Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-21
ECLI:NL:RBNHO:2026:4581
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4581 text/xml public 2026-04-30T10:07:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-21 HAA 26/2309 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4581 text/html public 2026-04-30T09:57:25 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4581 Rechtbank Noord-Holland , 21-04-2026 / HAA 26/2309 Vovo inzake het verkrijgen van een reisdocument voor een baby geboren uit een draagmoederschapsconstructie. Verzoek toegewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/2309 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , domicilie kiezende te [plaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. A.C. Bouma), en de minister van Buitenlandse Zaken. Inleiding 1. Deze uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beslissing van de minister van 16 april 2026 om de aanvraag van verzoekers voor een Nederlands reisdocument voor [naam] , geboren op [datum] 2026 te Kwabenya, Greater Accra Region (Ghana), niet in behandeling te nemen. 1.1. Verzoekers hebben tegen de beslissing van 16 april 2026 bezwaar gemaakt. Op 17 april 2026 hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. In verband met de vereiste spoed doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 1.3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat aan [naam] een Nederlands reisdocument wordt verstrekt om Nederland te mogen inreizen en op Nederlands grondgebied te mogen verblijven. Spoedeisend belang 3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek, omdat zij niet met [naam] naar Nederland kunnen terugkeren zolang [naam] niet beschikt over een daarvoor benodigd reisdocument. Op grond van het Ghanees recht is geen familierechtelijke betrekking ontstaan tussen [naam] en de draagmoeder. Verzoekers verblijven op dit moment met [naam] in Ghana, terwijl [naam] op dit moment staatloos is. Verzoekers hebben in Ghana geen sociaal netwerk of hulp van vrienden en familie. Bovendien hebben verzoekers beiden werkverplichtingen in Nederland. Feiten waar de voorzieningenrechter van uitgaat 4. Verzoekers zijn in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en zijn met elkaar getrouwd. 4.1. Verzoekers hebben een zeer grote kinderwens en zagen die niet in vervulling gaan omdat het niet mogelijk is om op natuurlijk wijze een kind met elkaar te krijgen. Zij hebben daarom gekozen voor een hoogtechnologisch draagmoederschap. Verzoekers zijn via hun vriendenkring in contact gekomen met de oprichtster van Afrigha Surrogacy (verder Afrigha), een agency voor draagmoederschap in Ghana. Via Afrigha hebben verzoekers een eiceldonor gevonden. Een eicel van deze donor is bevrucht door een zaadcel van [verzoeker 1] . Verzoekers zijn via Afrigha ook in contact gekomen met [draagmoeder] (verder draagmoeder). Met haar is op 6 juli 2025 een draagmoederovereenkomst gesloten. Op 6 augustus 2025 is een embryo bij de draagmoeder ingebracht. In een ‘pre birth parental order’ van een rechtbank in Ghana van 24 oktober 2025 is [verzoeker 1] tot juridisch ouder benoemd van het ongeboren kind. In januari 2026 heeft de draagmoeder een verklaring afgelegd bij de Ghanese rechtbank die inhoudt dat zij een draagmoederovereenkomst is aangegaan met [verzoeker 1] , dat in dit kader een embryo bij haar is ingebracht, dat haar genetisch materiaal niet is gebruikt bij de creatie van dit embryo, dat zij [verzoeker 1] als biologisch en juridisch vader van het ongeboren kind erkent, dat zij ermee instemt dat [verzoeker 1] volledig ouderlijk gezag krijgt en het ongeboren kind in Nederland erkent. [verzoeker 1] heeft [naam] met toestemming van de draagmoeder op 2 maart 2026 prenataal erkend in Amsterdam . 4.2. Op [datum] 2026 is [naam] geboren. 4.3. Op 9 april 2026 hebben verzoekers een aanvraag gedaan bij de Nederlandse ambassade te Accra voor een laissez-passer voor [naam] . 4.4. De aanvraag is bij besluit van 16 april 2026 afgewezen. Belangenafweging 5. Gelet op de mate van spoedeisendheid van de gevraagde voorlopige voorziening, voert het te ver om in deze procedure de rechtmatigheid van het bestreden besluit volledig te beoordelen. De voorzieningenrechter volstaat daarom met een afweging van de belangen die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen daartegen. 5.1. Het is van groot belang dat vertrouwen in Nederlandse reisdocumenten wordt behouden, gezien de functie die deze documenten vervullen als bewijs van identiteit en nationaliteit. Op grond van de Paspoortwet komen daarom uitsluitend personen met de Nederlandse nationaliteit of met een Nederlands verblijfsrecht in aanmerking voor een Nederlands reisdocument en heeft de minister geen ruimte om zo’n document op grond van een belangenafweging toch ook aan anderen toe te kennen. 5.2. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter geen reden ziet om eraan te twijfelen dat [verzoeker 1] de biologische vader van [naam] is en dat draagmoeder met verzoekers de intentie heeft gehad dat [verzoeker 1] (en later ook [verzoeker 2] ) de (juridische) ouder van [naam] zal zijn en hem zal verzorgen en opvoeden. Draagmoeder heeft dit na de geboorte van [naam] op 9 april 2026 ook bij de rechtbank in Ghana verklaard. De voorzieningenrechter acht daarom niet uitgesloten dat, na het doorlopen van de daarvoor benodigde procedures, vastgesteld zal worden dat [naam] de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen. Daarnaast is het van zeer zwaarwegend belang dat verzoekers en [naam] samen gezinsleven kunnen uitoefenen en dat dit plaatsvindt in het land waar verzoekers wonen en hun sociale netwerk hebben. Verder is van belang dat verzoekers hun werk in Nederland spoedig kunnen hervatten. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Conclusie en gevolgen 6. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen in die zin dat hij de minister zal opdragen om [naam] zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer (of ander nooddocument) te verstrekken waarmee hij Nederland kan inreizen. 6.1. Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht aan verzoekers vergoedt en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - schorst het bestreden besluit; - bepaalt dat de minister [naam] , geboren op [datum] 2026 te Kwabenya, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden een laissez-passer (of ander nooddocument) verstrekt op grond waarvan hij Nederland kan inreizen; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4581 text/xml public 2026-04-30T10:07:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-21 HAA 26/2309 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4581 text/html public 2026-04-30T09:57:25 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4581 Rechtbank Noord-Holland , 21-04-2026 / HAA 26/2309 Vovo inzake het verkrijgen van een reisdocument voor een baby geboren uit een draagmoederschapsconstructie. Verzoek toegewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Bestuursrecht zaaknummer: HAA 26/2309 uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , domicilie kiezende te [plaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. A.C. Bouma), en de minister van Buitenlandse Zaken. Inleiding 1. Deze uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beslissing van de minister van 16 april 2026 om de aanvraag van verzoekers voor een Nederlands reisdocument voor [naam] , geboren op [datum] 2026 te Kwabenya, Greater Accra Region (Ghana), niet in behandeling te nemen. 1.1. Verzoekers hebben tegen de beslissing van 16 april 2026 bezwaar gemaakt. Op 17 april 2026 hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. In verband met de vereiste spoed doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 1.3. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat aan [naam] een Nederlands reisdocument wordt verstrekt om Nederland te mogen inreizen en op Nederlands grondgebied te mogen verblijven. Spoedeisend belang 3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij hun verzoek, omdat zij niet met [naam] naar Nederland kunnen terugkeren zolang [naam] niet beschikt over een daarvoor benodigd reisdocument. Op grond van het Ghanees recht is geen familierechtelijke betrekking ontstaan tussen [naam] en de draagmoeder. Verzoekers verblijven op dit moment met [naam] in Ghana, terwijl [naam] op dit moment staatloos is. Verzoekers hebben in Ghana geen sociaal netwerk of hulp van vrienden en familie. Bovendien hebben verzoekers beiden werkverplichtingen in Nederland. Feiten waar de voorzieningenrechter van uitgaat 4. Verzoekers zijn in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en zijn met elkaar getrouwd. 4.1. Verzoekers hebben een zeer grote kinderwens en zagen die niet in vervulling gaan omdat het niet mogelijk is om op natuurlijk wijze een kind met elkaar te krijgen. Zij hebben daarom gekozen voor een hoogtechnologisch draagmoederschap. Verzoekers zijn via hun vriendenkring in contact gekomen met de oprichtster van Afrigha Surrogacy (verder Afrigha), een agency voor draagmoederschap in Ghana. Via Afrigha hebben verzoekers een eiceldonor gevonden. Een eicel van deze donor is bevrucht door een zaadcel van [verzoeker 1] . Verzoekers zijn via Afrigha ook in contact gekomen met [draagmoeder] (verder draagmoeder). Met haar is op 6 juli 2025 een draagmoederovereenkomst gesloten. Op 6 augustus 2025 is een embryo bij de draagmoeder ingebracht. In een ‘pre birth parental order’ van een rechtbank in Ghana van 24 oktober 2025 is [verzoeker 1] tot juridisch ouder benoemd van het ongeboren kind. In januari 2026 heeft de draagmoeder een verklaring afgelegd bij de Ghanese rechtbank die inhoudt dat zij een draagmoederovereenkomst is aangegaan met [verzoeker 1] , dat in dit kader een embryo bij haar is ingebracht, dat haar genetisch materiaal niet is gebruikt bij de creatie van dit embryo, dat zij [verzoeker 1] als biologisch en juridisch vader van het ongeboren kind erkent, dat zij ermee instemt dat [verzoeker 1] volledig ouderlijk gezag krijgt en het ongeboren kind in Nederland erkent. [verzoeker 1] heeft [naam] met toestemming van de draagmoeder op 2 maart 2026 prenataal erkend in Amsterdam . 4.2. Op [datum] 2026 is [naam] geboren. 4.3. Op 9 april 2026 hebben verzoekers een aanvraag gedaan bij de Nederlandse ambassade te Accra voor een laissez-passer voor [naam] . 4.4. De aanvraag is bij besluit van 16 april 2026 afgewezen. Belangenafweging 5. Gelet op de mate van spoedeisendheid van de gevraagde voorlopige voorziening, voert het te ver om in deze procedure de rechtmatigheid van het bestreden besluit volledig te beoordelen. De voorzieningenrechter volstaat daarom met een afweging van de belangen die pleiten voor het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen daartegen. 5.1. Het is van groot belang dat vertrouwen in Nederlandse reisdocumenten wordt behouden, gezien de functie die deze documenten vervullen als bewijs van identiteit en nationaliteit. Op grond van de Paspoortwet komen daarom uitsluitend personen met de Nederlandse nationaliteit of met een Nederlands verblijfsrecht in aanmerking voor een Nederlands reisdocument en heeft de minister geen ruimte om zo’n document op grond van een belangenafweging toch ook aan anderen toe te kennen. 5.2. Daartegenover staat dat de voorzieningenrechter geen reden ziet om eraan te twijfelen dat [verzoeker 1] de biologische vader van [naam] is en dat draagmoeder met verzoekers de intentie heeft gehad dat [verzoeker 1] (en later ook [verzoeker 2] ) de (juridische) ouder van [naam] zal zijn en hem zal verzorgen en opvoeden. Draagmoeder heeft dit na de geboorte van [naam] op 9 april 2026 ook bij de rechtbank in Ghana verklaard. De voorzieningenrechter acht daarom niet uitgesloten dat, na het doorlopen van de daarvoor benodigde procedures, vastgesteld zal worden dat [naam] de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen. Daarnaast is het van zeer zwaarwegend belang dat verzoekers en [naam] samen gezinsleven kunnen uitoefenen en dat dit plaatsvindt in het land waar verzoekers wonen en hun sociale netwerk hebben. Verder is van belang dat verzoekers hun werk in Nederland spoedig kunnen hervatten. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Conclusie en gevolgen 6. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen in die zin dat hij de minister zal opdragen om [naam] zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, een laissez-passer (of ander nooddocument) te verstrekken waarmee hij Nederland kan inreizen. 6.1. Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de minister het griffierecht aan verzoekers vergoedt en dat verzoekers ook een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - schorst het bestreden besluit; - bepaalt dat de minister [naam] , geboren op [datum] 2026 te Kwabenya, zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden een laissez-passer (of ander nooddocument) verstrekt op grond waarvan hij Nederland kan inreizen; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.