Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-25
ECLI:NL:RBNHO:2026:4503
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,073 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4503 text/xml public 2026-05-11T10:14:44 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-25 C/15/364173 / HA ZA 25-206 incident 2 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4503 text/html public 2026-05-11T10:14:16 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4503 Rechtbank Noord-Holland , 25-03-2026 / C/15/364173 / HA ZA 25-206 incident 2 Incident. Afwijzing voeging. Art. 222 Rv. Voeging slechts kan geschieden met een ter rolle ingeschreven zaak. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/364173 / HA ZA 25-206 Vonnis in incident van 25 maart 2026 in de zaak van 1 [eiser 1], 2. [eiser 2] , beiden te [plaats 1], eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident, hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2], advocaat: mr. T.A. Bruins, tegen 1 [gedaagde 1], te [plaats 2], 2. [gedaagde 2] , te Amsterdam, gedaagde partijen in de hoofdzaak, eisende partijen in het incident, hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2], advocaat: mr. S.J. Kerbusch. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 3 december 2025 - de incidentele conclusie tot voeging ex art. 222 Rv met productie 15 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - de incidentele conclusie van antwoord tot voeging ex artikel 222 Rv van [eiser 1] en [eiser 2]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident tot voeging. 2 De vordering in het incident 2.1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen: I. primair : de voeging te bevelen van deze zaak met de bij deze rechtbank door eisers vóór de rol van 1 april 2026 aan te brengen zaak op de voet van artikel 222 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans een beslissing te nemen die de rechtbank passend acht om ervoor te zorgen dat beide procedures zoveel mogelijk parallel lopen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in één conclusie van antwoord gelijktijdig mogen reageren op beide dagvaardingen, met bepaling van een nieuwe termijn voor de conclusie van antwoord in beide procedures; II. na de voeging te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een termijn van zes weken krijgen voor conclusie van antwoord in beide procedures; III. subsidiair : [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een uitstel van vier weken, althans meer subsidiair twee weken te verlenen voor het nemen van de conclusie van antwoord in deze procedure; IV. [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen in de kosten van dit incident. 2.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [eiser 1] en [eiser 2] met het uitbrengen van een dagvaarding op 16 december 2025 een tweede procedure aanhangig hebben gemaakt, en wel tegen de rol van 1 april 2026. Het is een procedure tussen dezelfde partijen, over dezelfde nalatenschap en bij hetzelfde gerecht als deze procedure. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] wordt de onderhavige procedure onnodig gecompliceerd door de nieuwe dagvaarding en bestaat er een reëel risico op tegenstrijdige beslissingen als beide procedures apart behandeld worden. Uit proceseconomische overwegingen wensen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelijktijdig op de beide dagvaardingen te reageren. 2.3. [eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waar mogelijk de procedure proberen te vertragen. Het klopt dat sprake is van samenhang tussen de twee zaken, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de procedures verschillende hoedanigheden. Ook is er slechts een beperkt risico op tegenstrijdige uitspraken als de procedures afzonderlijk worden gevoerd, omdat rechters in beide procedures rekening kunnen houden met elkaars uitkomsten. [eiser 1] en [eiser 2] waren genoodzaakt een tweede procedure te starten door de vertraging en onduidelijkheid in de informatieverstrekking van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] eerder laten weten in te kunnen stemmen met voeging, maar geen verdere vertraging te willen. Daarnaast is het de vraag of er wel gevoegd kan worden, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op grond van artikel 126 Rv hebben verzocht om de nieuwe procedure bij vervroeging aan te zeggen. Een beroep op voeging kan alleen in behandeling worden genomen als beide zaken al aanhangig zijn, hetgeen niet het geval is. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dit opnieuw een vertragingstechniek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. 2.4. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader in. 3 De beoordeling in het incident Voeging kan niet plaatsvinden 3.1. De rechtbank zal de vordering tot voeging afwijzen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 3.2. Artikel 222 Rv bepaalt dat in geval voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging kan worden gevorderd. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of de zaak die is ingeleid met de dagvaarding van 16 december 2025, en waarmee voeging wordt gevorderd, aanhangig is in de zin van artikel 222 Rv. Deze zaak is namelijk nog niet ingeschreven en door de griffie van de rechtbank van een rolnummer voorzien. 3.3. Indien in enig wetsartikel zonder nadere omschrijving sprake is van het aanhangig zijn van een zaak, moet de vraag of in de zin van dat artikel voor aanhangigheid voldoende is dat een dagvaarding is uitgebracht dan wel dat bovendien inschrijving ter rolle is vereist, worden beoordeeld naar de aard en strekking van het desbetreffende artikel waarin de term voorkomt. Artikel 125 Rv bepaalt in algemene zin dat het geding aanhangig is vanaf de dag der dagvaarding. Voor de uitleg van de term aanhangig in artikel 222 Rv is evenwel van belang dat voeging een maatregel van orde is strekkende tot vereenvoudiging van de procesvoering. Omdat de zaak waarmee voeging wordt gevorderd nog niet is ingeschreven en door de griffie van de rechtbank van een rolnummer is voorzien, zou toewijzing van de vordering tot gevolg hebben dat de procesvoering vanuit administratief oogpunt bezien aanzienlijk wordt bemoeilijkt in plaats van vereenvoudigd. Bovendien zou de onderhavige zaak worden vertraagd. Daarnaast kan toewijzing van de voeging in dit stadium het ongewenste effect hebben dat wordt gevoegd met een zaak die uiteindelijk niet aanhangig zal blijken te zijn indien wordt verzuimd het exploit tijdig ter griffie in te dienen. Een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 222 Rv brengt dan ook mee dat voeging slechts kan geschieden met een ter rolle ingeschreven zaak. Gevorderd is deze zaak te voegen met een zaak die nog niet ter rolle is aangebracht, zodat voeging nu niet kan plaatsvinden. Termijn voor de conclusie van antwoord 3.4. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze procedure nog geen conclusie van antwoord hebben ingediend, terwijl zij hiertoe wel in de gelegenheid zijn gesteld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ervoor gekozen op de rol van 28 januari 2026 in plaats van een conclusie van antwoord, waarvoor de zaak stond, een incidentele vordering in te stellen. 3.5. Een partij die een proceshandeling in de hoofdzaak moet verrichten, maar in plaats daarvan een incidentele vordering instelt ten aanzien waarvan de wet niet bepaalt dat daarover eerst en vooraf moet worden beslist, loopt het risico loopt dat de rechter oordeelt dat voor dat laatste onvoldoende reden is. In dat geval is de betrokken proceshandeling in hoofdzaak ten onrechte niet verricht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn er kennelijk vanuit gegaan dat in het geval de incidentele vordering niet wordt toegewezen, de zaak alsnog naar de rol zal worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord. [eiser 1] en [eiser 2] lijken in te stemmen met een uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord. De rechtbank zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan ook een laatste termijn geven van vier weken voor het alsnog indienen van een conclusie van antwoord en zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol van 22 april 2026. Proceskosten 3.6.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4503 text/xml public 2026-05-11T10:14:44 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-25 C/15/364173 / HA ZA 25-206 incident 2 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4503 text/html public 2026-05-11T10:14:16 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4503 Rechtbank Noord-Holland , 25-03-2026 / C/15/364173 / HA ZA 25-206 incident 2 Incident. Afwijzing voeging. Art. 222 Rv. Voeging slechts kan geschieden met een ter rolle ingeschreven zaak. RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/364173 / HA ZA 25-206 Vonnis in incident van 25 maart 2026 in de zaak van 1 [eiser 1], 2. [eiser 2] , beiden te [plaats 1], eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident, hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2], advocaat: mr. T.A. Bruins, tegen 1 [gedaagde 1], te [plaats 2], 2. [gedaagde 2] , te Amsterdam, gedaagde partijen in de hoofdzaak, eisende partijen in het incident, hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2], advocaat: mr. S.J. Kerbusch. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 3 december 2025 - de incidentele conclusie tot voeging ex art. 222 Rv met productie 15 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] - de incidentele conclusie van antwoord tot voeging ex artikel 222 Rv van [eiser 1] en [eiser 2]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident tot voeging. 2 De vordering in het incident 2.1. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen: I. primair : de voeging te bevelen van deze zaak met de bij deze rechtbank door eisers vóór de rol van 1 april 2026 aan te brengen zaak op de voet van artikel 222 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans een beslissing te nemen die de rechtbank passend acht om ervoor te zorgen dat beide procedures zoveel mogelijk parallel lopen en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in één conclusie van antwoord gelijktijdig mogen reageren op beide dagvaardingen, met bepaling van een nieuwe termijn voor de conclusie van antwoord in beide procedures; II. na de voeging te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een termijn van zes weken krijgen voor conclusie van antwoord in beide procedures; III. subsidiair : [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een uitstel van vier weken, althans meer subsidiair twee weken te verlenen voor het nemen van de conclusie van antwoord in deze procedure; IV. [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen in de kosten van dit incident. 2.2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [eiser 1] en [eiser 2] met het uitbrengen van een dagvaarding op 16 december 2025 een tweede procedure aanhangig hebben gemaakt, en wel tegen de rol van 1 april 2026. Het is een procedure tussen dezelfde partijen, over dezelfde nalatenschap en bij hetzelfde gerecht als deze procedure. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] wordt de onderhavige procedure onnodig gecompliceerd door de nieuwe dagvaarding en bestaat er een reëel risico op tegenstrijdige beslissingen als beide procedures apart behandeld worden. Uit proceseconomische overwegingen wensen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gelijktijdig op de beide dagvaardingen te reageren. 2.3. [eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waar mogelijk de procedure proberen te vertragen. Het klopt dat sprake is van samenhang tussen de twee zaken, maar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben in de procedures verschillende hoedanigheden. Ook is er slechts een beperkt risico op tegenstrijdige uitspraken als de procedures afzonderlijk worden gevoerd, omdat rechters in beide procedures rekening kunnen houden met elkaars uitkomsten. [eiser 1] en [eiser 2] waren genoodzaakt een tweede procedure te starten door de vertraging en onduidelijkheid in de informatieverstrekking van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] eerder laten weten in te kunnen stemmen met voeging, maar geen verdere vertraging te willen. Daarnaast is het de vraag of er wel gevoegd kan worden, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet op grond van artikel 126 Rv hebben verzocht om de nieuwe procedure bij vervroeging aan te zeggen. Een beroep op voeging kan alleen in behandeling worden genomen als beide zaken al aanhangig zijn, hetgeen niet het geval is. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is dit opnieuw een vertragingstechniek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. 2.4. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader in. 3 De beoordeling in het incident Voeging kan niet plaatsvinden 3.1. De rechtbank zal de vordering tot voeging afwijzen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 3.2. Artikel 222 Rv bepaalt dat in geval voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, daarvan de voeging kan worden gevorderd. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of de zaak die is ingeleid met de dagvaarding van 16 december 2025, en waarmee voeging wordt gevorderd, aanhangig is in de zin van artikel 222 Rv. Deze zaak is namelijk nog niet ingeschreven en door de griffie van de rechtbank van een rolnummer voorzien. 3.3. Indien in enig wetsartikel zonder nadere omschrijving sprake is van het aanhangig zijn van een zaak, moet de vraag of in de zin van dat artikel voor aanhangigheid voldoende is dat een dagvaarding is uitgebracht dan wel dat bovendien inschrijving ter rolle is vereist, worden beoordeeld naar de aard en strekking van het desbetreffende artikel waarin de term voorkomt. Artikel 125 Rv bepaalt in algemene zin dat het geding aanhangig is vanaf de dag der dagvaarding. Voor de uitleg van de term aanhangig in artikel 222 Rv is evenwel van belang dat voeging een maatregel van orde is strekkende tot vereenvoudiging van de procesvoering. Omdat de zaak waarmee voeging wordt gevorderd nog niet is ingeschreven en door de griffie van de rechtbank van een rolnummer is voorzien, zou toewijzing van de vordering tot gevolg hebben dat de procesvoering vanuit administratief oogpunt bezien aanzienlijk wordt bemoeilijkt in plaats van vereenvoudigd. Bovendien zou de onderhavige zaak worden vertraagd. Daarnaast kan toewijzing van de voeging in dit stadium het ongewenste effect hebben dat wordt gevoegd met een zaak die uiteindelijk niet aanhangig zal blijken te zijn indien wordt verzuimd het exploit tijdig ter griffie in te dienen. Een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 222 Rv brengt dan ook mee dat voeging slechts kan geschieden met een ter rolle ingeschreven zaak. Gevorderd is deze zaak te voegen met een zaak die nog niet ter rolle is aangebracht, zodat voeging nu niet kan plaatsvinden. Termijn voor de conclusie van antwoord 3.4. Vast staat dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in deze procedure nog geen conclusie van antwoord hebben ingediend, terwijl zij hiertoe wel in de gelegenheid zijn gesteld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ervoor gekozen op de rol van 28 januari 2026 in plaats van een conclusie van antwoord, waarvoor de zaak stond, een incidentele vordering in te stellen. 3.5. Een partij die een proceshandeling in de hoofdzaak moet verrichten, maar in plaats daarvan een incidentele vordering instelt ten aanzien waarvan de wet niet bepaalt dat daarover eerst en vooraf moet worden beslist, loopt het risico loopt dat de rechter oordeelt dat voor dat laatste onvoldoende reden is. In dat geval is de betrokken proceshandeling in hoofdzaak ten onrechte niet verricht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn er kennelijk vanuit gegaan dat in het geval de incidentele vordering niet wordt toegewezen, de zaak alsnog naar de rol zal worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord. [eiser 1] en [eiser 2] lijken in te stemmen met een uitstel voor het nemen van de conclusie van antwoord. De rechtbank zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dan ook een laatste termijn geven van vier weken voor het alsnog indienen van een conclusie van antwoord en zal de zaak daartoe verwijzen naar de rol van 22 april 2026. Proceskosten 3.6.