Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-01-08
ECLI:NL:RBNHO:2026:47
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,099 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:47 text/xml public 2026-05-08T12:14:51 2026-01-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-01-08 23-6845 en 23-6853 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:47 text/html public 2026-05-08T12:12:25 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:47 Rechtbank Noord-Holland , 08-01-2026 / 23-6845 en 23-6853 Omgevingsvergunning voor de bouw van vier woningen. Voortzetting van het beroep door de erven, evidente privaatrechtelijke belemmering, goede ruimtelijke ordening (privacy, bezonning, waterberging, doorzicht vanaf dijk en geluid). Toepassing van artikel 6:22 Awb tav een zienswijze die ten onrechte te laat ingediend was geacht. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/6845 en 23/6853 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaken tussen 1. de erven van [naam 1] uit Zaandam, 2. [naam 2] uit Zaandam, eisers (gemachtigde: mr. L.B. Kamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam 3] , uit Zaandam (vergunninghouder). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de bouw van vier woningen aan de [perceel 3] in Zaandam. Eisers zijn het niet eens met de verlening van die omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor de bouw van vier woningen op het perceel [perceel 3] in Zaandam. 2.1. In mei 2023 heeft het college een ontwerpbesluit genomen, strekkende tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. [naam 1] en [naam 2] hebben daarover zienswijzen ingediend. 2.2. Met het bestreden besluit van 6 oktober 2023 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. 2.3. [naam 1] en [naam 2] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. 2.4. Op 24 juli 2025 is [naam 1] overleden. 2.5. De rechtbank heeft de beroepen op 16 oktober 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de erven van [naam 1] en namens [naam 2] [naam 4] (een van de erven en dochters, respectievelijk nicht), samen met haar echtgenoot [naam 5] en haar zwager [naam 6] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college, samen met [naam 7] en ing. [naam 8] (beiden werkzaam voor de gemeente Zaanstad). Beoordeling door de rechtbank Vaststaande feiten en het bestreden besluit 3. Vergunninghouder is eigenaar van het betrokken perceel. Hij heeft op 18 september 2020 een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van vier woningen op het perceel. Ten behoeve daarvan zal de huidige bebouwing op het perceel - een achter op het perceel staande bedrijfsloods - worden gesloopt. Op die plek komen drie woningen terug. De vierde woning (met kelder) komt direct aan de [straat] te liggen, in lijn met de woningen op nummer [nummer] en [perceel 1] . 3.1. Eiser [naam 2] is eigenaar van het perceel [perceel 1] in Zaandam. [naam 1] was eigenaar van het perceel [perceel 2] in Zaandam. Het perceel van vergunninghouder ligt achter en naast hun percelen. 3.2. De bestreden omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen , het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan . Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Zaandam Zuid’, omdat de woning die aan de [straat] komt is gelegen in de zone met aanduiding (z). In deze zone zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Ook de drie woningen op het achterliggende deel van het erf zijn in strijd met het bestemmingsplan, omdat die de toegestane goothoogte van 4 meter met 2 meter overschrijden. Omdat geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan is opgenomen voor deze afwijkingen en ook op grond van de mogelijkheden uit het Besluit omgevingsrecht niet kan worden meegewerkt aan het bouwplan, heeft het college beoordeeld of de omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college meent dat dit kan op basis van de ruimtelijke onderbouwing van december 2021. Omvang van het geschil 4. De rechtbank stelt vast dat eiser [naam 2] in beroep uitsluitend aanvoert dat een erfdienstbaarheid in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning. De erven voeren dat ook aan, maar hebben daarnaast nog andere beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening en een beroepsgrond over het buiten beschouwing laten van de zienswijze van [naam 1] door het college. Ter zitting hebben de erven hun beroepsgrond over de parkeernormen ingetrokken. Overname procedure HAA 23/6854 door de erven 5. De erven hebben desgevraagd aangegeven dat zij het beroep van [naam 1] willen voortzetten. Zij hebben daarbij een verklaring van erfrecht overgelegd en toegelicht dat zij als erfgenamen gezamenlijk eigenaar zijn geworden van het perceel [perceel 2] . In die hoedanigheid hebben zij belang bij voortzetting van het beroep, omdat de instandlating van de bestreden omgevingsvergunning gevolgen heeft voor de waarde van het perceel en het gebruik van de daar aanwezige woning. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de erven procesbelang hebben bij voortzetting van het beroep van hun overleden moeder. Uit de verklaring van erfrecht blijkt bovendien dat zij hiertoe bevoegd zijn. Staat een privaatrechtelijke belemmering in de weg aan de vergunningverlening? 6. Eisers voeren allen aan dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot een evidente privaatrechtelijke belemmering. In de koopakte van [perceel 1] en in de eigendomsakte van [perceel 2] is notarieel vastgelegd dat de bewoonster van [perceel 2] recht heeft op een erfdienstbaarheid via de tuin van de woning op nummer [perceel 1] . Dat is mogelijk via een gemetselde trap die tussen [perceel 3] en [perceel 1] is gelegen. Doordat aan de [straat] op nummer [perceel 3] een woning wordt gebouwd, blijft er bij de trap tussen het te bebouwen perceel en [perceel 1] een ruimte van 60 centimeter over. Deze significante versmalling van de doorgang leidt ertoe dat niet meer ten volle gebruik kan worden gemaakt van de erfdienstbaarheid. Om deze reden had de omgevingsvergunning geweigerd moeten worden. 6.1. Het college heeft ter zitting op de overgelegde eigendomsakte gereageerd en gesteld dat die alleen betrekking heeft op [perceel 1] en [perceel 2] , en niet op [perceel 3] . Omdat de erfdienstbaarheid niet op [perceel 3] ziet, doorkruisen de bouwplannen op dit perceel niet de erfdienstbaarheid die geldt ten aanzien van de nummers [perceel 1] en [perceel 2] en kan alleen al daarom geen sprake zijn van een privaatrechtelijke belemmering. 6.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is slechts aanleiding voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat. De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning niet doorslaggevend.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:47 text/xml public 2026-05-08T12:14:51 2026-01-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-01-08 23-6845 en 23-6853 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:47 text/html public 2026-05-08T12:12:25 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:47 Rechtbank Noord-Holland , 08-01-2026 / 23-6845 en 23-6853 Omgevingsvergunning voor de bouw van vier woningen. Voortzetting van het beroep door de erven, evidente privaatrechtelijke belemmering, goede ruimtelijke ordening (privacy, bezonning, waterberging, doorzicht vanaf dijk en geluid). Toepassing van artikel 6:22 Awb tav een zienswijze die ten onrechte te laat ingediend was geacht. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: HAA 23/6845 en 23/6853 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaken tussen 1. de erven van [naam 1] uit Zaandam, 2. [naam 2] uit Zaandam, eisers (gemachtigde: mr. L.B. Kamp), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad (gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen). Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam 3] , uit Zaandam (vergunninghouder). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor de bouw van vier woningen aan de [perceel 3] in Zaandam. Eisers zijn het niet eens met de verlening van die omgevingsvergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor de bouw van vier woningen op het perceel [perceel 3] in Zaandam. 2.1. In mei 2023 heeft het college een ontwerpbesluit genomen, strekkende tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning. [naam 1] en [naam 2] hebben daarover zienswijzen ingediend. 2.2. Met het bestreden besluit van 6 oktober 2023 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. 2.3. [naam 1] en [naam 2] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. 2.4. Op 24 juli 2025 is [naam 1] overleden. 2.5. De rechtbank heeft de beroepen op 16 oktober 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de erven van [naam 1] en namens [naam 2] [naam 4] (een van de erven en dochters, respectievelijk nicht), samen met haar echtgenoot [naam 5] en haar zwager [naam 6] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college, samen met [naam 7] en ing. [naam 8] (beiden werkzaam voor de gemeente Zaanstad). Beoordeling door de rechtbank Vaststaande feiten en het bestreden besluit 3. Vergunninghouder is eigenaar van het betrokken perceel. Hij heeft op 18 september 2020 een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van vier woningen op het perceel. Ten behoeve daarvan zal de huidige bebouwing op het perceel - een achter op het perceel staande bedrijfsloods - worden gesloopt. Op die plek komen drie woningen terug. De vierde woning (met kelder) komt direct aan de [straat] te liggen, in lijn met de woningen op nummer [nummer] en [perceel 1] . 3.1. Eiser [naam 2] is eigenaar van het perceel [perceel 1] in Zaandam. [naam 1] was eigenaar van het perceel [perceel 2] in Zaandam. Het perceel van vergunninghouder ligt achter en naast hun percelen. 3.2. De bestreden omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen , het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan . Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Zaandam Zuid’, omdat de woning die aan de [straat] komt is gelegen in de zone met aanduiding (z). In deze zone zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Ook de drie woningen op het achterliggende deel van het erf zijn in strijd met het bestemmingsplan, omdat die de toegestane goothoogte van 4 meter met 2 meter overschrijden. Omdat geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in het bestemmingsplan is opgenomen voor deze afwijkingen en ook op grond van de mogelijkheden uit het Besluit omgevingsrecht niet kan worden meegewerkt aan het bouwplan, heeft het college beoordeeld of de omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college meent dat dit kan op basis van de ruimtelijke onderbouwing van december 2021. Omvang van het geschil 4. De rechtbank stelt vast dat eiser [naam 2] in beroep uitsluitend aanvoert dat een erfdienstbaarheid in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning. De erven voeren dat ook aan, maar hebben daarnaast nog andere beroepsgronden aangevoerd met betrekking tot de goede ruimtelijke ordening en een beroepsgrond over het buiten beschouwing laten van de zienswijze van [naam 1] door het college. Ter zitting hebben de erven hun beroepsgrond over de parkeernormen ingetrokken. Overname procedure HAA 23/6854 door de erven 5. De erven hebben desgevraagd aangegeven dat zij het beroep van [naam 1] willen voortzetten. Zij hebben daarbij een verklaring van erfrecht overgelegd en toegelicht dat zij als erfgenamen gezamenlijk eigenaar zijn geworden van het perceel [perceel 2] . In die hoedanigheid hebben zij belang bij voortzetting van het beroep, omdat de instandlating van de bestreden omgevingsvergunning gevolgen heeft voor de waarde van het perceel en het gebruik van de daar aanwezige woning. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de erven procesbelang hebben bij voortzetting van het beroep van hun overleden moeder. Uit de verklaring van erfrecht blijkt bovendien dat zij hiertoe bevoegd zijn. Staat een privaatrechtelijke belemmering in de weg aan de vergunningverlening? 6. Eisers voeren allen aan dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot een evidente privaatrechtelijke belemmering. In de koopakte van [perceel 1] en in de eigendomsakte van [perceel 2] is notarieel vastgelegd dat de bewoonster van [perceel 2] recht heeft op een erfdienstbaarheid via de tuin van de woning op nummer [perceel 1] . Dat is mogelijk via een gemetselde trap die tussen [perceel 3] en [perceel 1] is gelegen. Doordat aan de [straat] op nummer [perceel 3] een woning wordt gebouwd, blijft er bij de trap tussen het te bebouwen perceel en [perceel 1] een ruimte van 60 centimeter over. Deze significante versmalling van de doorgang leidt ertoe dat niet meer ten volle gebruik kan worden gemaakt van de erfdienstbaarheid. Om deze reden had de omgevingsvergunning geweigerd moeten worden. 6.1. Het college heeft ter zitting op de overgelegde eigendomsakte gereageerd en gesteld dat die alleen betrekking heeft op [perceel 1] en [perceel 2] , en niet op [perceel 3] . Omdat de erfdienstbaarheid niet op [perceel 3] ziet, doorkruisen de bouwplannen op dit perceel niet de erfdienstbaarheid die geldt ten aanzien van de nummers [perceel 1] en [perceel 2] en kan alleen al daarom geen sprake zijn van een privaatrechtelijke belemmering. 6.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is slechts aanleiding voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat. De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning niet doorslaggevend.
Volledig
Dit is slechts anders indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan leidt tot strijd met een zakelijk recht en tevens vaststaat dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. 6.3. De rechtbank stelt voorop dat dat de eigendomsakte, waarin de erfdienstbaarheid ten aanzien van de trap is opgenomen, alleen ziet op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] . Daarom kan niet geconcludeerd worden dat de erfdienstbaarheid in de weg staat aan bouwplannen op het perceel [perceel 3] . Ter zitting is voorts vastgesteld dat de trap gedeeltelijk staat op gronden behorende bij [perceel 3] . Voor zover eisers het standpunt innemen dat sprake is van verjaring, oordeelt de rechtbank als volgt. Ter zitting hebben eisers een bouwtekening uit 1958 getoond. Daarop is te zien dat er destijds een pand op de [perceel 3] stond met ruimte tussen de nummers [perceel 3] en [perceel 1] , welke ruimte als steeg wordt aangeduid. Eisers leiden hieruit af dat uit verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, waarbij ook [perceel 1] en [perceel 2] gebruik mochten maken van de gronden van [perceel 3] . Dat er als gevolg van de verleende omgevingsvergunning geen gebruik meer kan worden gemaakt van de trap, volgt de rechtbank echter niet. Vast staat dat er in ieder geval een toegang blijft met een breedte van 60 centimeter, zodat de trap nog gebruikt kan worden. De verwijzing van eisers naar het civiele vonnis van deze rechtbank van 18 november 2020 gaat niet op, omdat daarin sprake was van een erfdienstbaarheid ten aanzien waarvan was vastgelegd dat toegang met een fiets gewaarborgd moest blijven. Dat vergt een bredere toegang. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De beroepsgrond slaagt niet. Was de zienswijze van [naam 1] te laat? 7. De erven voeren aan dat [naam 1] het besluit niet rechtstreeks van het college heeft ontvangen, wat vreemd is, omdat zij wel een zienswijze heeft ingediend. Uit de beantwoording van de zienswijzen blijkt dat één zienswijze te laat was ingediend. De erven vermoeden dat dit op de zienswijze van [naam 1] slaat. Zij voeren gemotiveerd aan dat van een te laat ingediende zienswijze geen sprake kan zijn en stellen dat het bestreden besluit reeds hierom niet in stand kan blijven. 7.1. Het college heeft erkend dat de zienswijze tijdig was ingediend en meegenomen had moeten worden in de besluitvorming. Het zou echter niet tot een ander resultaat hebben geleid, omdat de andere indieners van een zienswijze vergelijkbare gronden hebben ingediend. Die gronden zijn in de Nota beantwoording zienswijzen besproken. Dit hebben eisers op zitting beaamd. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de erven deze beroepsgrond terecht hebben aangevoerd, nu op dit punt sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek, maar dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat zij door dit zorgvuldigheidsgebrek niet zijn benadeeld. Is het bouwplan in strijd met de goede ruimtelijke ordening? Privacy 8. De erven voeren aan dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy. Zij stellen dat dat reeds blijkt uit de bij de ruimtelijke onderbouwing behorende tekeningen. Volgens de erven gaat het om een fors bouwplan op een veel te klein stukje grond. In de beantwoording van de zienswijzen stelt het college dat wordt voldaan aan de wettelijke normen en waarden als het gaat om lucht, licht en geluid, maar welke wettelijke normen dat precies zijn, wordt niet vermeld. Daarnaast stelt het college dat het gaat om een kleinschalige massa die laag is en goed georiënteerd. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. De erven betwisten dat de bouwmassa laag is, nu het bouwplan een bouwhoogte heeft van 10,2 meter en daarmee ruimschoots boven hun woning uitkomt. Daarbij komt dat vanaf het dakterras van de woning die aan de [straat] komt rechtstreeks in de tuin van de erven kan worden gekeken, net als vanuit de drie woningen die op het achtererf komen. Ze stellen dat het college het niet mag omdraaien en van hen mag eisen dat zij bewijzen of onderbouwen dat hun privacy onevenredig wordt aangetast, nu het aan het college is om aan te tonen dat het bouwplan in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich allereerst, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling , in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het wonen in een stedelijke omgeving een zekere mate van inbreuk op privacy inherent is. Verder heeft het college toegelicht dat, overeenkomstig titel 4 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, op het dakterras van de dijkwoning op 2 meter van de erfgrens een groene heg wordt geplaatst, zodat niet op de erfgrens kan worden gestaan. Wat betreft de woningen op het achtergelegen terrein geldt dat de ramen die binnen 2 meter van de erfgrens liggen worden voorzien van matglas en niet geopend kunnen worden. Daarnaast is van belang dat de woningen op het achtergelegen terrein schuin worden gepositioneerd, zodat zij geen rechtstreekse inkijk hebben op de woningen van eisers. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat op dit punt sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bezonning 9. De erven voeren ook aan dat het bouwplan een fors effect zal hebben op de bezonning in hun tuin. Dit is in de ruimtelijke onderbouwing niet onderzocht. Wel is een bezonningsstudie gemaakt van het pand [straat] [nummer] en daaruit blijkt dat dit pand flink inlevert op de bezonning in de tuin. De erven achten het aannemelijk dat dit ook zal gelden voor de bezonning in hun tuin. Zij verwijzen daarbij naar de tekeningen op pagina 6 van de ruimtelijke onderbouwing. 9.1. De beroepsgrond slaagt niet. Wat betreft de dijkwoning geldt dat deze ten noorden is gelegen van de woningen van eisers en wat betreft de erven geldt dat de woning op nummer [perceel 1] er nog tussen ligt. Dat de dijkwoning leidt tot een onevenredige afname van de bezonning voor eisers, volgt de rechtbank dan ook niet. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat een bezonningsstudie is opgesteld ten behoeve van de woningen aan het Kattegat en dat voor die woningen geen sprake is van een onevenredige aantasting van de bezonning. Gelet op de ligging van de woningen van eisers is het aannemelijk dat die nog minder last zullen hebben van een afname van de bezonning. Indien de erven menen dat dit anders is, dan lag het op hun weg om met een bezonningsstudie het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank concludeert dan ook dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat ten aanzien van de bezonning wordt voldaan aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Geluid 10. De erven voeren aan dat het college heeft nagelaten te onderzoeken welke geluidsoverlast zal ontstaan vanuit de achterste drie woningen. Die woningen komen in een kom te liggen, waardoor sprake zal zijn van een galm. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat niet valt in te zien hoe het bouwplan zal leiden tot onaanvaardbare geluidsoverlast. Daarbij heeft het college kunnen betrekken dat de dijkwoning in een rij bestaande woningen komt en dat de drie woningen op het achtergelegen terrein in de plaats komen van een bestaande bedrijfsloods waar nu ook de nodige bedrijvigheid plaatsvindt. Verder heeft het college mogen betrekken dat de voorgevels van die woningen naar de dijkwoningen zijn gericht en dat de achtertuinen van die woningen daarom verder van de woningen van eisers af zijn gelegen. De beroepsgrond slaagt niet. Doorzicht 11. De erven voeren aan dat het niet klopt dat het doorzicht op de [straat] behouden blijft vanwege de beperkte breedte van de nieuwbouw aan de dijk. De huidige doorgang heeft een breedte van 8,4 meter, maar die zal na de bouw van de woning op de dijk nog slechts circa 2,15 meter bedragen. Het huidige doorzicht blijft dus niet behouden. Ter zitting hebben de erven hier nog aan toegevoegd dat deze beroepsgrond ook vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid is aangevoerd. 11.1.
Volledig
Dit is slechts anders indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan leidt tot strijd met een zakelijk recht en tevens vaststaat dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. 6.3. De rechtbank stelt voorop dat dat de eigendomsakte, waarin de erfdienstbaarheid ten aanzien van de trap is opgenomen, alleen ziet op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] . Daarom kan niet geconcludeerd worden dat de erfdienstbaarheid in de weg staat aan bouwplannen op het perceel [perceel 3] . Ter zitting is voorts vastgesteld dat de trap gedeeltelijk staat op gronden behorende bij [perceel 3] . Voor zover eisers het standpunt innemen dat sprake is van verjaring, oordeelt de rechtbank als volgt. Ter zitting hebben eisers een bouwtekening uit 1958 getoond. Daarop is te zien dat er destijds een pand op de [perceel 3] stond met ruimte tussen de nummers [perceel 3] en [perceel 1] , welke ruimte als steeg wordt aangeduid. Eisers leiden hieruit af dat uit verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, waarbij ook [perceel 1] en [perceel 2] gebruik mochten maken van de gronden van [perceel 3] . Dat er als gevolg van de verleende omgevingsvergunning geen gebruik meer kan worden gemaakt van de trap, volgt de rechtbank echter niet. Vast staat dat er in ieder geval een toegang blijft met een breedte van 60 centimeter, zodat de trap nog gebruikt kan worden. De verwijzing van eisers naar het civiele vonnis van deze rechtbank van 18 november 2020 gaat niet op, omdat daarin sprake was van een erfdienstbaarheid ten aanzien waarvan was vastgelegd dat toegang met een fiets gewaarborgd moest blijven. Dat vergt een bredere toegang. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. De beroepsgrond slaagt niet. Was de zienswijze van [naam 1] te laat? 7. De erven voeren aan dat [naam 1] het besluit niet rechtstreeks van het college heeft ontvangen, wat vreemd is, omdat zij wel een zienswijze heeft ingediend. Uit de beantwoording van de zienswijzen blijkt dat één zienswijze te laat was ingediend. De erven vermoeden dat dit op de zienswijze van [naam 1] slaat. Zij voeren gemotiveerd aan dat van een te laat ingediende zienswijze geen sprake kan zijn en stellen dat het bestreden besluit reeds hierom niet in stand kan blijven. 7.1. Het college heeft erkend dat de zienswijze tijdig was ingediend en meegenomen had moeten worden in de besluitvorming. Het zou echter niet tot een ander resultaat hebben geleid, omdat de andere indieners van een zienswijze vergelijkbare gronden hebben ingediend. Die gronden zijn in de Nota beantwoording zienswijzen besproken. Dit hebben eisers op zitting beaamd. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de erven deze beroepsgrond terecht hebben aangevoerd, nu op dit punt sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek, maar dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat zij door dit zorgvuldigheidsgebrek niet zijn benadeeld. Is het bouwplan in strijd met de goede ruimtelijke ordening? Privacy 8. De erven voeren aan dat het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun privacy. Zij stellen dat dat reeds blijkt uit de bij de ruimtelijke onderbouwing behorende tekeningen. Volgens de erven gaat het om een fors bouwplan op een veel te klein stukje grond. In de beantwoording van de zienswijzen stelt het college dat wordt voldaan aan de wettelijke normen en waarden als het gaat om lucht, licht en geluid, maar welke wettelijke normen dat precies zijn, wordt niet vermeld. Daarnaast stelt het college dat het gaat om een kleinschalige massa die laag is en goed georiënteerd. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. De erven betwisten dat de bouwmassa laag is, nu het bouwplan een bouwhoogte heeft van 10,2 meter en daarmee ruimschoots boven hun woning uitkomt. Daarbij komt dat vanaf het dakterras van de woning die aan de [straat] komt rechtstreeks in de tuin van de erven kan worden gekeken, net als vanuit de drie woningen die op het achtererf komen. Ze stellen dat het college het niet mag omdraaien en van hen mag eisen dat zij bewijzen of onderbouwen dat hun privacy onevenredig wordt aangetast, nu het aan het college is om aan te tonen dat het bouwplan in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft zich allereerst, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling , in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan het wonen in een stedelijke omgeving een zekere mate van inbreuk op privacy inherent is. Verder heeft het college toegelicht dat, overeenkomstig titel 4 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, op het dakterras van de dijkwoning op 2 meter van de erfgrens een groene heg wordt geplaatst, zodat niet op de erfgrens kan worden gestaan. Wat betreft de woningen op het achtergelegen terrein geldt dat de ramen die binnen 2 meter van de erfgrens liggen worden voorzien van matglas en niet geopend kunnen worden. Daarnaast is van belang dat de woningen op het achtergelegen terrein schuin worden gepositioneerd, zodat zij geen rechtstreekse inkijk hebben op de woningen van eisers. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat op dit punt sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bezonning 9. De erven voeren ook aan dat het bouwplan een fors effect zal hebben op de bezonning in hun tuin. Dit is in de ruimtelijke onderbouwing niet onderzocht. Wel is een bezonningsstudie gemaakt van het pand [straat] [nummer] en daaruit blijkt dat dit pand flink inlevert op de bezonning in de tuin. De erven achten het aannemelijk dat dit ook zal gelden voor de bezonning in hun tuin. Zij verwijzen daarbij naar de tekeningen op pagina 6 van de ruimtelijke onderbouwing. 9.1. De beroepsgrond slaagt niet. Wat betreft de dijkwoning geldt dat deze ten noorden is gelegen van de woningen van eisers en wat betreft de erven geldt dat de woning op nummer [perceel 1] er nog tussen ligt. Dat de dijkwoning leidt tot een onevenredige afname van de bezonning voor eisers, volgt de rechtbank dan ook niet. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat een bezonningsstudie is opgesteld ten behoeve van de woningen aan het Kattegat en dat voor die woningen geen sprake is van een onevenredige aantasting van de bezonning. Gelet op de ligging van de woningen van eisers is het aannemelijk dat die nog minder last zullen hebben van een afname van de bezonning. Indien de erven menen dat dit anders is, dan lag het op hun weg om met een bezonningsstudie het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank concludeert dan ook dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat ten aanzien van de bezonning wordt voldaan aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Geluid 10. De erven voeren aan dat het college heeft nagelaten te onderzoeken welke geluidsoverlast zal ontstaan vanuit de achterste drie woningen. Die woningen komen in een kom te liggen, waardoor sprake zal zijn van een galm. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat niet valt in te zien hoe het bouwplan zal leiden tot onaanvaardbare geluidsoverlast. Daarbij heeft het college kunnen betrekken dat de dijkwoning in een rij bestaande woningen komt en dat de drie woningen op het achtergelegen terrein in de plaats komen van een bestaande bedrijfsloods waar nu ook de nodige bedrijvigheid plaatsvindt. Verder heeft het college mogen betrekken dat de voorgevels van die woningen naar de dijkwoningen zijn gericht en dat de achtertuinen van die woningen daarom verder van de woningen van eisers af zijn gelegen. De beroepsgrond slaagt niet. Doorzicht 11. De erven voeren aan dat het niet klopt dat het doorzicht op de [straat] behouden blijft vanwege de beperkte breedte van de nieuwbouw aan de dijk. De huidige doorgang heeft een breedte van 8,4 meter, maar die zal na de bouw van de woning op de dijk nog slechts circa 2,15 meter bedragen. Het huidige doorzicht blijft dus niet behouden. Ter zitting hebben de erven hier nog aan toegevoegd dat deze beroepsgrond ook vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid is aangevoerd. 11.1.