Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-04-23
ECLI:NL:RBNHO:2026:4680
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/5310 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [naam 1] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) van € 50.373 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (bisb) van € 151. Bij de aanslag is bij beschikking € 61 belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is [naam 2] verschenen die ter zitting een daartoe strekkende machtiging van belanghebbende heeft overgelegd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] en [naam 4] . Overwegingen Feiten 1. Voor het jaar 2023 heeft belanghebbende een biww, tevens verzamelinkomen, aangegeven van € 45.673, als volgt gespecificeerd: Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 46.283 Inkomsten uit eigen woning - 338 Aftrekbare giften -/- - 998 € 45.673 2. Met dagtekening 18 mei 2024 heeft verweerder belanghebbende een voorlopige aanslag opgelegd, berekend naar een biww van € 45.673 en een bisb van € 151. 3. Met dagtekening 15 november 2024 heeft verweerder belanghebbende de definitieve aanslag opgelegd, berekend naar een biww van € 50.273 en een bisb van € 151. Het biww kan als volgt worden gespecificeerd: Inkomsten uit vroegere dienstbetrekking € 50.883 Inkomsten uit eigen woning - 388 Aftrekbare giften -/- - 998 € 50.273 Geschil 4. In geschil is de hoogte van de aftrek giften. 5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aftrek giften ingevolge artikel 6.39a, eerste lid, van de Wet IB 2001 moet worden verhoogd met 25% tot € 1.247. De door haar gedane giften zijn voornamelijk gedaan aan christelijke instellingen en dit zijn geen culturele instellingen in de zin van genoemd artikellid. Omdat de verhoging alleen wordt toegekend ter zake van giften aan culturele instellingen en niet ter zake van giften aan andere instellingen is volgens belanghebbende sprake van discriminatie. Verder betoogt belanghebbende dat IB/PVV wordt geheven naar draagkracht en de desbetreffende regeling daarmee in strijd is omdat de draagkracht van iemand die een gift doet aan een culturele instelling uiteindelijk niet minder is dan die van iemand die een gift doet aan een niet-culturele instelling. 6. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank begrijpt, tot vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een biww van € 50.024 (€ 50.883 + € 388 -/- € 1.247) en een bisb van € 151. 7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van discriminatie en heeft daarvoor – kort weergegeven – aangevoerd dat giften aan culturele instellingen en giften aan andere instellingen geen gelijke gevallen zijn. De wetgever heeft met artikel 6.39a van de Wet IB 2001 bewust gekozen voor een extra fiscale stimulans voor giften aan culturele instellingen, met als doel het ondersteunen van de culturele sector. De keuze om uitsluitend giften aan culturele instellingen in aanmerking te laten komen voor een verhoging van 25% valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt bij het vormgeven van fiscale faciliteiten. Daarbij is van belang dat het hier niet gaat om onderscheid op basis van een in artikel 26 IVBPR expliciet genoemde discriminatiegrond, zoals geslacht, ras of godsdienst. In een dergelijk geval dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dit oordeel evident van iedere redelijke grond is ontbloot. Hiervan is in De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het kabinet de tweedeling in ANBI’s, en daarmee de bevoordeling van culturele ANBI’s, rechtvaardigt. Indien deze bevoordeling is gerelateerd aan de bezuinigingen in deze sector, zo vragen deze leden, waarom gaat deze zelfde bevoorrechting dan niet op voor instellingen die zich richten op een aantal andere algemeen nuttige doelen die immers ook met bezuinigingen worden geconfronteerd. Culturele instellingen en andere typen ANBI’s zijn om verschillende redenen niet vergelijkbaar. Dit wetsvoorstel is in het Regeer- en Gedoogakkoord nadrukkelijk in het kader van de bezuinigingen op de cultuursector geplaatst. Dit wetsvoorstel biedt daarom, naast een aantal faciliteiten die voor alle ANBI’s begunstigend zijn, een aantal specifieke faciliteiten voor culturele instellingen. Daar komt bij dat is gebleken dat giften aan cultuur in het geheel van particuliere giften slechts een fractie zijn. Daarom is de (tijdelijke) multiplier in het bijzonder mede bedoeld om het aandeel van giften aan culturele instellingen in het geheel van de giftenmassa substantieel toe te laten nemen. (…) Het kabinet constateert dat het aandeel giften aan culturele instellingen in de totale giftenmassa relatief klein is en stelt zich met de multiplier tot doel om dit aandeel substantieel toe te laten nemen. De bedoeling van het kabinet met de multiplier is derhalve fondswerving van culturele instellingen (tijdelijk) extra te ondersteunen en dergelijke instellingen in staat te stellen meer donaties te verwerven. De multiplier leidt immers tot een hoger belastingvoordeel bij aftrekbare giften en dus kan de donateur een hogere gift doen bij een gelijkblijvende netto besteding. Hoeveel de gift toe kan nemen bij een gelijkblijvende netto besteding is afhankelijk van het marginale tarief waartegen de giften afgetrokken kunnen worden. (…) Zoals hiervoor is aangegeven, is de uiteindelijke bedoeling van de multiplier niet om de donateur van die instellingen meer te bevoordelen, maar om de instellingen in staat te stellen meer giften te werven en meer donateurs aan zich te binden. Donateurs kunnen door de multiplier een hogere gift aan een culturele instelling doen, zonder dat dit tot een hogere netto bijdrage van de donateur leidt. (…) Zoals hiervoor aangegeven is de bedoeling van de multiplier dat culturele instellingen meer donateurs en meer giften kunnen gaan werven. Door de kosten van een gift op het niveau van de donateur te verlagen, kan een donateur eerder worden bewogen te geven en bovendien een grotere gift te doen.” 13. Uit de weergegeven passages volgt dat ook de wetgever van oordeel is dat geen sprake is van gelijke gevallen en dat er bewust voor is gekozen de multiplier alleen toe te kennen bij giften aan culturele instellingen en niet aan andere ANBI’s. De keuze van de wetgever om uitsluitend giften aan culturele instellingen in aanmerking te laten komen voor de multiplier valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsvrijheid die de wetgever toekomt bij het vormgeven van fiscale faciliteiten. Het gemaakte onderscheid tussen giften aan culturele instellingen en andere instellingen is niet van iedere redelijke grond ontbloot. De omstandigheid dat het gaat om een faciliteit die niet direct samenhangt met de draagkracht van de belastingplichtige die de gift doet maakt dit niet anders. 14. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het gelijk aan de zijde van verweerder is. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 15. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden