Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-22
ECLI:NL:RBNHO:2026:4476
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,597 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4476 text/xml public 2026-05-19T13:33:16 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-22 11671977 \ CV EXPL 25-1583 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4476 text/html public 2026-05-19T13:32:40 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4476 Rechtbank Noord-Holland , 22-04-2026 / 11671977 \ CV EXPL 25-1583 Ambtshalve toetsing. Verstek. Eindvonnis na akte. 6:230l BW. Voldaan aan de precontractuele informatieplichten. Rentebeding niet oneerlijk, incassobeding oneerlijk. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 11671977 \ CV EXPL 25-1583 Uitspraakdatum: 22 april 2026 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: Staalbouwkundig Adviesburo Schagen B.V. te Schagen de eisende partij gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings tegen [gedaagde] te gemeente [plaats] de gedaagde partij niet verschenen 1 De verdere procedure 1.1. Bij tussenvonnis van 10 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen. Daartoe heeft de eisende partij op 4 februari 2026 een akte genomen. 2 De verdere beoordeling Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden 2.1. De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak). 2.2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: Algemene voorwaarden Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau (hierna: de algemene voorwaarden). 2.3. Artikel 10.14 en 10.15 van de algemene voorwaarden betreft een rentebeding. Dat luidt als volgt: ‘ Artikel 10 Advieskosten, betalingen (…) 14. Indien de opdrachtgever de ingevolge de overeenkomst verschuldigde betalingen niet tijdig verricht en de vertraging niet het gevolg is van een omstandigheid waarvoor het adviesbureau verantwoordelijk is, heeft, met ingang van de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, het adviesbureau aanspraak op vergoeding van rente tegen het wettelijk rentepercentage. 15. Indien na verloop van vier weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, deze nog niet heeft plaatsgevonden, wordt het in lid 14 bepaalde percentage na het verstrijken van die termijn met 3 verhoogd, mits de opdrachtgever hierop voordien schriftelijk door het adviesbureau is gewezen. Met de terzijdestelling van artikel 6:119, sub 2 BW zal de rentevordering van het adviesbureau zelf nimmer rente dragen. ’ 2.4. Ten aanzien van het rentebeding wordt overwogen dat de wettelijke rente + 3% is overeengekomen ingaand vier weken na de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden. Dit is een hoger percentage dan enkel de wettelijke rente. Omdat begin 2024 de wettelijke rente is vastgesteld op 7% per jaar en de wettelijke handelsrente op 12,5% per jaar blijft de contractuele rente beneden het percentage van de destijds geldende wettelijke handelsrente. Daardoor is geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument. 2.5. Artikel 10.6 van de algemene voorwaarden betreft een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt: ‘Artikel 10 Advieskosten, betalingen (…) 16. De buitengerechtelijke kosten, gemaakt in verband met te late betalingen van een declaratie zijn voor rekening van de opdrachtgever.’ 2.6. In dit artikel wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de vordering uit handen wordt gegeven, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. 2.7. De eisende partij stelt dat de algemene voorwaarden geen oneerlijke bedingen bevatten. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet gelet op wat hiervoor is overwogen en vernietigt artikel 16 van de algemene voorwaarden. Dat betekent dat de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Wat is toewijsbaar? 2.8. De gevorderde hoofdsom en rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen. Conclusie en proceskosten 2.9. De vordering wordt grotendeels toegewezen. 2.10. De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen. 2.11. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 3.429,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.267,00 vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling; 3.2. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 119,40; griffierecht € 514,00; salaris gemachtigde € 253,00; 3.3. vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 3.4. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.5. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4476 text/xml public 2026-05-19T13:33:16 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-22 11671977 \ CV EXPL 25-1583 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4476 text/html public 2026-05-19T13:32:40 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4476 Rechtbank Noord-Holland , 22-04-2026 / 11671977 \ CV EXPL 25-1583 Ambtshalve toetsing. Verstek. Eindvonnis na akte. 6:230l BW. Voldaan aan de precontractuele informatieplichten. Rentebeding niet oneerlijk, incassobeding oneerlijk. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 11671977 \ CV EXPL 25-1583 Uitspraakdatum: 22 april 2026 Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van: Staalbouwkundig Adviesburo Schagen B.V. te Schagen de eisende partij gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings tegen [gedaagde] te gemeente [plaats] de gedaagde partij niet verschenen 1 De verdere procedure 1.1. Bij tussenvonnis van 10 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen. Daartoe heeft de eisende partij op 4 februari 2026 een akte genomen. 2 De verdere beoordeling Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden 2.1. De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak). 2.2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: Algemene voorwaarden Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau (hierna: de algemene voorwaarden). 2.3. Artikel 10.14 en 10.15 van de algemene voorwaarden betreft een rentebeding. Dat luidt als volgt: ‘ Artikel 10 Advieskosten, betalingen (…) 14. Indien de opdrachtgever de ingevolge de overeenkomst verschuldigde betalingen niet tijdig verricht en de vertraging niet het gevolg is van een omstandigheid waarvoor het adviesbureau verantwoordelijk is, heeft, met ingang van de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, het adviesbureau aanspraak op vergoeding van rente tegen het wettelijk rentepercentage. 15. Indien na verloop van vier weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, deze nog niet heeft plaatsgevonden, wordt het in lid 14 bepaalde percentage na het verstrijken van die termijn met 3 verhoogd, mits de opdrachtgever hierop voordien schriftelijk door het adviesbureau is gewezen. Met de terzijdestelling van artikel 6:119, sub 2 BW zal de rentevordering van het adviesbureau zelf nimmer rente dragen. ’ 2.4. Ten aanzien van het rentebeding wordt overwogen dat de wettelijke rente + 3% is overeengekomen ingaand vier weken na de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden. Dit is een hoger percentage dan enkel de wettelijke rente. Omdat begin 2024 de wettelijke rente is vastgesteld op 7% per jaar en de wettelijke handelsrente op 12,5% per jaar blijft de contractuele rente beneden het percentage van de destijds geldende wettelijke handelsrente. Daardoor is geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument. 2.5. Artikel 10.6 van de algemene voorwaarden betreft een incassokostenbeding. Dat luidt als volgt: ‘Artikel 10 Advieskosten, betalingen (…) 16. De buitengerechtelijke kosten, gemaakt in verband met te late betalingen van een declaratie zijn voor rekening van de opdrachtgever.’ 2.6. In dit artikel wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de vordering uit handen wordt gegeven, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. 2.7. De eisende partij stelt dat de algemene voorwaarden geen oneerlijke bedingen bevatten. Dit standpunt volgt de kantonrechter niet gelet op wat hiervoor is overwogen en vernietigt artikel 16 van de algemene voorwaarden. Dat betekent dat de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Wat is toewijsbaar? 2.8. De gevorderde hoofdsom en rente worden toegewezen, omdat deze vorderingen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden gelet op het voorgaande afgewezen. Conclusie en proceskosten 2.9. De vordering wordt grotendeels toegewezen. 2.10. De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de genomen akte blijven echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat het nodig was deze akte op te stellen. 2.11. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 3.429,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.267,00 vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag van de gehele betaling; 3.2. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op: dagvaarding € 119,40; griffierecht € 514,00; salaris gemachtigde € 253,00; 3.3. vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; 3.4. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.5. wijst de vordering voor het overige af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).