan C bepaalt dat alleen de planregels 7 en 14 zijn herzien. Uit de tabel blijkt evident dat alleen het sublid b1 wordt toegevoegd aan artikel 20.2 van het bestemmingsplan Frans Hals / Kleverpark. Als de wettekst van het Reparatieplan duidelijk is, kan de toelichting niet anders bepalen. Gelet op de tabel en de artikelen zelf moet hierin gelezen wordt dat het Reparatieplan alleen betrekking heeft op de bepaling artikel 20.2 en de toevoeging van sublid b1. De toepassing van Reparatieplan C is beperkt tot bepaalde artikelen, de bepaling over samenvoeging van panden is niet meegenomen in de wijziging. De oorspronkelijke regels uit het bestemmingsplan ten aanzien van samenvoegen blijven daarom gelden. Er kan niet binnenplans worden afgeweken, om reden dat de gevelbreedte meer dan 11 meter bedraagt. Aan de andere drie vereisten voor binnenplans afwijken wordt voldaan. 10. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde omgevingsvergunning is geweigerd omdat het bouwplan in strijd is met artikel 20.2, aanhef en onder b, van de regels van het bestemmingsplan Kleverpark/Frans Hals waarin is bepaald dat gebouwen niet mogen worden samengevoegd. Het verlenen van medewerking aan afwijking van het bestemmingsplan is een discretionaire bevoegdheid van het college. Het bestuursorgaan heeft daarbij beoordelingsruimte: de vrijheid om binnen de wettelijke kaders voor deze situatie een eigen belangenafweging te maken. Vanwege deze beoordelingsvrijheid mag de rechtbank het besluit slechts terughoudend toetsen. Dit laat onverlet dat het besluit om deze bevoegdheid niet toe te passen een deugdelijke en dragende motivering moet bevatten. Afwijken van het bestemmingsplan 11.1.1 Eisers voeren aan dat het college in beginsel een discretionaire bevoegdheid heeft bij het afwijken van het bestemmingsplan. Deze bevoegdheid wordt echter wel beperkt door beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Een weigering dient het college deugdelijk te motiveren. Het advies van de commissie voor bezwaarschriften – waar het college zich op heeft gebaseerd bij het bestreden besluit – is gebrekkig. Het weigeren op een stedenbouwkundig advies omdat i) sprake zou zijn van aantasting 12.2 Het college heeft voor de stedenbouwkundige afwijzing het volgende in de plaats gesteld (p.7 advies bezwaarcommissie): ‘ wat betreft de parcellering merkt de commissie op dat in het verweerschrift is gesteld: ‘Het gaat niet alleen over het behoud van de stedenbouwkundige opzet van het gebied, maar ook over de functionele opbouw. De verscheidenheid in schaal van de verschillende functies vormt ook een onderdeel van het beschermd stadsgezicht en is mede een aspect dat behouden dient te blijven’. De commissie begrijpt hieruit dat het vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is dat in het beschermd stadsgezicht woningen worden samengevoegd, omdat samenvoeging leidt tot vermindering van het aantal huishoudens en daarmee tot een verandering van het karakter van het straat en het beschermd stadsgezicht.’ 12.3 De rechtbank merkt hierover het volgende op. Het standpunt van het college over de functionele opbouw en het behoud van verschillende functies kan de rechtbank niet volgen; het gebruik is wonen en blijft ook wonen. De feiten sporen dus niet met de motivering van het college. Zoals ook in het tegenadvies van de adviseur omgevingsrecht wordt opgemerkt is in het onderhavige geval het argument van woningonttrekking geen stedenbouwkundig belang. Volgens het bestemmingsplan betreffen de voorwaarden voor samenvoeging enkel het behoud van het straatbeeld. Woningonttrekking is geen onderdeel van dit straatbeeld, intern gebruik is niet significant waarneembaar van buitenaf, en gaat dus verder dan de limitatieve toets die het bestemmingsplan moet maken. De stedenbouwkundige toets ziet op goede ruimtelijke ordening, niet op woningonttrekking op microniveau. Het college vervlecht argumenten als beheer van de woonvoorraad en zaken als woningonttrekking in het kader van de Huisvestingsverordening bij stedenbouw. Dat is expliciet niet de bedoeling en het college treedt hiermee buiten het toetsingskader voor wat betreft de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een plan. Om deze reden kan het besluit geen stand houden. Door het college wordt het tegenadvies niet weersproken. Een belangenafweging kan niet gemaakt worden nu er geen goede motivering aan het besluit ten grondslag ligt. De rechtbank vernietigt in zoverre het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek. Overige beroepsgronden 13. Gelet op het voorgaande bespreekt de rechtbank de overige beroepsgronden slechts summier. Voor zover door eisers een beroep wordt gedaan op het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de vaste gedragslijn kan de rechtbank de motivering van het college in het bestreden besluit volgen. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is gegrond omdat aan het bestreden besluit een ontvankelijkheidsgebrek en motiveringsgebrek kleeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dat ziet op de ontvankelijkheid van eiseres sub 2 in bezwaar en de gebruikte weigeringsgrond. De rechtbank ziet voor wat betreft de materiele beslissing geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien. Er kan (nog) niet zonder meer worden aangenomen dat er maar één conclusie mogelijk is en de rechtbank kan geen oordeel vormen in de plaats van een stedenbouwkundig advies. Vervolgens zal een belangenafweging moeten worden gemaakt. Het is aan het college om die afweging (opnieuw) te maken en te motiveren. 15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken. 16. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshand