Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-05-06
ECLI:NL:RBNHO:2026:4918
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
7,502 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4918 text/xml public 2026-05-18T11:16:48 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-06 C/15/375041 Uitspraak Kort geding NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4918 text/html public 2026-05-18T11:16:13 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4918 Rechtbank Noord-Holland , 06-05-2026 / C/15/375041 Kort geding. Afwijzen vordering tot afgifte persoonlijke spullen wegens gebrek aan belang. Toewijzing reconventionele vordering tot wijzigen tenaamstelling auto. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/375041 / KG ZA 26-87 Vonnis in kort geding van 6 mei 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. E.C. Douma, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats], gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. M.A. van der Hoeven 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 3 producties - de akte vermeerdering van eis van [eiser] - de conclusie van eis in reconventie met 14 producties - de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 - de pleitnota van [eiser] - de pleitnota van [gedaagde] 1.2. Partijen hebben verzocht om aanhouding van de zaak voor het beproeven van een regeling. Partijen hebben hun geschil niet kunnen regelen. Vervolgens heeft [eiser] vonnis gevraagd. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en in de woning van [gedaagde] samengewoond tot 2 februari 2026. 2.2. In 2021 is een auto (BMW 5 Touring F11, hierna: de auto) aangekocht en is het kenteken op naam van [gedaagde] gesteld. De aankoopfactuur van de auto staat ook op naam van [gedaagde]. 2.3. Op 11 januari 2026 is met medewerking van [gedaagde] de tenaamstelling van de auto bij RDW gewijzigd en is de auto op naam van [eiser] gezet. 2.4. In de woning van [gedaagde] bevinden zich nog roerende zaken van [eiser]. Op 10 februari 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] verzocht mee te werken aan teruggave van diverse spullen. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd. 2.5. Op 26 februari 2026 is namens [eiser] conservatoir beslag tot afgifte gelegd op diverse roerende zaken in de woning van [gedaagde]. Dit beslagexploot is op 27 februari 2026 aan [gedaagde] betekend. 2.6. De advocaten van partijen hebben vervolgens, voor zover van belang, als volgt gecorrespondeerd. 2.7. Op 5 maart 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] per e-mail geschreven: Ik ben met cliënte door de lijst met zaken gegaan waarvan dhr. [eiser] afgifte vordert. Zie bijgaand (bijlage 1) een lijst in Word met daarbij: - in groen de zaken die aanwezig zijn en waarvan cliënte onder voorwaarden bereid is deze af te geven; - in oranje de zaken waarvan zij aanneemt dat deze aanwezig zijn, maar dit niet met absolute zekerheid kan aangeven, omdat deze niet gespecificeerd zijn of ergens in de door de deurwaarder ook aangetroffen zakken zou moeten zitten. Ook deze zaken is cliënte bereid - voor zover aanwezig - onder voorwaarden af te geven; - in rood de zaken die cliënte niet kan/zal aangeven, omdat deze haar eigendom zijn of niet aanwezig zijn. Voor zover de zaken ook worden genoemd in het beslagexploot, is daar in de lijst een opmerking over geplaatst. Tevens bijgevoegd (bijlage 2) zijn enkele foto’s die door de deurwaarder bij de beslaglegging zijn gemaakt, met daarbij aangegeven welke zaken hoe dan ook niet van dhr. [eiser] zijn (en dus ook niet afgegeven zullen worden). Het voorstel van cliënte is dat de groene en oranje (doch enkel voor zover aanwezig) zaken kunnen worden opgehaald onder de navolgende voorwaarden: (…) 2.8. Op 17 maart 2026 is namens [gedaagde] aan de advocaat van [eiser], voor zover van belang, bericht: Op 6 maart jl. schreef u: "De heer [eiser] vindt het goed dat een verhuisbedrijf zijn zaken zal ophalen. Daarbij zal de dan wel een deurwaarder aanwezig zijn, die elke roerende zaak (dus ook elke sok, onderbroek enzovoort) zal registreren. Om haar moverende redenen - en zonder daarbij enige gehoudenheid daartoe te erkennen of enige rechten prijs te geven - stemt cliënte daarmee in (uiteraard enkel voor zover wordt erkend dat dhr. [eiser] eigenaar is). De in de bijlage(*) met groen en oranje gemarkeerde zaken (doch enkel voor zover aanwezig) kunnen dinsdag a.s, (24 maart) worden opgehaald door een verhuisbedrijf in de aanwezigheid van dezelfde deurwaarder die het beslag heeft gelegd, op kosten van dhr. [eiser]. Dhr. [eiser] zal onder geen beding de zaken zelf ophalen. De deurwaarder kan contact met mij opnemen voor het maken van een afspraak. Hij en het verhuisbedrijf zullen niet eerder worden toegelaten dan nadat vooraf is vastgesteld welke zaken hij wel en niet zal meenemen. Voor de duidelijkheid dat zijn dus zeker niet alle in het beslagexploot genoemde zaken. Op 20 maart 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] geantwoord: Hierbij bericht ik u in bovengenoemde zaak dat op 24 maart 2026 geen roerende zaken zullen worden opgehaald (door de deurwaarder en een verhuisbedrijf). Later vanmiddag zult u via Mijn Rechtspraak een akte vermeerdering van eis ontvangen. (…) 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert – samengevat en na vermeerdering van eis – [gedaagde] te veroordelen tot verstrekking van de roerende zaken genoemd in de dagvaarding en in de akte eisvermeerdering, bij partijen genoegzaam bekend, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij eigenaar dan wel gerechtigde is van deze spullen. [eiser] stelt dat hij uit huis is gezet en geen persoonlijke eigendommen mee heeft kunnen nemen. 3.3. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen wegens gebrek aan belang, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met verdubbeling van het toepasselijke liquidatietarief wegens misbruik van procesrecht. [gedaagde] heeft aan [eiser] bevestigd dat hij zijn spullen die in haar bezit zijn kan laten ophalen door een verhuisbedrijf, in aanwezigheid van een deurwaarder. [eiser] is met deze voorwaarden akkoord alleen partijen hebben nog geen overeenstemming over de datum waarop dit kan plaatsvinden. [gedaagde] betwist het bezit van een drietal zaken (boormachine, vishengel en een Perzisch tapijt) en voert aan dat zij niet kan worden veroordeeld tot afgifte van deze spullen die niet in haar bezit zijn. Dit geldt eveneens voor de zaken die zij als oranje heeft gemarkeerd in de lijst (productie 7 van [gedaagde]) mocht zij hiervan niet in bezit zijn. [gedaagde] voert verder aan dat de auto haar eigendom is en om die reden de vordering tot afgifte hiervan moet worden afgewezen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde] vordert - samengevat - [eiser] te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het (weder) te naam stellen van de auto op naam van [gedaagde], meer in het bijzonder door afgifte aan [gedaagde] van de tenaamstellingscode met betrekking tot de auto, althans die handelingen te verrichten die nodig zijn voor overschrijving van de auto bij de RDW, op straffe van een dwangsom. 3.6. [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat zij sinds de aankoop van de auto eigenaar is en dat zij ook na de wijziging van de tenaamstelling eigenaar is gebleven. De aankoopfactuur staat op haar naam en zij heeft de verzekeringen betaald. [gedaagde] stelt dat de auto alleen vanwege administratieve redenen op naam is gezet van [eiser], zodat de vele verkeerboetes van [eiser] direct op zijn naam staan. 3.7. [eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. [eiser] voert aan dat de auto sinds jaar en dag zijn eigendom is. Met de wijziging van de tenaamstelling is de feitelijke situatie geformaliseerd.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4918 text/xml public 2026-05-18T11:16:48 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-05-06 C/15/375041 Uitspraak Kort geding NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4918 text/html public 2026-05-18T11:16:13 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4918 Rechtbank Noord-Holland , 06-05-2026 / C/15/375041 Kort geding. Afwijzen vordering tot afgifte persoonlijke spullen wegens gebrek aan belang. Toewijzing reconventionele vordering tot wijzigen tenaamstelling auto. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/375041 / KG ZA 26-87 Vonnis in kort geding van 6 mei 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats], eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. E.C. Douma, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats], gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. M.A. van der Hoeven 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 3 producties - de akte vermeerdering van eis van [eiser] - de conclusie van eis in reconventie met 14 producties - de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 - de pleitnota van [eiser] - de pleitnota van [gedaagde] 1.2. Partijen hebben verzocht om aanhouding van de zaak voor het beproeven van een regeling. Partijen hebben hun geschil niet kunnen regelen. Vervolgens heeft [eiser] vonnis gevraagd. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en in de woning van [gedaagde] samengewoond tot 2 februari 2026. 2.2. In 2021 is een auto (BMW 5 Touring F11, hierna: de auto) aangekocht en is het kenteken op naam van [gedaagde] gesteld. De aankoopfactuur van de auto staat ook op naam van [gedaagde]. 2.3. Op 11 januari 2026 is met medewerking van [gedaagde] de tenaamstelling van de auto bij RDW gewijzigd en is de auto op naam van [eiser] gezet. 2.4. In de woning van [gedaagde] bevinden zich nog roerende zaken van [eiser]. Op 10 februari 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde] verzocht mee te werken aan teruggave van diverse spullen. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd. 2.5. Op 26 februari 2026 is namens [eiser] conservatoir beslag tot afgifte gelegd op diverse roerende zaken in de woning van [gedaagde]. Dit beslagexploot is op 27 februari 2026 aan [gedaagde] betekend. 2.6. De advocaten van partijen hebben vervolgens, voor zover van belang, als volgt gecorrespondeerd. 2.7. Op 5 maart 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] per e-mail geschreven: Ik ben met cliënte door de lijst met zaken gegaan waarvan dhr. [eiser] afgifte vordert. Zie bijgaand (bijlage 1) een lijst in Word met daarbij: - in groen de zaken die aanwezig zijn en waarvan cliënte onder voorwaarden bereid is deze af te geven; - in oranje de zaken waarvan zij aanneemt dat deze aanwezig zijn, maar dit niet met absolute zekerheid kan aangeven, omdat deze niet gespecificeerd zijn of ergens in de door de deurwaarder ook aangetroffen zakken zou moeten zitten. Ook deze zaken is cliënte bereid - voor zover aanwezig - onder voorwaarden af te geven; - in rood de zaken die cliënte niet kan/zal aangeven, omdat deze haar eigendom zijn of niet aanwezig zijn. Voor zover de zaken ook worden genoemd in het beslagexploot, is daar in de lijst een opmerking over geplaatst. Tevens bijgevoegd (bijlage 2) zijn enkele foto’s die door de deurwaarder bij de beslaglegging zijn gemaakt, met daarbij aangegeven welke zaken hoe dan ook niet van dhr. [eiser] zijn (en dus ook niet afgegeven zullen worden). Het voorstel van cliënte is dat de groene en oranje (doch enkel voor zover aanwezig) zaken kunnen worden opgehaald onder de navolgende voorwaarden: (…) 2.8. Op 17 maart 2026 is namens [gedaagde] aan de advocaat van [eiser], voor zover van belang, bericht: Op 6 maart jl. schreef u: "De heer [eiser] vindt het goed dat een verhuisbedrijf zijn zaken zal ophalen. Daarbij zal de dan wel een deurwaarder aanwezig zijn, die elke roerende zaak (dus ook elke sok, onderbroek enzovoort) zal registreren. Om haar moverende redenen - en zonder daarbij enige gehoudenheid daartoe te erkennen of enige rechten prijs te geven - stemt cliënte daarmee in (uiteraard enkel voor zover wordt erkend dat dhr. [eiser] eigenaar is). De in de bijlage(*) met groen en oranje gemarkeerde zaken (doch enkel voor zover aanwezig) kunnen dinsdag a.s, (24 maart) worden opgehaald door een verhuisbedrijf in de aanwezigheid van dezelfde deurwaarder die het beslag heeft gelegd, op kosten van dhr. [eiser]. Dhr. [eiser] zal onder geen beding de zaken zelf ophalen. De deurwaarder kan contact met mij opnemen voor het maken van een afspraak. Hij en het verhuisbedrijf zullen niet eerder worden toegelaten dan nadat vooraf is vastgesteld welke zaken hij wel en niet zal meenemen. Voor de duidelijkheid dat zijn dus zeker niet alle in het beslagexploot genoemde zaken. Op 20 maart 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] geantwoord: Hierbij bericht ik u in bovengenoemde zaak dat op 24 maart 2026 geen roerende zaken zullen worden opgehaald (door de deurwaarder en een verhuisbedrijf). Later vanmiddag zult u via Mijn Rechtspraak een akte vermeerdering van eis ontvangen. (…) 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser] vordert – samengevat en na vermeerdering van eis – [gedaagde] te veroordelen tot verstrekking van de roerende zaken genoemd in de dagvaarding en in de akte eisvermeerdering, bij partijen genoegzaam bekend, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij eigenaar dan wel gerechtigde is van deze spullen. [eiser] stelt dat hij uit huis is gezet en geen persoonlijke eigendommen mee heeft kunnen nemen. 3.3. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen wegens gebrek aan belang, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, met verdubbeling van het toepasselijke liquidatietarief wegens misbruik van procesrecht. [gedaagde] heeft aan [eiser] bevestigd dat hij zijn spullen die in haar bezit zijn kan laten ophalen door een verhuisbedrijf, in aanwezigheid van een deurwaarder. [eiser] is met deze voorwaarden akkoord alleen partijen hebben nog geen overeenstemming over de datum waarop dit kan plaatsvinden. [gedaagde] betwist het bezit van een drietal zaken (boormachine, vishengel en een Perzisch tapijt) en voert aan dat zij niet kan worden veroordeeld tot afgifte van deze spullen die niet in haar bezit zijn. Dit geldt eveneens voor de zaken die zij als oranje heeft gemarkeerd in de lijst (productie 7 van [gedaagde]) mocht zij hiervan niet in bezit zijn. [gedaagde] voert verder aan dat de auto haar eigendom is en om die reden de vordering tot afgifte hiervan moet worden afgewezen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. [gedaagde] vordert - samengevat - [eiser] te veroordelen om binnen twee dagen na dagtekening van dit vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het (weder) te naam stellen van de auto op naam van [gedaagde], meer in het bijzonder door afgifte aan [gedaagde] van de tenaamstellingscode met betrekking tot de auto, althans die handelingen te verrichten die nodig zijn voor overschrijving van de auto bij de RDW, op straffe van een dwangsom. 3.6. [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat zij sinds de aankoop van de auto eigenaar is en dat zij ook na de wijziging van de tenaamstelling eigenaar is gebleven. De aankoopfactuur staat op haar naam en zij heeft de verzekeringen betaald. [gedaagde] stelt dat de auto alleen vanwege administratieve redenen op naam is gezet van [eiser], zodat de vele verkeerboetes van [eiser] direct op zijn naam staan. 3.7. [eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. [eiser] voert aan dat de auto sinds jaar en dag zijn eigendom is. Met de wijziging van de tenaamstelling is de feitelijke situatie geformaliseerd.
Volledig
[eiser] betwist dat de verkeerboetes de reden voor de wijziging zouden zijn geweest. Als dat het probleem was had [gedaagde] ook minder vergaande maatregelen kunnen nemen, zoals [gedaagde] het gebruik van de auto ontzeggen, aldus [gedaagde]. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. 4.2. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen omdat de vordering betrekking heeft op persoonlijke eigendommen. De auto 4.3. [eiser] vordert afgifte van de auto. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond om die vordering toe te wijzen vanwege het volgende. 4.4. Partijen twisten over de vraag wie eigenaar is van de auto. Niet in geschil is dat [gedaagde] op dit moment houder van de auto is. Daarmee wordt op grond van de wet vermoed dat zij bezitter en rechthebbende is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [eiser] er in deze procedure niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij een beter recht op de auto heeft. [eiser] heeft gesteld dat de auto sinds de aankoop in 2021 van hem is geweest, maar deze stelling is slechts summierlijk onderbouwd met de stelling dat hij in 2025 voor onderhoud heeft betaald en daarover met hem is gecorrespondeerd. [eiser] heeft echter geen verklaring gegeven voor het feit dat de aankoopfactuur op naam van [gedaagde] staat en dat toen ook het kentekenbewijs op haar naam is gezet. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij altijd de verzekering en de wegenbelasting heeft voldaan. Alhoewel uit de overgelegde betalingsbewijzen door [gedaagde] niet blijkt om welke auto het gaat, zoals opgeworpen door [eiser], heeft [eiser] deze stelling niet gemotiveerd weerlegd door bijvoorbeeld aan te tonen dat hij deze kosten heeft voldaan. Daarbij heeft [gedaagde] wel een verklaring gegeven voor de wijziging in de tenaamstelling afgelopen januari, namelijk de verkeerboetes, en heeft zij ook betalingen aan het CJIB overgelegd. [eiser] heeft aangevoerd dat niet gebleken is wie de boetes heeft gereden, maar hij heeft niet betwist dat hij boetes reed. Dat [eiser] 20 januari 2026 een bericht over de APK heeft ontvangen leidt niet tot een ander oordeel. Dat bericht is ontvangen na de wijziging van de tenaamstelling en biedt geen onderbouwing voor zijn stelling dat hij sinds 2021 eigenaar is. De overige roerende zaken 4.5. De vordering strekkende tot afgifte van de overige roerende zaken zal eveneens worden afgewezen. 4.6. Het staat vast dat [gedaagde] haar medewerking heeft toegezegd aan afgifte van de spullen van [eiser] die (mogelijk) in haar bezit zijn. Dit betreffen alle groen en oranje (voor zover aanwezig) gemarkeerde zaken in productie 7 van [gedaagde]. Verder staat vast dat partijen het eens zijn over de voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden: door een verhuisbedrijf en in aanwezigheid van een deurwaarder. Bij deze stand van zaken, waarbij partijen overeenstemming hebben over dit deel van de vordering, ontbreekt het belang in zoverre en zal de voorzieningenrechter de vordering afwijzen. 4.7. Van de rood gemarkeerde zaken heeft [gedaagde] het eigendom betwist en van de oranje zaken heeft zij aangegeven dat zij niet zeker weet of die in haar bezit zijn. Alle spullen zitten inmiddels in vuilniszakken waarvan zij niet de exacte inhoud kent. [eiser] heeft vervolgens niet onderbouwd dat [gedaagde] deze spullen wel in haar bezit heeft. Zonder nadere onderbouwing aan de zijde van [eiser] staat niet vast dat [gedaagde] in bezit is van deze spullen. Zij kan dan ook niet tot afgifte hiervan worden veroordeeld. Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Proceskosten 4.8. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De omstandigheid dat een week voor de mondelinge behandeling [gedaagde] haar vergaande voorwaarden aan afgifte van de spullen heeft laten vervallen en partijen vervolgens overeenstemming hebben bereikt, is onvoldoende voor het oordeel dat [eiser] zijn eis tegen beter weten in heeft ingesteld en rechtvaardigt geen (verhoogde) proceskostenveroordeling. in reconventie 4.9. [gedaagde] vordert in reconventie kortgezegd medewerking van [eiser] om de auto weer op haar naam te stellen. Deze vordering zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing, met beperking van de dwangsom. De voorzieningenrechter motiveert dit als volgt. 4.10. Zoals overwogen in 4.4 wordt [gedaagde] als bezitter van de auto geacht rechthebbende te zijn en is [eiser] er niet in geslaagd in deze kort geding procedure dit vermoeden te weerleggen. Totdat anders is beslist in een bodemprocedure of partijen anders zijn overeengekomen, moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] de eigenaar is van de auto. Althans, moet de situatie worden bewerkstelligd dat het bezit en de tenaamstelling van de auto bij dezelfde persoon liggen. Op dit moment moet [eiser] namelijk de wegenbelasting en eventuele verkeerboetes betalen voor een auto die in bezit is bij [gedaagde] en ook zou [eiser] worden aangeschreven als de auto niet gekeurd of verzekerd is. Dit is onwenselijk. 4.11. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt, in reconventie 5.3. veroordeelt [eiser] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het (weder) te naam stellen van de auto met kenteken [kenteken] op naam van [gedaagde], meer in het bijzonder door afgifte aan [gedaagde] van de tenaamstellingscode met betrekking tot de auto, althans die handelingen te verrichten die nodig zijn voor overschrijving van de auto bij de RDW, 5.4. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.4 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt, 5.5. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. Artikel 3:309 en 3:119 van het Burgerlijk Wetboek
Volledig
[eiser] betwist dat de verkeerboetes de reden voor de wijziging zouden zijn geweest. Als dat het probleem was had [gedaagde] ook minder vergaande maatregelen kunnen nemen, zoals [gedaagde] het gebruik van de auto ontzeggen, aldus [gedaagde]. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. 4.2. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen omdat de vordering betrekking heeft op persoonlijke eigendommen. De auto 4.3. [eiser] vordert afgifte van de auto. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende grond om die vordering toe te wijzen vanwege het volgende. 4.4. Partijen twisten over de vraag wie eigenaar is van de auto. Niet in geschil is dat [gedaagde] op dit moment houder van de auto is. Daarmee wordt op grond van de wet vermoed dat zij bezitter en rechthebbende is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [eiser] er in deze procedure niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij een beter recht op de auto heeft. [eiser] heeft gesteld dat de auto sinds de aankoop in 2021 van hem is geweest, maar deze stelling is slechts summierlijk onderbouwd met de stelling dat hij in 2025 voor onderhoud heeft betaald en daarover met hem is gecorrespondeerd. [eiser] heeft echter geen verklaring gegeven voor het feit dat de aankoopfactuur op naam van [gedaagde] staat en dat toen ook het kentekenbewijs op haar naam is gezet. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij altijd de verzekering en de wegenbelasting heeft voldaan. Alhoewel uit de overgelegde betalingsbewijzen door [gedaagde] niet blijkt om welke auto het gaat, zoals opgeworpen door [eiser], heeft [eiser] deze stelling niet gemotiveerd weerlegd door bijvoorbeeld aan te tonen dat hij deze kosten heeft voldaan. Daarbij heeft [gedaagde] wel een verklaring gegeven voor de wijziging in de tenaamstelling afgelopen januari, namelijk de verkeerboetes, en heeft zij ook betalingen aan het CJIB overgelegd. [eiser] heeft aangevoerd dat niet gebleken is wie de boetes heeft gereden, maar hij heeft niet betwist dat hij boetes reed. Dat [eiser] 20 januari 2026 een bericht over de APK heeft ontvangen leidt niet tot een ander oordeel. Dat bericht is ontvangen na de wijziging van de tenaamstelling en biedt geen onderbouwing voor zijn stelling dat hij sinds 2021 eigenaar is. De overige roerende zaken 4.5. De vordering strekkende tot afgifte van de overige roerende zaken zal eveneens worden afgewezen. 4.6. Het staat vast dat [gedaagde] haar medewerking heeft toegezegd aan afgifte van de spullen van [eiser] die (mogelijk) in haar bezit zijn. Dit betreffen alle groen en oranje (voor zover aanwezig) gemarkeerde zaken in productie 7 van [gedaagde]. Verder staat vast dat partijen het eens zijn over de voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden: door een verhuisbedrijf en in aanwezigheid van een deurwaarder. Bij deze stand van zaken, waarbij partijen overeenstemming hebben over dit deel van de vordering, ontbreekt het belang in zoverre en zal de voorzieningenrechter de vordering afwijzen. 4.7. Van de rood gemarkeerde zaken heeft [gedaagde] het eigendom betwist en van de oranje zaken heeft zij aangegeven dat zij niet zeker weet of die in haar bezit zijn. Alle spullen zitten inmiddels in vuilniszakken waarvan zij niet de exacte inhoud kent. [eiser] heeft vervolgens niet onderbouwd dat [gedaagde] deze spullen wel in haar bezit heeft. Zonder nadere onderbouwing aan de zijde van [eiser] staat niet vast dat [gedaagde] in bezit is van deze spullen. Zij kan dan ook niet tot afgifte hiervan worden veroordeeld. Voor nadere bewijslevering is in dit kort geding geen plaats. Proceskosten 4.8. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De omstandigheid dat een week voor de mondelinge behandeling [gedaagde] haar vergaande voorwaarden aan afgifte van de spullen heeft laten vervallen en partijen vervolgens overeenstemming hebben bereikt, is onvoldoende voor het oordeel dat [eiser] zijn eis tegen beter weten in heeft ingesteld en rechtvaardigt geen (verhoogde) proceskostenveroordeling. in reconventie 4.9. [gedaagde] vordert in reconventie kortgezegd medewerking van [eiser] om de auto weer op haar naam te stellen. Deze vordering zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing, met beperking van de dwangsom. De voorzieningenrechter motiveert dit als volgt. 4.10. Zoals overwogen in 4.4 wordt [gedaagde] als bezitter van de auto geacht rechthebbende te zijn en is [eiser] er niet in geslaagd in deze kort geding procedure dit vermoeden te weerleggen. Totdat anders is beslist in een bodemprocedure of partijen anders zijn overeengekomen, moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] de eigenaar is van de auto. Althans, moet de situatie worden bewerkstelligd dat het bezit en de tenaamstelling van de auto bij dezelfde persoon liggen. Op dit moment moet [eiser] namelijk de wegenbelasting en eventuele verkeerboetes betalen voor een auto die in bezit is bij [gedaagde] en ook zou [eiser] worden aangeschreven als de auto niet gekeurd of verzekerd is. Dit is onwenselijk. 4.11. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen zo dat iedere partij de eigen kosten draagt, in reconventie 5.3. veroordeelt [eiser] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het (weder) te naam stellen van de auto met kenteken [kenteken] op naam van [gedaagde], meer in het bijzonder door afgifte aan [gedaagde] van de tenaamstellingscode met betrekking tot de auto, althans die handelingen te verrichten die nodig zijn voor overschrijving van de auto bij de RDW, 5.4. veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.4 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt, 5.5. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026. Artikel 3:309 en 3:119 van het Burgerlijk Wetboek