Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-04-22
ECLI:NL:RBNHO:2026:4534
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/5314 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [belanghebbende] , belanghebbende (gemachtigde: mr. W.M.J. Goudriaan), en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 126.505 (de aanslag 2021). Tevens is een bedrag van € 387 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2025 de aanslag 2021 gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en toehoorders [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] . Overwegingen Feiten 1. Belanghebbende heeft in het jaar 2020 opbrengsten genoten van in totaal € 227.300 voor in België uitgevoerde optredens door een artiest die bij haar in loondienst is. Op deze opbrengsten is 18 procent Belgische bronbelasting ingehouden ten bedrage van € 40.914. 2. Bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2020 is aan belanghebbende voorkoming van dubbele belasting verleend ten aanzien van de ingehouden Belgische bronbelasting. Het bedrag van de aanslag bedraagt € 0, waarbij de bruto belasting is vastgesteld op € 3.978 en de aftrek elders belast op € 3.978. 3. De niet verrekende en naar latere jaren (2021 en verder) voort te wentelen bronbelasting (het voortwentelingsbedrag) is per beschikking gedagtekend 23 december 2024 (de voortwentelingsbeschikking) vastgesteld op (€ 40.914 -/- € 3.978 =) € 36.936. 4. Belanghebbende heeft in het jaar 2021 geen opbrengsten uit het buitenland genoten. 5. Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 onder ‘overige bruto bedragen’ een bedrag van € 105.422 aangegeven, met landcode België, waarop volgens de aangifte € 18.975 aan buitenlandse bronbelasting is ingehouden. In de aangifte is om voorkoming van dubbele belasting gevraagd volgens de verrekenmethode ten bedrage van € 18.975. 6. Bij de aanslag 2021 heeft verweerder de belastbare winst en het belastbaar bedrag conform de aangifte van belanghebbende vastgesteld op € 126.505. De verschuldigde vennootschapsbelasting bedraagt € 18.975. De verrekening van de buitenlandse bronbelasting ten bedrage van € 18.975 is door verweerder niet toegestaan. De belastingrente is vastgesteld op € 387. 7. Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen de aanslag 2021 en de beschikking belastingrente. 8. Bij uitspraak op bezwaar gedagtekend 15 oktober 2025 zijn de aanslag 2021 en de beschikking belastingrente, voor zover deze laatste niet ziet op de hoogte van het percentage belastingrente, gehandhaafd. Geschil 9. In geschil is of de aanslag 2021 correct is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het voortwentelingsbedrag zoals is vastgesteld in de voortwentelingsbeschikking kan worden verrekend met de door belanghebbende verschuldigde vennootschapsbelasting over het jaar 2021. 10. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de aanslag 2021 moet worden verminderd naar nihil omdat zij het voortwentelingsbedrag kan verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Het voortwentelingsbedrag dat wordt genoemd in de voortwentelingsbeschikking volstaat voor verrekening en er mogen geen aanvullende eisen worden gesteld voor verrekening in 2021. Het niet toestaan van de verrekening leidt tot ongeoorloofde discriminatie (strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel). De wijze waarop artikel 36 Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001) door verweerde Ter zitting stelt belanghebbende dat er artiesten zijn die ook in 2020 hebben opgetreden en in België belasting hebben betaald en direct de buitenlandse belasting konden verrekenen. Ook maakt belanghebbende ter zitting een vergelijking met natuurlijke personen die in de inkomstenbelasting de onverrekende buitenlandse dividendbelasting van enig jaar kunnen verrekenen met de gehele box 3 belasting van het volgende jaar. Dit impliceert volgens belanghebbende dat zij dan ook het voortwentelingsbedrag kan verrekenen met de door haar verschuldigde vennootschapsbelasting. 17. Voor zover belanghebbende hiermee een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, is voor een geslaagd beroep hierop vereist dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De bewijslast daarvoor ligt bij belanghebbende. De blote stelling van belanghebbende dat er belastingplichtigen zijn die de buitenlandse bronbelasting wel direct in het jaar zelf volledig kunnen verrekenen is daartoe onvoldoende. Belanghebbende heeft verder niet onderbouwd met concrete gegevens waarom de door haar gemaakte vergelijkingen met natuurlijke personen (zoals artiesten) vergelijkbare gevallen zijn. Belanghebbende verkeert als vennootschap rechtens en feitelijk niet in vergelijkbare omstandigheden als natuurlijke personen. Belanghebbende is immers onderworpen aan de vennootschapsbelasting en niet, zoals natuurlijke personen, aan de inkomstenbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen. Verbod van willekeur, evenredigheidsbeginsel 18. Belanghebbende neemt ook het standpunt in dat de door verweerder toegepaste berekeningsmethodiek van artikel 36 Bvdb 2001 willekeurig en onjuist is en leidt tot een voor belanghebbende onredelijke uitkomst, aangezien zij dan nauwelijks in aanmerking komt voor verdere voorkoming van dubbele belasting. Voor een redelijke uitkomst moeten haar onverrekende Belgische inkomensbestanddelen van 2020 (naar rato) worden meegenomen in de grondslag voor het berekenen van de voorkoming in 2021. Zij verwijst naar een door haar overgelegd en opgesteld cijfermatig overzicht. De rechtbank vat dit op als een beroep op het verbod van willekeur dan wel het evenredigheidsbeginsel. 19. Belanghebbende heeft haar standpunt dat verweerder de berekeningsmethodiek van artikel 36 Bvdb 2001 in het jaar 2021 willekeurig heeft toegepast niet nader onderbouwd. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom de voor haar nadelige gevolgen van de begrenzing van het te verrekenen voortwentelingsbedrag onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met artikel 36 Bvdb 2001 te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de conclusie leiden dat het verbod van willekeur dan wel het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Beschikking belastingrente 20. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Aangezien over de hoogte van het percentage van de belastingrente is beslist in een procedure massaal bezwaar, onthoudt de rechtbank zich van een dictum op dit punt. 21. Gelet op al wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Schadevergoeding 22. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van schade en interest. Aangezien het beroep ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van schade en interest op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank wijst het verzoek van belanghebbende om vergoeding van schade en interest af. Proceskosten 23. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, v