Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-02-18
ECLI:NL:RBNHO:2026:5314
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
16,228 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5314 text/xml public 2026-05-28T10:36:11 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-18 C/15/367225 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5314 text/html public 2026-05-28T10:35:54 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5314 Rechtbank Noord-Holland , 18-02-2026 / C/15/367225 Partijen zijn van 1977 tot 2006 met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen bestond een gemeenschap van vruchten en inkomsten. De tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekering en lijfrente maken onderdeel uit van die gemeenschap. {eiser} heeft daarom recht op de helft van de waarde van de uitkeringen die {gedaagde} in 2007 heeft ontvangen. {eiser} heeft haar recht op de uitkeringen die in 2003 en 2005 hebben plaatsgevonden echter verwerkt, omdat zij daarover al in 2007 een juridische procedure tegen {gedaagde} heeft gevoerd. {gedaagde} moet {eiser} daarnaast informatie verstrekken over de tijdens het huwelijk afgesloten polissen waarvan nog geen uitkering heeft plaatsgevonden. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/367225 / HA ZA 25-405 Vonnis van 18 februari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. M.J. Meijer, tegen [gedaagde] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. H. Schouten. De zaak in het kort Partijen zijn van 1977 tot 2006 met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen bestond een gemeenschap van vruchten en inkomsten. De tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekering en lijfrente maken onderdeel uit van die gemeenschap. [eiser] heeft daarom recht op de helft van de waarde van de uitkeringen die [gedaagde] in 2007 heeft ontvangen. [eiser] heeft haar recht op de uitkeringen die in 2003 en 2005 hebben plaatsgevonden echter verwerkt, omdat zij daarover al in 2007 een juridische procedure tegen [gedaagde] heeft gevoerd. [gedaagde] moet [eiser] daarnaast informatie verstrekken over de tijdens het huwelijk afgesloten polissen waarvan nog geen uitkering heeft plaatsgevonden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken; - de door [eiser] in het geding gebrachte aanvullende producties 9 tot en met 12; - de akte vermeerdering van eis van [eiser]; - de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waarbij namens [gedaagde] pleitaantekeningen zijn voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft bijgehouden. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op 16 juni 1977 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk zijn zij op 13 juni 1977 huwelijksvoorwaarden overeengekomen. In de huwelijksvoorwaarden is onder meer bepaald dat tussen hen een gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan. Ook is een staat van inbrengsten opgesteld. Daarin is (voor zover hier van belang) vermeld dat [gedaagde] aanbrengt een woonhuis aan de [adres 1] te [plaats 1], belast met een hypothecaire schuld bij Ennia Levensverzekeringen N.V. en “ de tot zekerheid voor de terugbetaling van voormeld [e] geldlening mede ten behoeve van Ennia N.V. verbonden polis van levensverzekering ”. 2.2. In 1988/1989 is de woning aan de [adres 1] verkocht. [gedaagde] heeft een nieuwe woning gekocht aan de [adres 2] in [plaats 1]. De aankoop is deels gefinancierd met de opbrengst van de oude woning en deels gefinancierd met een geldlening. 2.3. Op 30 oktober 2006 is het huwelijk tussen partijen ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. 2.4. Bij brief van 28 september 2006 aan de toenmalige advocaat van [gedaagde] heeft de toenmalige advocaat van [eiser] de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden aan de orde gesteld. In dat kader heeft zij onder meer vermeld dat tijdens het huwelijk verschillende polissen voor levensverzekeringen en lijfrentes zijn afgesloten en dat tijdens het huwelijk in 2003 en 2005 bedragen zijn uitgekeerd van € 19.042,- (door AXA), respectievelijk € 43.332,- (door Nationale Nederlanden (hierna: NN), in verband met een polis met nummer 9417841). Verder heeft de advocaat van [eiser] informatie opgevraagd over de (andere) polissen bij Aegon, RVS en NN (waarbij zij heeft vermeld dat die polis bij NN waarschijnlijk is gefinancierd met een lening bij NN met nummer 0102414874L01). 2.5. In juli 2007 is de woning aan de [adres 2] verkocht en geleverd aan een derde. Van de opbrengst zijn de hypothecaire leningen en schuldeisers van [gedaagde] afgelost. Het resterende bedrag van € 83.596,03 is betaald op de derdengeldenrekening van de toenmalige advocaat van [eiser]. Die advocaat van [eiser] heeft destijds in de brief van 28 juni 2007 aan de toenmalige advocaat van [gedaagde] het voorbehoud gemaakt dat met de betaling van het bedrag van € 83.596,03 geen algehele overeenstemming is bereikt, omdat [eiser] daarenboven nog een aanzienlijke vordering op [gedaagde] heeft. 2.6. In 2007 is [eiser] een procedure gestart bij de rechtbank over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. 2.7. Op 11 december 2007 is [gedaagde] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [curator] als curator. 2.8. Op 17 maart 2008 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] zich in een brief aan de curator op het standpunt gesteld dat de woning aan de [adres 2] en de tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekeringen en lijfrentes moeten worden verdeeld, waaronder de uitkering van NN ter hoogte van € 43.332,-. 2.9. Per brief van 12 september 2008 heeft de curator aan die advocaat van [eiser] medegedeeld dat het bedrag van € 83.596,03 op de derdengeldenrekening van de advocaat van [eiser], mag worden betaald aan [eiser] en dat de vordering van [eiser] voor het overige (in totaal een bedrag van ruim € 154.000,-) wordt opgenomen op de lijst van voorlopig erkende schuldeisers. 2.10. De door [eiser] gestarte procedure over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden is kort na datum faillissement verwezen naar de parkeerrol en vervolgens op 1 oktober 2008 ambtshalve doorgehaald. 2.11. In mei 2024 heeft [eiser] bij Aegon informatie opgevraagd over een tweetal polissen (met nummers L10055534 en L10055535). Aegon heeft [eiser] medegedeeld dat: de polis met nummer L10055534, afgesloten op 15 november 1988, een levensverzekering betrof, die in november 2007 is afgekocht tegen uitkering van € 33.879,- aan [gedaagde]; de polis met nummer L1005553, afgesloten op 15 november 1988, een levensverzekering betrof, waarvan alleen uitkering zou plaatsvinden bij overlijden van [gedaagde] vóór de einddatum op 15 november 2018. De levensverzekering is in november 2007 is afgekocht tegen uitkering van € 11.840,- aan [gedaagde]. 2.12. [gedaagde] heeft met succes een beroep gedaan op een deel van het pensioen van [eiser] in het kader van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Zelf heeft [gedaagde] een gering pensioen opgebouwd, omdat hij ook als zelfstandige heeft gewerkt. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren: “1. te verklaren voor recht dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door zonder overleg en instemming pensioen- en lijfrentevoorzieningen, opgebouwd tijdens het huwelijk, af te kopen dan wel op te eisen, en zich de uitkeringen geheel toe te eigenen; 2. te verklaren voor recht dat gedaagde gehouden is tot vergoeding van de helft van de waarde van de afgekochte polissen, respectievelijk de uitkeringen uit hoofde van die polissen, alsmede op grond van art. 1:95 BW, art. 6:212 BW en de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden; 3. te verklaren voor recht dat eiseres recht heeft op vergoeding van de helft van de waarde van de afgekochte pensioen- en lijfrentepolissen. althans op vergoedings-rechten conform art. 4 tot en met 7 van de huwelijksvoorwaarden; 4.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5314 text/xml public 2026-05-28T10:36:11 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-18 C/15/367225 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5314 text/html public 2026-05-28T10:35:54 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:5314 Rechtbank Noord-Holland , 18-02-2026 / C/15/367225 Partijen zijn van 1977 tot 2006 met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen bestond een gemeenschap van vruchten en inkomsten. De tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekering en lijfrente maken onderdeel uit van die gemeenschap. {eiser} heeft daarom recht op de helft van de waarde van de uitkeringen die {gedaagde} in 2007 heeft ontvangen. {eiser} heeft haar recht op de uitkeringen die in 2003 en 2005 hebben plaatsgevonden echter verwerkt, omdat zij daarover al in 2007 een juridische procedure tegen {gedaagde} heeft gevoerd. {gedaagde} moet {eiser} daarnaast informatie verstrekken over de tijdens het huwelijk afgesloten polissen waarvan nog geen uitkering heeft plaatsgevonden. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/367225 / HA ZA 25-405 Vonnis van 18 februari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. M.J. Meijer, tegen [gedaagde] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. H. Schouten. De zaak in het kort Partijen zijn van 1977 tot 2006 met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen bestond een gemeenschap van vruchten en inkomsten. De tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekering en lijfrente maken onderdeel uit van die gemeenschap. [eiser] heeft daarom recht op de helft van de waarde van de uitkeringen die [gedaagde] in 2007 heeft ontvangen. [eiser] heeft haar recht op de uitkeringen die in 2003 en 2005 hebben plaatsgevonden echter verwerkt, omdat zij daarover al in 2007 een juridische procedure tegen [gedaagde] heeft gevoerd. [gedaagde] moet [eiser] daarnaast informatie verstrekken over de tijdens het huwelijk afgesloten polissen waarvan nog geen uitkering heeft plaatsgevonden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 17 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is gelast, en de daarin genoemde stukken; - de door [eiser] in het geding gebrachte aanvullende producties 9 tot en met 12; - de akte vermeerdering van eis van [eiser]; - de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waarbij namens [gedaagde] pleitaantekeningen zijn voorgedragen en waarvan de griffier voor het overige aantekeningen heeft bijgehouden. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn op 16 juni 1977 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk zijn zij op 13 juni 1977 huwelijksvoorwaarden overeengekomen. In de huwelijksvoorwaarden is onder meer bepaald dat tussen hen een gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan. Ook is een staat van inbrengsten opgesteld. Daarin is (voor zover hier van belang) vermeld dat [gedaagde] aanbrengt een woonhuis aan de [adres 1] te [plaats 1], belast met een hypothecaire schuld bij Ennia Levensverzekeringen N.V. en “ de tot zekerheid voor de terugbetaling van voormeld [e] geldlening mede ten behoeve van Ennia N.V. verbonden polis van levensverzekering ”. 2.2. In 1988/1989 is de woning aan de [adres 1] verkocht. [gedaagde] heeft een nieuwe woning gekocht aan de [adres 2] in [plaats 1]. De aankoop is deels gefinancierd met de opbrengst van de oude woning en deels gefinancierd met een geldlening. 2.3. Op 30 oktober 2006 is het huwelijk tussen partijen ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. 2.4. Bij brief van 28 september 2006 aan de toenmalige advocaat van [gedaagde] heeft de toenmalige advocaat van [eiser] de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden aan de orde gesteld. In dat kader heeft zij onder meer vermeld dat tijdens het huwelijk verschillende polissen voor levensverzekeringen en lijfrentes zijn afgesloten en dat tijdens het huwelijk in 2003 en 2005 bedragen zijn uitgekeerd van € 19.042,- (door AXA), respectievelijk € 43.332,- (door Nationale Nederlanden (hierna: NN), in verband met een polis met nummer 9417841). Verder heeft de advocaat van [eiser] informatie opgevraagd over de (andere) polissen bij Aegon, RVS en NN (waarbij zij heeft vermeld dat die polis bij NN waarschijnlijk is gefinancierd met een lening bij NN met nummer 0102414874L01). 2.5. In juli 2007 is de woning aan de [adres 2] verkocht en geleverd aan een derde. Van de opbrengst zijn de hypothecaire leningen en schuldeisers van [gedaagde] afgelost. Het resterende bedrag van € 83.596,03 is betaald op de derdengeldenrekening van de toenmalige advocaat van [eiser]. Die advocaat van [eiser] heeft destijds in de brief van 28 juni 2007 aan de toenmalige advocaat van [gedaagde] het voorbehoud gemaakt dat met de betaling van het bedrag van € 83.596,03 geen algehele overeenstemming is bereikt, omdat [eiser] daarenboven nog een aanzienlijke vordering op [gedaagde] heeft. 2.6. In 2007 is [eiser] een procedure gestart bij de rechtbank over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. 2.7. Op 11 december 2007 is [gedaagde] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [curator] als curator. 2.8. Op 17 maart 2008 heeft de toenmalige advocaat van [eiser] zich in een brief aan de curator op het standpunt gesteld dat de woning aan de [adres 2] en de tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekeringen en lijfrentes moeten worden verdeeld, waaronder de uitkering van NN ter hoogte van € 43.332,-. 2.9. Per brief van 12 september 2008 heeft de curator aan die advocaat van [eiser] medegedeeld dat het bedrag van € 83.596,03 op de derdengeldenrekening van de advocaat van [eiser], mag worden betaald aan [eiser] en dat de vordering van [eiser] voor het overige (in totaal een bedrag van ruim € 154.000,-) wordt opgenomen op de lijst van voorlopig erkende schuldeisers. 2.10. De door [eiser] gestarte procedure over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden is kort na datum faillissement verwezen naar de parkeerrol en vervolgens op 1 oktober 2008 ambtshalve doorgehaald. 2.11. In mei 2024 heeft [eiser] bij Aegon informatie opgevraagd over een tweetal polissen (met nummers L10055534 en L10055535). Aegon heeft [eiser] medegedeeld dat: de polis met nummer L10055534, afgesloten op 15 november 1988, een levensverzekering betrof, die in november 2007 is afgekocht tegen uitkering van € 33.879,- aan [gedaagde]; de polis met nummer L1005553, afgesloten op 15 november 1988, een levensverzekering betrof, waarvan alleen uitkering zou plaatsvinden bij overlijden van [gedaagde] vóór de einddatum op 15 november 2018. De levensverzekering is in november 2007 is afgekocht tegen uitkering van € 11.840,- aan [gedaagde]. 2.12. [gedaagde] heeft met succes een beroep gedaan op een deel van het pensioen van [eiser] in het kader van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Zelf heeft [gedaagde] een gering pensioen opgebouwd, omdat hij ook als zelfstandige heeft gewerkt. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren: “1. te verklaren voor recht dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft gehandeld door zonder overleg en instemming pensioen- en lijfrentevoorzieningen, opgebouwd tijdens het huwelijk, af te kopen dan wel op te eisen, en zich de uitkeringen geheel toe te eigenen; 2. te verklaren voor recht dat gedaagde gehouden is tot vergoeding van de helft van de waarde van de afgekochte polissen, respectievelijk de uitkeringen uit hoofde van die polissen, alsmede op grond van art. 1:95 BW, art. 6:212 BW en de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden; 3. te verklaren voor recht dat eiseres recht heeft op vergoeding van de helft van de waarde van de afgekochte pensioen- en lijfrentepolissen. althans op vergoedings-rechten conform art. 4 tot en met 7 van de huwelijksvoorwaarden; 4.
Volledig
gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 59.361,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve afkoopdata, althans de datum van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening; 5. gedaagde te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis schriftelijk opgave te doen van alle tijdens het huwelijk afgesloten en/of afgekochte pensioen-, lijfrente en koopsompolissen, inclusief data, bedragen, polisnummers, bijbehorende correspondentie, onder verbeurte van een dwangsom van €250,00 per dag met een maximum van € 50.000,00); 6. te verklaren voor recht] dat eiseres recht heeft op aanvullende schadevergoeding wegens gemiste waardeontwikkeling van de polissen, nader op te maken bij staat (art. 612 Rv) 7. te bepalen dat, indien schade thans niet volledig kan worden vastgesteld, de zaak zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure ex artikel 612 Rv”, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten. 3.2. [eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. De premies van de polissen zijn betaald met geld dat behoorde tot de gemeenschap van vruchten en inkomsten. [eiser] heeft daarom recht op de helft van de uitkeringen of afkoopsommen van die polissen, althans op [gedaagde] rust daarom een vergoedingsplicht op grond van artikel 1:95 Burgerlijk Wetboek (BW). [gedaagde] moet bovendien opgave doen en inzage geven in de tijdens het huwelijk afgesloten polissen. Door de polissen zonder toestemming van [eiser] af te kopen, de opbrengst voor zichzelf te houden en structureel informatie achter te houden, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld, zich ongerechtvaardigd verrijkt en de vereveningsplicht uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) geschonden. [ 3.3. De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen. Hij voert daartoe aan dat een deel van de uitgekeerde bedragen tijdens het huwelijk is uitgekeerd en als inkomen is gebruikt. Een deel van de polissen was volgens hem bovendien privévermogen van [gedaagde]. Verder hebben partijen de huwelijksvoorwaarden al afgewikkeld en heeft [eiser] meer gekregen dan haar toekomt. Ook beroept [gedaagde] zich op verjaring en rechtsverwerking. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Uitkeringen AXA, NN (polisnr. 9417841) en Aegon behoren tot de gemeenschap 4.1. De rechtbank stelt voorop dat de door [eiser] genoemde polissen voor lijfrente en levensverzekeringen niet als pensioen in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) kunnen worden aangemerkt. De vraag of de uitkeringen van dergelijke verzekeringen dienen te worden gedeeld, wordt daarom beantwoord door het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. 4.2. Tussen partijen bestond een gemeenschap van vruchten en inkomsten. Ten tijde van het sluiten van de huwelijksvoorwaarden en het huwelijk in 1977 (en ten tijde van het afsluiten van de polissen) was artikel 1:124 lid 1 BW van kracht, zoals dat luidde tussen 1 januari 1970 en 1 januari 1992 : “ De gemeenschap van vruchten en inkomsten omvat, wat haar baten betreft, alle goederen van de echtgenoten, met uitzondering van die welke een echtgenoot hetzij bij de aanvang van de gemeenschap bezat, hetzij door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, hetzij uit anderen hoofde heeft verkregen tegen een contraprestatie die ter gelegenheid van de verkrijging geheel uit zijn eigen goederen is voldaan.” 4.3. Het uitgangspunt is daarom dat tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekeringen en lijfrenten tot de gemeenschap van vruchten en inkomsten behoren. 4.4. Partijen zijn het erover eens dat tijdens het huwelijk de navolgende polissen zijn afgesloten, waarop inmiddels een uitkering heeft plaatsgevonden: bij AXA (uitgekeerd in 2003); bij NN met nummers 9417841 (uitgekeerd in 2005); bij Aegon met nummers L10055534 en L10055535 (beide uitgekeerd in 2007); 4.5. [eiser] heeft gesteld dat de premies voor deze polissen zijn betaald met geld van de gemeenschap. [gedaagde] heeft dat niet weersproken, zodat dit vast staat. 4.6. [gedaagde] heeft ten aanzien van de polis bij Aegon met nummer L10055534 aangevoerd dat die polis (desondanks) privévermogen was van [gedaagde], omdat de polis was vermeld in de staat van aanbrengsten. Hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Hoewel in de staat van aanbrengsten een niet nader omschreven levensverzekering is vermeld, staat vast dat het niet gaat om de polis bij Aegon. Blijkens het polisblad is de polis bij Aegon namelijk pas afgesloten op 15 november 1988, terwijl de staat van aanbrengsten dateert van juni 1977. 4.7. [gedaagde] betoogt verder dat deze polis bij Aegon is gekoppeld aan de woning aan de [adres 2] en dat die woning privévermogen van [gedaagde]. [gedaagde] legt daaraan ten grondslag dat de woning voor meer dan de helft van de waarde is gefinancierd met opbrengst van de privéwoning van [gedaagde] aan de Hendric Dirckszstraat 6, zodat sprake is van zaaksvervanging. Met dit betoog doelt [gedaagde] kennelijk op de tekst van artikel 1:124 lid 2 BW, zoals dat luidde ná de wetswijziging op 1 januari 1992 (“ Een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap, indien het voor meer dan de helft van zijn prijs ten laste van hem persoonlijk komt ” ). Op het moment dat de woning aan de [adres 2] werd verkregen (in 1988/1989) was deze wet echter nog niet van kracht. Op grond van het destijds wel geldende artikel 1:124 lid 1 BW (zoals weergegeven in 4.1 van dit vonnis) is de woning onderdeel van de gemeenschap, omdat de woning aan de Watermolen deels is gefinancierd met een lening en dus niet volledig met privévermogen van [gedaagde]. Ook als de polis bij Aegon met nummer L10055534 dus gekoppeld was aan die woning, hetgeen verder in het midden kan blijven, is die polis dus geen privévermogen van [gedaagde], maar gemeenschappelijk vermogen. 4.8. Het voorgaande betekent dat de polissen zoals genoemd in 4.4 onderdeel uitmaken van de gemeenschap van vruchten en inkomsten. Dat geldt dus ook voor de uitkeringen uit hoofde van die polissen. Uitkering van Avéro Achmea is onvoldoende onderbouwd 4.9. [eiser] heeft gesteld dat daarnaast sprake was van een uitkering van een lijfrentepolis bij Avéro Achmea. Zij baseert dit standpunt op een handgeschreven notitie. [eiser] stelt dat die notitie is opgesteld ten behoeve van de aangifte van 2005 en via [gedaagde] bij de boekhouder terecht is gekomen. 4.10. Ter zitting heeft [eiser] echter verklaard dat zij de handgeschreven notitie, die slecht leesbaar is, zelf heeft opgesteld. De herkomst van de notitie en de daarop weergegeven informatie is verder onduidelijk gebleven. [gedaagde] heeft betwist dat hij bekend was met deze notitie of de daarop vermelde polis bij Avéro Achmea. [gedaagde] heeft verder toegelicht dat hij zijn hele administratie, voor zover nog beschikbaar, heeft doorgezocht en geen polis bij Avéro Achmea of een uitkering uit dien hoofde heeft aangetroffen. [eiser] heeft daarop onvoldoende concreet gereageerd. De eigen notitie van [eiser] is bij deze stand van zaken onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een uitkering van Avéro Achmea waarop [eiser] aanspraak kan maken. Omdat [eiser] haar standpunt onvoldoende concreet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank aan de stellingen van [eiser] over de uitkering van Avéro Achmea verder voorbij. Geen eerdere afspraken over de verdeling uitkeringen AXA, NN (nr. 9417841) en Aegon 4.11. De vaststelling dat de uitkeringen van de polissen bij AXA, NN (met nummer 9417841) en Aegon onderdeel uitmaken van de gemeenschap van vruchten en inkomsten, betekent dat [eiser] in beginsel aanspraak kan maken op verdeling daarvan. 4.12. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn betoog dat partijen in 2006/2007 bindende afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Uit de overgelegde correspondentie volgt juist dat partijen daarover van mening verschilden.
Volledig
gedaagde te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 59.361,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve afkoopdata, althans de datum van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening; 5. gedaagde te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis schriftelijk opgave te doen van alle tijdens het huwelijk afgesloten en/of afgekochte pensioen-, lijfrente en koopsompolissen, inclusief data, bedragen, polisnummers, bijbehorende correspondentie, onder verbeurte van een dwangsom van €250,00 per dag met een maximum van € 50.000,00); 6. te verklaren voor recht] dat eiseres recht heeft op aanvullende schadevergoeding wegens gemiste waardeontwikkeling van de polissen, nader op te maken bij staat (art. 612 Rv) 7. te bepalen dat, indien schade thans niet volledig kan worden vastgesteld, de zaak zal worden verwezen naar de schadestaatprocedure ex artikel 612 Rv”, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten. 3.2. [eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. De premies van de polissen zijn betaald met geld dat behoorde tot de gemeenschap van vruchten en inkomsten. [eiser] heeft daarom recht op de helft van de uitkeringen of afkoopsommen van die polissen, althans op [gedaagde] rust daarom een vergoedingsplicht op grond van artikel 1:95 Burgerlijk Wetboek (BW). [gedaagde] moet bovendien opgave doen en inzage geven in de tijdens het huwelijk afgesloten polissen. Door de polissen zonder toestemming van [eiser] af te kopen, de opbrengst voor zichzelf te houden en structureel informatie achter te houden, heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld, zich ongerechtvaardigd verrijkt en de vereveningsplicht uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) geschonden. [ 3.3. De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen. Hij voert daartoe aan dat een deel van de uitgekeerde bedragen tijdens het huwelijk is uitgekeerd en als inkomen is gebruikt. Een deel van de polissen was volgens hem bovendien privévermogen van [gedaagde]. Verder hebben partijen de huwelijksvoorwaarden al afgewikkeld en heeft [eiser] meer gekregen dan haar toekomt. Ook beroept [gedaagde] zich op verjaring en rechtsverwerking. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Uitkeringen AXA, NN (polisnr. 9417841) en Aegon behoren tot de gemeenschap 4.1. De rechtbank stelt voorop dat de door [eiser] genoemde polissen voor lijfrente en levensverzekeringen niet als pensioen in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) kunnen worden aangemerkt. De vraag of de uitkeringen van dergelijke verzekeringen dienen te worden gedeeld, wordt daarom beantwoord door het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. 4.2. Tussen partijen bestond een gemeenschap van vruchten en inkomsten. Ten tijde van het sluiten van de huwelijksvoorwaarden en het huwelijk in 1977 (en ten tijde van het afsluiten van de polissen) was artikel 1:124 lid 1 BW van kracht, zoals dat luidde tussen 1 januari 1970 en 1 januari 1992 : “ De gemeenschap van vruchten en inkomsten omvat, wat haar baten betreft, alle goederen van de echtgenoten, met uitzondering van die welke een echtgenoot hetzij bij de aanvang van de gemeenschap bezat, hetzij door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, hetzij uit anderen hoofde heeft verkregen tegen een contraprestatie die ter gelegenheid van de verkrijging geheel uit zijn eigen goederen is voldaan.” 4.3. Het uitgangspunt is daarom dat tijdens het huwelijk afgesloten polissen voor levensverzekeringen en lijfrenten tot de gemeenschap van vruchten en inkomsten behoren. 4.4. Partijen zijn het erover eens dat tijdens het huwelijk de navolgende polissen zijn afgesloten, waarop inmiddels een uitkering heeft plaatsgevonden: bij AXA (uitgekeerd in 2003); bij NN met nummers 9417841 (uitgekeerd in 2005); bij Aegon met nummers L10055534 en L10055535 (beide uitgekeerd in 2007); 4.5. [eiser] heeft gesteld dat de premies voor deze polissen zijn betaald met geld van de gemeenschap. [gedaagde] heeft dat niet weersproken, zodat dit vast staat. 4.6. [gedaagde] heeft ten aanzien van de polis bij Aegon met nummer L10055534 aangevoerd dat die polis (desondanks) privévermogen was van [gedaagde], omdat de polis was vermeld in de staat van aanbrengsten. Hierin wordt [gedaagde] niet gevolgd. Hoewel in de staat van aanbrengsten een niet nader omschreven levensverzekering is vermeld, staat vast dat het niet gaat om de polis bij Aegon. Blijkens het polisblad is de polis bij Aegon namelijk pas afgesloten op 15 november 1988, terwijl de staat van aanbrengsten dateert van juni 1977. 4.7. [gedaagde] betoogt verder dat deze polis bij Aegon is gekoppeld aan de woning aan de [adres 2] en dat die woning privévermogen van [gedaagde]. [gedaagde] legt daaraan ten grondslag dat de woning voor meer dan de helft van de waarde is gefinancierd met opbrengst van de privéwoning van [gedaagde] aan de Hendric Dirckszstraat 6, zodat sprake is van zaaksvervanging. Met dit betoog doelt [gedaagde] kennelijk op de tekst van artikel 1:124 lid 2 BW, zoals dat luidde ná de wetswijziging op 1 januari 1992 (“ Een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, blijft buiten de gemeenschap, indien het voor meer dan de helft van zijn prijs ten laste van hem persoonlijk komt ” ). Op het moment dat de woning aan de [adres 2] werd verkregen (in 1988/1989) was deze wet echter nog niet van kracht. Op grond van het destijds wel geldende artikel 1:124 lid 1 BW (zoals weergegeven in 4.1 van dit vonnis) is de woning onderdeel van de gemeenschap, omdat de woning aan de Watermolen deels is gefinancierd met een lening en dus niet volledig met privévermogen van [gedaagde]. Ook als de polis bij Aegon met nummer L10055534 dus gekoppeld was aan die woning, hetgeen verder in het midden kan blijven, is die polis dus geen privévermogen van [gedaagde], maar gemeenschappelijk vermogen. 4.8. Het voorgaande betekent dat de polissen zoals genoemd in 4.4 onderdeel uitmaken van de gemeenschap van vruchten en inkomsten. Dat geldt dus ook voor de uitkeringen uit hoofde van die polissen. Uitkering van Avéro Achmea is onvoldoende onderbouwd 4.9. [eiser] heeft gesteld dat daarnaast sprake was van een uitkering van een lijfrentepolis bij Avéro Achmea. Zij baseert dit standpunt op een handgeschreven notitie. [eiser] stelt dat die notitie is opgesteld ten behoeve van de aangifte van 2005 en via [gedaagde] bij de boekhouder terecht is gekomen. 4.10. Ter zitting heeft [eiser] echter verklaard dat zij de handgeschreven notitie, die slecht leesbaar is, zelf heeft opgesteld. De herkomst van de notitie en de daarop weergegeven informatie is verder onduidelijk gebleven. [gedaagde] heeft betwist dat hij bekend was met deze notitie of de daarop vermelde polis bij Avéro Achmea. [gedaagde] heeft verder toegelicht dat hij zijn hele administratie, voor zover nog beschikbaar, heeft doorgezocht en geen polis bij Avéro Achmea of een uitkering uit dien hoofde heeft aangetroffen. [eiser] heeft daarop onvoldoende concreet gereageerd. De eigen notitie van [eiser] is bij deze stand van zaken onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van een uitkering van Avéro Achmea waarop [eiser] aanspraak kan maken. Omdat [eiser] haar standpunt onvoldoende concreet heeft onderbouwd, gaat de rechtbank aan de stellingen van [eiser] over de uitkering van Avéro Achmea verder voorbij. Geen eerdere afspraken over de verdeling uitkeringen AXA, NN (nr. 9417841) en Aegon 4.11. De vaststelling dat de uitkeringen van de polissen bij AXA, NN (met nummer 9417841) en Aegon onderdeel uitmaken van de gemeenschap van vruchten en inkomsten, betekent dat [eiser] in beginsel aanspraak kan maken op verdeling daarvan. 4.12. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in zijn betoog dat partijen in 2006/2007 bindende afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Uit de overgelegde correspondentie volgt juist dat partijen daarover van mening verschilden.
Volledig
De advocaat van [eiser] heeft destijds in haar brief van 28 juni 2007 uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat met de betaling van het bedrag van € 83.596,03 geen algehele overeenstemming is bereikt. Dat partijen daarná alsnog tot een definitieve afwikkeling zijn gekomen, heeft [gedaagde] onvoldoende concreet gesteld. Bij de afwikkeling van het faillissement van [gedaagde] heeft (kennelijk) evenmin uitkering plaatsgevonden aan [eiser] als concurrente schuldeiser. 4.13. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiser] blijkens de door haar ingenomen standpunten in deze procedure geen (nadere) afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden wenst. Ter zitting heeft [eiser] haar standpunt echter aldus toegelicht dat zij geen (nadere) verdeling meer verlangt van bijvoorbeeld de woning en de inboedel, maar dat zij wel aanspraak maakt op verdeling van de uitkeringen van de polissen, tegen de achtergrond dat [gedaagde] ook een deel van haar pensioen heeft opgeëist. Bij die vordering heeft [eiser], anders dan [gedaagde] betoogt, voldoende belang. [eiser] heeft haar rechten op de uitkeringen van AXA en NN (polisnr. 9417841) verwerkt 4.14. [gedaagde] betoogt dat [eiser] haar rechten op die de helft van de uitkering van de polissen heeft verwerkt, omdat zij daarop al in 2006 aanspraak heeft gemaakt en daarover vervolgens in 2007 een procedure is gestart bij de rechtbank, maar die procedure niet heeft voorgezet. 4.15. Vooropgesteld wordt dat rechtsverwerking een toepassing is van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop niet toereikend, maar is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. 4.16. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking ten aanzien van de uitkeringen van AXA en de uitkering van NN (van de polis met nummer 9417841) slaagt. Vast staat dat [eiser] in 2006 bekend was met het bestaan van de uitkeringen en de hoogte van die uitkeringen. De uitkeringen hebben beide plaatsgevonden tijdens het huwelijk. De informatie over de uitkeringen van AXA en NN is bovendien vermeld in de brief van de toenmalige advocaat van [eiser] van 28 september 2006. Gelet op de stellingen van partijen gaat de rechtbank er bovendien vanuit dat [eiser] ook in de door haar gestarte procedure in 2007 over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden, aanspraak heeft gemaakt op de uitkeringen van AXA en NN. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat zij er, in overleg met haar toenmalige advocaat, vervolgens bewust voor heeft gekozen de procedure te laten rusten. Daarna is de procedure doorgehaald. Hiermee heeft [eiser] er jegens [gedaagde] blijk van gegeven niet langer aanspraak te maken op (de financiële consequenties van) een verdeling van de uitkeringen van NN en AXA. Zij heeft bij [eiser] gedurende een periode van circa achttien jaar het vertrouwen gewekt dat zij haar aanspraak op die uitkeringen niet meer geldend zou maken. 4.17. Hierbij weegt ook mee dat [gedaagde] voldoende concreet heeft toegelicht dat hij onredelijk zou worden benadeeld als [eiser] alsnog deze aanspraak op de uitkeringen van AXA en NN geldend zou maken, omdat bewijsmateriaal verloren is gegaan, zijn toenmalige advocaat niet meer over het dossier beschikt, en ook de herinneringen van [gedaagde] van achttien jaar geleden niet meer scherp zijn. Zo heeft [gedaagde] bijvoorbeeld aangevoerd dat hij niet meer goed zou kunnen aantonen dat de uitkeringen van AXA en NN, die tijdens het huwelijk hebben plaatsgevonden, tijdens het huwelijk zijn aangewend als inkomen voor beide partijen, zoals [gedaagde] aanvoert en [eiser] weerspreekt. 4.18. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gedragingen van [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar zijn met het nu alsnog inroepen van haar aanspraken op de uitkeringen van NN (polisnr. 9417841) en AXA. [eiser] heeft haar aanspraak op uitkeringen van Aegon niet verwerkt; geen verjaring 4.19. Anders dan [gedaagde] betoogt, geldt hetgeen in het voorgaande is overwogen over rechtsverwerking, niet voor de vordering van [eiser] betreffende de uitkeringen van Aegon. Ten tijde van de correspondentie in 2006/2007 en de procedure in 2007 was de waarde van polissen bij Aegon niet bekend bij [eiser]. De toenmalige advocaat van [eiser] heeft destijds daarover informatie opgevraagd, maar er is niet gebleken dat [eiser] die informatie toen heeft ontvangen. Bovendien is pas in mei 2024 bij [eiser] bekend geworden dat Aegon (al in 2007) tot uitkering van deze polissen was overgegaan. Eerder is dat door [gedaagde] niet aan haar medegedeeld. [gedaagde] heeft er daarom niet op mogen vertrouwen dat [eiser] geen aanspraak meer zou maken op de uitkering van deze polissen. 4.20. Het beroep van [eiser] op verjaring (van eventuele vergoedingsrechten) gaat evenmin op. De uitkering van de Aegon polissen vallen in de gemeenschap, zodat geen sprake is van een vergoedingsrecht, maar van verdeling. De verdeling van een gemeenschap kan te allen tijde worden gevorderd en is (dus) niet aan verjaring onderhevig. [eiser] heeft de polis van Aegon niet proberen te onttrekken aan de afwikkeling 4.21. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] heeft getracht de polis bij Aegon met nummer L10055535 aan de verdeling te onttrekken, zodat de waarde van de polis aan hem moet toekomen. Hij heeft dit echter onvoldoende concreet toegelicht. [gedaagde] voert daartoe aan dat [eiser] heeft verzocht om te worden vermeld als eerste begunstigde van deze polis (hetgeen [eiser] overigens betwist) en dat dit ook is gebeurd. Het laten aanwijzen van [eiser] als eerste begunstigde is echter niet hetzelfde als het onttrekken van de polis aan de afwikkeling. [gedaagde] beschikte immers nog steeds over alle benodigde informatie en bevoegdheden om de polis af te kopen. Dat blijkt al uit het gegeven dat Aegon op verzoek van [gedaagde] de polis heeft uitgekeerd aan [gedaagde], hoewel [eiser] kennelijk was vermeld als begunstigde. Dit verweer van [gedaagde] slaagt dus niet. [eiser] heeft evenmin al meer verkregen dan haar toekomt 4.22. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiser] uit de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden al meer heeft verkregen dan haar toekomt. Dit betoog is gebaseerd op het standpunt van [gedaagde] dat de woning aan de [adres 2] zijn privé-eigendom was en dat het bedrag van € 83.596,03 uit de overwaarde van die woning dus onverschuldigd aan [eiser] is betaald. De rechtbank oordeelt daar anders over. Gelet op hetgeen in 4.7 van dit vonnis is overwogen was de woning onderdeel van de gemeenschap van vruchten en inkomsten en had [eiser] dus recht op een aandeel in de overwaarde. Uit het gegeven dat zij een deel van de overwaarde van de woning heeft gekregen kan dus niet worden afgeleid dat zij te veel heeft gekregen. 4.23. [gedaagde] heeft er verder op gewezen dat [eiser] in 2006/2007 al het saldo van een spaarrekening heeft verkregen, de gehele inboedel, de waarde van een Mercedes, twee Sphynx katten en de opbrengst van een caravan. Voor zover [gedaagde] betoogt dat [eiser] hiermee meer dan de helft van het te verdelen vermogen heeft verkregen, slaagt dat niet. [gedaagde] heeft namelijk geen inzicht gegeven in de omvang van het totale te verdelen vermogen en evenmin in de vermogensbestanddelen die [gedaagde] destijds zelf heeft verkregen, zodat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] meer heeft verkregen dan haar toekomt. Ook dit verweer van [gedaagde] kan dus niet slagen. Verdeling is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar 4.24. Volgens [gedaagde] is de aanspraak van [eiser] op de helft van de uitkeringen van Aegon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hij voert daartoe aan dat hij slechts een gering eigen pensioen heeft opgebouwd en een bruto aandeel in het pensioen van [eiser] ontvangt.
Volledig
De advocaat van [eiser] heeft destijds in haar brief van 28 juni 2007 uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt dat met de betaling van het bedrag van € 83.596,03 geen algehele overeenstemming is bereikt. Dat partijen daarná alsnog tot een definitieve afwikkeling zijn gekomen, heeft [gedaagde] onvoldoende concreet gesteld. Bij de afwikkeling van het faillissement van [gedaagde] heeft (kennelijk) evenmin uitkering plaatsgevonden aan [eiser] als concurrente schuldeiser. 4.13. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiser] blijkens de door haar ingenomen standpunten in deze procedure geen (nadere) afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden wenst. Ter zitting heeft [eiser] haar standpunt echter aldus toegelicht dat zij geen (nadere) verdeling meer verlangt van bijvoorbeeld de woning en de inboedel, maar dat zij wel aanspraak maakt op verdeling van de uitkeringen van de polissen, tegen de achtergrond dat [gedaagde] ook een deel van haar pensioen heeft opgeëist. Bij die vordering heeft [eiser], anders dan [gedaagde] betoogt, voldoende belang. [eiser] heeft haar rechten op de uitkeringen van AXA en NN (polisnr. 9417841) verwerkt 4.14. [gedaagde] betoogt dat [eiser] haar rechten op die de helft van de uitkering van de polissen heeft verwerkt, omdat zij daarop al in 2006 aanspraak heeft gemaakt en daarover vervolgens in 2007 een procedure is gestart bij de rechtbank, maar die procedure niet heeft voorgezet. 4.15. Vooropgesteld wordt dat rechtsverwerking een toepassing is van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop niet toereikend, maar is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist, als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. 4.16. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking ten aanzien van de uitkeringen van AXA en de uitkering van NN (van de polis met nummer 9417841) slaagt. Vast staat dat [eiser] in 2006 bekend was met het bestaan van de uitkeringen en de hoogte van die uitkeringen. De uitkeringen hebben beide plaatsgevonden tijdens het huwelijk. De informatie over de uitkeringen van AXA en NN is bovendien vermeld in de brief van de toenmalige advocaat van [eiser] van 28 september 2006. Gelet op de stellingen van partijen gaat de rechtbank er bovendien vanuit dat [eiser] ook in de door haar gestarte procedure in 2007 over de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden, aanspraak heeft gemaakt op de uitkeringen van AXA en NN. [eiser] heeft ter zitting verklaard dat zij er, in overleg met haar toenmalige advocaat, vervolgens bewust voor heeft gekozen de procedure te laten rusten. Daarna is de procedure doorgehaald. Hiermee heeft [eiser] er jegens [gedaagde] blijk van gegeven niet langer aanspraak te maken op (de financiële consequenties van) een verdeling van de uitkeringen van NN en AXA. Zij heeft bij [eiser] gedurende een periode van circa achttien jaar het vertrouwen gewekt dat zij haar aanspraak op die uitkeringen niet meer geldend zou maken. 4.17. Hierbij weegt ook mee dat [gedaagde] voldoende concreet heeft toegelicht dat hij onredelijk zou worden benadeeld als [eiser] alsnog deze aanspraak op de uitkeringen van AXA en NN geldend zou maken, omdat bewijsmateriaal verloren is gegaan, zijn toenmalige advocaat niet meer over het dossier beschikt, en ook de herinneringen van [gedaagde] van achttien jaar geleden niet meer scherp zijn. Zo heeft [gedaagde] bijvoorbeeld aangevoerd dat hij niet meer goed zou kunnen aantonen dat de uitkeringen van AXA en NN, die tijdens het huwelijk hebben plaatsgevonden, tijdens het huwelijk zijn aangewend als inkomen voor beide partijen, zoals [gedaagde] aanvoert en [eiser] weerspreekt. 4.18. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gedragingen van [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar zijn met het nu alsnog inroepen van haar aanspraken op de uitkeringen van NN (polisnr. 9417841) en AXA. [eiser] heeft haar aanspraak op uitkeringen van Aegon niet verwerkt; geen verjaring 4.19. Anders dan [gedaagde] betoogt, geldt hetgeen in het voorgaande is overwogen over rechtsverwerking, niet voor de vordering van [eiser] betreffende de uitkeringen van Aegon. Ten tijde van de correspondentie in 2006/2007 en de procedure in 2007 was de waarde van polissen bij Aegon niet bekend bij [eiser]. De toenmalige advocaat van [eiser] heeft destijds daarover informatie opgevraagd, maar er is niet gebleken dat [eiser] die informatie toen heeft ontvangen. Bovendien is pas in mei 2024 bij [eiser] bekend geworden dat Aegon (al in 2007) tot uitkering van deze polissen was overgegaan. Eerder is dat door [gedaagde] niet aan haar medegedeeld. [gedaagde] heeft er daarom niet op mogen vertrouwen dat [eiser] geen aanspraak meer zou maken op de uitkering van deze polissen. 4.20. Het beroep van [eiser] op verjaring (van eventuele vergoedingsrechten) gaat evenmin op. De uitkering van de Aegon polissen vallen in de gemeenschap, zodat geen sprake is van een vergoedingsrecht, maar van verdeling. De verdeling van een gemeenschap kan te allen tijde worden gevorderd en is (dus) niet aan verjaring onderhevig. [eiser] heeft de polis van Aegon niet proberen te onttrekken aan de afwikkeling 4.21. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] heeft getracht de polis bij Aegon met nummer L10055535 aan de verdeling te onttrekken, zodat de waarde van de polis aan hem moet toekomen. Hij heeft dit echter onvoldoende concreet toegelicht. [gedaagde] voert daartoe aan dat [eiser] heeft verzocht om te worden vermeld als eerste begunstigde van deze polis (hetgeen [eiser] overigens betwist) en dat dit ook is gebeurd. Het laten aanwijzen van [eiser] als eerste begunstigde is echter niet hetzelfde als het onttrekken van de polis aan de afwikkeling. [gedaagde] beschikte immers nog steeds over alle benodigde informatie en bevoegdheden om de polis af te kopen. Dat blijkt al uit het gegeven dat Aegon op verzoek van [gedaagde] de polis heeft uitgekeerd aan [gedaagde], hoewel [eiser] kennelijk was vermeld als begunstigde. Dit verweer van [gedaagde] slaagt dus niet. [eiser] heeft evenmin al meer verkregen dan haar toekomt 4.22. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat [eiser] uit de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden al meer heeft verkregen dan haar toekomt. Dit betoog is gebaseerd op het standpunt van [gedaagde] dat de woning aan de [adres 2] zijn privé-eigendom was en dat het bedrag van € 83.596,03 uit de overwaarde van die woning dus onverschuldigd aan [eiser] is betaald. De rechtbank oordeelt daar anders over. Gelet op hetgeen in 4.7 van dit vonnis is overwogen was de woning onderdeel van de gemeenschap van vruchten en inkomsten en had [eiser] dus recht op een aandeel in de overwaarde. Uit het gegeven dat zij een deel van de overwaarde van de woning heeft gekregen kan dus niet worden afgeleid dat zij te veel heeft gekregen. 4.23. [gedaagde] heeft er verder op gewezen dat [eiser] in 2006/2007 al het saldo van een spaarrekening heeft verkregen, de gehele inboedel, de waarde van een Mercedes, twee Sphynx katten en de opbrengst van een caravan. Voor zover [gedaagde] betoogt dat [eiser] hiermee meer dan de helft van het te verdelen vermogen heeft verkregen, slaagt dat niet. [gedaagde] heeft namelijk geen inzicht gegeven in de omvang van het totale te verdelen vermogen en evenmin in de vermogensbestanddelen die [gedaagde] destijds zelf heeft verkregen, zodat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] meer heeft verkregen dan haar toekomt. Ook dit verweer van [gedaagde] kan dus niet slagen. Verdeling is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar 4.24. Volgens [gedaagde] is de aanspraak van [eiser] op de helft van de uitkeringen van Aegon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hij voert daartoe aan dat hij slechts een gering eigen pensioen heeft opgebouwd en een bruto aandeel in het pensioen van [eiser] ontvangt.
Volledig
Dat de uitkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is door [gedaagde] niet concreet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. [gedaagde] moet € 22.859,50 betalen aan [eiser] 4.25. Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [eiser] aanspraak heeft op de helft van de uitkeringen van Aegon. Die uitkeringen bedroegen € 33.879,- en € 11.840,-, dus in totaal € 45.719,-. De aan [eiser] toekomende helft bedraagt dus € 22.859,50. 4.26. De gevorderde wettelijke rente vanaf de uitkeringen (in 2007) is niet toewijsbaar. Zolang de verdeling niet is vastgesteld, is namelijk geen sprake van een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan [gedaagde] in verzuim was. [eiser] had bovendien eerder verdeling kunnen vorderen, omdat zij wist van het bestaan van de polissen bij Aegon (dit was vermeld in de brief van haar advocaat van 28 september 2006) en zij dus eerder zelf informatie had kunnen opvragen bij Aegon (zoals zij in mei 2024 heeft gedaan). De subsidiair gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding zal wel worden toegewezen. [gedaagde] is niet aansprakelijk voor aanvullende schadevergoeding 4.27. [eiser] betoogt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de polissen zonder toestemming van [eiser] af te kopen, de opbrengst voor zichzelf te houden en structureel informatie achter te houden. Zij vordert op die grond een veroordeling van [gedaagde] om aanvullende schadevergoeding te betalen, onder meer vanwege gemiste waardeontwikkeling van de polissen. 4.28. Voor aansprakelijkheid van [gedaagde] op grond van een onrechtmatige daad is onder meer vereist dat [eiser] schade heeft geleden door het handelen van [gedaagde]. [eiser] heeft onvoldoende concreet gesteld dat daarvan sprake is. Ter zitting heeft zij verklaard dat, als [gedaagde] de polissen met haar zou hebben besproken, zij afspraken had willen maken over polissen bij (onder meer) Aegon. Zij heeft echter niet gesteld dat in dat geval de polissen niet zouden zijn afgekocht. Daarmee heeft zij onvoldoende concreet gesteld dat sprake is van misgelopen waardeontwikkeling van de polissen waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. 4.29. Daarbij komt dat [gedaagde] ten aanzien de polis bij Aegon met nummer L10055535 heeft onderbouwd dat als de polis niet zou zijn afgekocht (voor een afkoopsom van € 11.840,-), er in het geheel geen uitkering zou hebben plaatsgevonden (en dus ook geen positieve waardeontwikkeling zou zijn geweest), omdat alleen aanspraak bestond op uitkering bij overlijden van [gedaagde] vóór de einddatum van de polis op 15 november 2018, waarvan geen sprake was. [eiser] heeft daarop niet gereageerd. Ook in zoverre heeft [eiser] dus onvoldoende concreet gesteld dat zij door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden. 4.30. Het voorgaande betekent geen sprake is van een zelfstandige onrechtmatige daad van [gedaagde]. [gedaagde] hoeft daarom geen aanvullende schade te vergoeden aan [eiser]. Gelet op het voorgaande kan ook het beroep van [eiser] op ongerechtvaardigde verrijking niet leiden tot aansprakelijkheid van [gedaagde] voor aanvullende schadevergoeding. De verdere beoordeling van dat standpunt van [eiser] kan daarom achterwege blijven. [eiser] heeft recht op informatie over de nog niet uitgekeerde polissen bij NN en RVS 4.31. [eiser] stelt dat tijdens het huwelijk, naast de in het voorgaande besproken polissen, de volgende polissen zijn afgesloten: een polis bij NN met nummer 7574075; polissen bij RVS met nummers 78206085, 52825272 en 70789359; een (andere) beleende polis bij NN; twee koopsompolissen (in 2004 en 2005). 4.32. [eiser] vordert ten aanzien van deze polissen (en andere, onbekende polissen) dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het doen van opgave en het verstrekken van informatie. 4.33. [gedaagde] heeft erkend dat tijdens het huwelijk een polis bij NN is afgesloten met nummer 7574075. Ten aanzien van deze polis heeft [gedaagde] aangevoerd dat geen uitkering heeft plaatsgevonden, omdat deze polis waarschijnlijk is verrekend met een lening bij NN met nummer 0102414874L01 (hetgeen overigens overeenstemt met de inhoud van de brief van de toenmalige advocaat van [eiser] van 28 september 2006). [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij niet zeker weet wat er met de polis is gebeurd, maar dat hij geen verdere documentatie heeft. Ook heeft hij aangevoerd dat hij informatie heeft opgevraagd bij NN. 4.34. Omdat als uitgangspunt geldt dat ook deze (tijdens het huwelijk afgesloten) polis onderdeel uitmaakt van de gemeenschap van vruchten en inkomsten, heeft [eiser] recht op een afschrift van de gegevens waarover [gedaagde] beschikt (artikel 194 en 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De vordering van [eiser] tot het doen van opgave en het verstrekken aan informatie over deze polis is daarom in zoverre toewijsbaar. Omdat [gedaagde] ten tijde van de zitting nog niet beschikte over deze informatie, zal worden bepaald dat [gedaagde] deze informatie aan [eiser] moet verstrekken binnen twee weken na ontvangst daarvan van NN. Dat een dergelijke veroordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is door [gedaagde] onvoldoende toegelicht. 4.35. Het voorgaande geldt ook voor de drie polissen bij RVS. Partijen zijn het er over eens dat ook deze polissen zijn afgesloten tijdens het huwelijk en nog niet zijn uitgekeerd. Uitgangspunt is dus dat ook deze polissen onderdeel zijn van de gemeenschap van vruchten en inkomsten, zodat [eiser] recht heeft op de gegevens hierover, voor zover [gedaagde] daarover beschikt. [gedaagde] heeft toegelicht dat RVS is overgenomen door NN en dat hij bij NN informatie heeft opgevraagd. Zodra [gedaagde] die informatie heeft ontvangen, moet hij die informatie dus verstrekken aan [eiser]. 4.36. Van het bestaan van een beleende polis bij NN (anders dan de twee al besproken polissen bij NN met nummers 9417841 en 7574075) heeft [eiser] geen onderbouwing gegeven. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij zijn hele administratie, voor zover beschikbaar, heeft doorgezocht, maar daarin geen aanwijzing heeft gevonden voor het bestaan van deze polis. [gedaagde] kan daarom niet worden veroordeeld om over deze polis informatie te verstrekken aan [eiser]. 4.37. Voor de koopsompolissen heeft [eiser] verwezen naar de eindbalansen van 2003 tot en met 2006 van de onderneming van [gedaagde]. Daarin zijn daar posten voor “ levensverzekering ” vermeld (overigens met andere bedragen dan [eiser] noemt), maar daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van (een) koopsompolis(sen). [gedaagde] heeft toegelicht dat hij geen koopsompolissen heeft aangetroffen in zijn administratie. Omdat het bestaan van de koopsompolissen onvoldoende is gebleken, kan [gedaagde] niet worden veroordeeld daarvan opgave te doen of informatie te verstrekken. 4.38. Ook van andere polissen voor lijfrente of levensverzekeringen hoeft [eiser] geen opgave te doen, omdat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat alle tijdens het huwelijk afgesloten polissen zijn besproken en hij niet beschikt over andere informatie. Bij nadere informatie over de polissen bij AXA, NN met polisnummer 9417841 en Aegon heeft [eiser] bovendien haar belang onvoldoende toegelicht, nu over die polissen al voldoende informatie beschikbaar is. Conclusie en proceskosten 4.39. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat vordering 4 (zoals weergegeven in 3.1 van dit vonnis) toewijsbaar is tot een bedrag van € 22.859,50 met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Bij vorderingen 2 en 3 (verklaring voor recht dat [gedaagde] verplicht is de helft van de waarde van de afgekochte polissen te vergoeden, althans dat [eiser] recht heeft op de helft van de waarde van de afgekochte polissen) heeft [eiser] geen belang, omdat niet is gebleken dat sprake is van andere polissen die tijdens het huwelijk zijn gesloten en inmiddels zijn afgekocht/uitgekeerd. 4.40. Vorderingen 1, 6 en 7 (verklaringen voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en [eiser] recht heeft op aanvullende schadevergoeding) zijn niet toewijsbaar, omdat geen sprake is van een onrechtmatige daad. 4.41.
Volledig
Dat de uitkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is door [gedaagde] niet concreet onderbouwd, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. [gedaagde] moet € 22.859,50 betalen aan [eiser] 4.25. Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat [eiser] aanspraak heeft op de helft van de uitkeringen van Aegon. Die uitkeringen bedroegen € 33.879,- en € 11.840,-, dus in totaal € 45.719,-. De aan [eiser] toekomende helft bedraagt dus € 22.859,50. 4.26. De gevorderde wettelijke rente vanaf de uitkeringen (in 2007) is niet toewijsbaar. Zolang de verdeling niet is vastgesteld, is namelijk geen sprake van een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan [gedaagde] in verzuim was. [eiser] had bovendien eerder verdeling kunnen vorderen, omdat zij wist van het bestaan van de polissen bij Aegon (dit was vermeld in de brief van haar advocaat van 28 september 2006) en zij dus eerder zelf informatie had kunnen opvragen bij Aegon (zoals zij in mei 2024 heeft gedaan). De subsidiair gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding zal wel worden toegewezen. [gedaagde] is niet aansprakelijk voor aanvullende schadevergoeding 4.27. [eiser] betoogt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de polissen zonder toestemming van [eiser] af te kopen, de opbrengst voor zichzelf te houden en structureel informatie achter te houden. Zij vordert op die grond een veroordeling van [gedaagde] om aanvullende schadevergoeding te betalen, onder meer vanwege gemiste waardeontwikkeling van de polissen. 4.28. Voor aansprakelijkheid van [gedaagde] op grond van een onrechtmatige daad is onder meer vereist dat [eiser] schade heeft geleden door het handelen van [gedaagde]. [eiser] heeft onvoldoende concreet gesteld dat daarvan sprake is. Ter zitting heeft zij verklaard dat, als [gedaagde] de polissen met haar zou hebben besproken, zij afspraken had willen maken over polissen bij (onder meer) Aegon. Zij heeft echter niet gesteld dat in dat geval de polissen niet zouden zijn afgekocht. Daarmee heeft zij onvoldoende concreet gesteld dat sprake is van misgelopen waardeontwikkeling van de polissen waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. 4.29. Daarbij komt dat [gedaagde] ten aanzien de polis bij Aegon met nummer L10055535 heeft onderbouwd dat als de polis niet zou zijn afgekocht (voor een afkoopsom van € 11.840,-), er in het geheel geen uitkering zou hebben plaatsgevonden (en dus ook geen positieve waardeontwikkeling zou zijn geweest), omdat alleen aanspraak bestond op uitkering bij overlijden van [gedaagde] vóór de einddatum van de polis op 15 november 2018, waarvan geen sprake was. [eiser] heeft daarop niet gereageerd. Ook in zoverre heeft [eiser] dus onvoldoende concreet gesteld dat zij door het handelen van [gedaagde] schade heeft geleden. 4.30. Het voorgaande betekent geen sprake is van een zelfstandige onrechtmatige daad van [gedaagde]. [gedaagde] hoeft daarom geen aanvullende schade te vergoeden aan [eiser]. Gelet op het voorgaande kan ook het beroep van [eiser] op ongerechtvaardigde verrijking niet leiden tot aansprakelijkheid van [gedaagde] voor aanvullende schadevergoeding. De verdere beoordeling van dat standpunt van [eiser] kan daarom achterwege blijven. [eiser] heeft recht op informatie over de nog niet uitgekeerde polissen bij NN en RVS 4.31. [eiser] stelt dat tijdens het huwelijk, naast de in het voorgaande besproken polissen, de volgende polissen zijn afgesloten: een polis bij NN met nummer 7574075; polissen bij RVS met nummers 78206085, 52825272 en 70789359; een (andere) beleende polis bij NN; twee koopsompolissen (in 2004 en 2005). 4.32. [eiser] vordert ten aanzien van deze polissen (en andere, onbekende polissen) dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het doen van opgave en het verstrekken van informatie. 4.33. [gedaagde] heeft erkend dat tijdens het huwelijk een polis bij NN is afgesloten met nummer 7574075. Ten aanzien van deze polis heeft [gedaagde] aangevoerd dat geen uitkering heeft plaatsgevonden, omdat deze polis waarschijnlijk is verrekend met een lening bij NN met nummer 0102414874L01 (hetgeen overigens overeenstemt met de inhoud van de brief van de toenmalige advocaat van [eiser] van 28 september 2006). [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij niet zeker weet wat er met de polis is gebeurd, maar dat hij geen verdere documentatie heeft. Ook heeft hij aangevoerd dat hij informatie heeft opgevraagd bij NN. 4.34. Omdat als uitgangspunt geldt dat ook deze (tijdens het huwelijk afgesloten) polis onderdeel uitmaakt van de gemeenschap van vruchten en inkomsten, heeft [eiser] recht op een afschrift van de gegevens waarover [gedaagde] beschikt (artikel 194 en 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De vordering van [eiser] tot het doen van opgave en het verstrekken aan informatie over deze polis is daarom in zoverre toewijsbaar. Omdat [gedaagde] ten tijde van de zitting nog niet beschikte over deze informatie, zal worden bepaald dat [gedaagde] deze informatie aan [eiser] moet verstrekken binnen twee weken na ontvangst daarvan van NN. Dat een dergelijke veroordeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is door [gedaagde] onvoldoende toegelicht. 4.35. Het voorgaande geldt ook voor de drie polissen bij RVS. Partijen zijn het er over eens dat ook deze polissen zijn afgesloten tijdens het huwelijk en nog niet zijn uitgekeerd. Uitgangspunt is dus dat ook deze polissen onderdeel zijn van de gemeenschap van vruchten en inkomsten, zodat [eiser] recht heeft op de gegevens hierover, voor zover [gedaagde] daarover beschikt. [gedaagde] heeft toegelicht dat RVS is overgenomen door NN en dat hij bij NN informatie heeft opgevraagd. Zodra [gedaagde] die informatie heeft ontvangen, moet hij die informatie dus verstrekken aan [eiser]. 4.36. Van het bestaan van een beleende polis bij NN (anders dan de twee al besproken polissen bij NN met nummers 9417841 en 7574075) heeft [eiser] geen onderbouwing gegeven. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij zijn hele administratie, voor zover beschikbaar, heeft doorgezocht, maar daarin geen aanwijzing heeft gevonden voor het bestaan van deze polis. [gedaagde] kan daarom niet worden veroordeeld om over deze polis informatie te verstrekken aan [eiser]. 4.37. Voor de koopsompolissen heeft [eiser] verwezen naar de eindbalansen van 2003 tot en met 2006 van de onderneming van [gedaagde]. Daarin zijn daar posten voor “ levensverzekering ” vermeld (overigens met andere bedragen dan [eiser] noemt), maar daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van (een) koopsompolis(sen). [gedaagde] heeft toegelicht dat hij geen koopsompolissen heeft aangetroffen in zijn administratie. Omdat het bestaan van de koopsompolissen onvoldoende is gebleken, kan [gedaagde] niet worden veroordeeld daarvan opgave te doen of informatie te verstrekken. 4.38. Ook van andere polissen voor lijfrente of levensverzekeringen hoeft [eiser] geen opgave te doen, omdat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat alle tijdens het huwelijk afgesloten polissen zijn besproken en hij niet beschikt over andere informatie. Bij nadere informatie over de polissen bij AXA, NN met polisnummer 9417841 en Aegon heeft [eiser] bovendien haar belang onvoldoende toegelicht, nu over die polissen al voldoende informatie beschikbaar is. Conclusie en proceskosten 4.39. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat vordering 4 (zoals weergegeven in 3.1 van dit vonnis) toewijsbaar is tot een bedrag van € 22.859,50 met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Bij vorderingen 2 en 3 (verklaring voor recht dat [gedaagde] verplicht is de helft van de waarde van de afgekochte polissen te vergoeden, althans dat [eiser] recht heeft op de helft van de waarde van de afgekochte polissen) heeft [eiser] geen belang, omdat niet is gebleken dat sprake is van andere polissen die tijdens het huwelijk zijn gesloten en inmiddels zijn afgekocht/uitgekeerd. 4.40. Vorderingen 1, 6 en 7 (verklaringen voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en [eiser] recht heeft op aanvullende schadevergoeding) zijn niet toewijsbaar, omdat geen sprake is van een onrechtmatige daad. 4.41.