Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-03-30
ECLI:NL:RBNHO:2026:4438
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/3682 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C.L. Mens), en Belastingdienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 8 juni 2023 het verzoek van eiseres om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna ook: KOT) over het toeslagjaar 2005 afgewezen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft voor een aantal door hem in beroep overgelegde stukken een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. Dit verzoek is door de geheimhoudingskamer van de rechtbank beoordeeld. Voor het procesverloop wordt in zoverre verwezen naar de beslissing van de geheimhoudingskamer van 3 december 2025. In die beslissing is bepaald dat de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft geen kennis genomen van deze stukken en doet uitspraak zonder inachtneming hiervan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] . Overwegingen Feiten 1. Aan eiseres is met betrekking tot het jaar 2005 op 2 augustus 2005 een voorschotbedrag KOT toegekend van in totaal € 2.137. 2. De KOT is door de kinderopvanginstelling (hierna: de KOI) aangevraagd en is rechtstreeks aan de KOI uitbetaald. 3. Op 10 augustus 2005 en 12 september 2005 is telkens een voorschotbedrag van € 428 uitbetaald aan de KOI. 4. Op 4 oktober 2005 is er telefonisch contact opgenomen met verweerder inzake de KOT van eiseres. Van het gesprek is de volgende notitie opgemaakt door verweerder in het kader van een terugbelverzoek: “De kinderopvang wil graag de tegemoetkoming in een bedrag ontvangen, daar het kind geen gebruik meer maakt van de opvang. Dezze gaat nu naar de basisschool. Ik heb haar al verteld dat dit vrijwel zeker niet wordt gehonoreerd.” 5. Op 6 oktober 2005 is er door verweerder teruggebeld naar het opgegeven telefoonnummer. Door verweerder is daarvan de volgende notitie gemaakt: “Mevrouw gesproken gezegd dat ik een termijn aanpassing laat doen, omdat ook de uren correct zijn. Mevrouw gezegd dat het rest bedrag deze of volgende maand in 1 keer uitbetaald wordt. Mevrouw wacht het af.” 6. Op 12 oktober 2005 is een voorschotbedrag van € 1.281 uitbetaald aan de KOI. Hiermee is in totaal € 2.137 uitbetaald aan voorschotbedragen. 7. Op 22 november 2005 stuurde verweerder aan eiseres een brief, waarin stond dat twijfel was gerezen over de vraag of eiseres op basis van haar verblijfsstatus in Nederland wel recht op KOT had. In de basisadministratie van de gemeente (hierna: GBA) stond dat eiseres en haar kind geen geldige verblijfstitel hadden. Verweerder vroeg eiseres om een reactie binnen een termijn van 14 dagen. 8. Eiseres heeft op die brief gereageerd en voegde als bijlage een brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij, waarin stond vermeld dat er een foute titelcode in de GBA was opgenomen die met terugwerkende kracht is hersteld en dat eiseres en haar kind over een geldige verblijfstitel beschikten. 9. Aan eiseres is op 29 januari 2007 een herziene voorschotbeschikking opgelegd. De herziening had tot gevolg dat eiseres een teveel uitbetaald bedrag aan KOT van € 383 moest terugbetalen. 10. Met dagtekening 29 mei 2007 is de KOT definitief berekend op € 1.769. 11. Eiseres heeft geprobeerd om het van haar teruggevorderde bedrag op haar beurt terug te vorderen bij de KOI, maar dit is niet gelukt omdat de instelling failliet is gegaan. Herbeoordeling 12. Op 18 Met de grens van € 1.500 is aansluiting gezocht bij de tot 2017 geldende grens om in aanmerking te komen voor een persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden. Het door het kinderopvanginstelling achtergehouden bedrag dient dan ook minstens € 1.500 te bedragen. Dat is hier niet het geval. Nu niet wordt voldoen aan de voorwaarde dat de terugvordering meer moet bedragen dan € 1.500 komt de Commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep op de hardheidsregeling. De Commissie begrijpt dat de gang van zaken vragen oproept en aan de zijde van de kinderopvanginstelling twijfelachtig te noemen is maar UHT heeft zich op het standpunt mogen stellen dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de toepassing van de hardheidsregeling, zoals bedoeld in artikel 2.1 onder b, van de Wht. Hardheidsclausule als bedoeld in 9.1, eerste lid, van de Wht De hardheidsclausule is bedoeld voor bijzondere situaties die niet zijn voorzien en waarin toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst en schrijnende gevallen. Helaas ziet de commissie geen mogelijkheid voor toepassing van de hardheidsclausule zoals bedoeld in 9.1, eerste lid van de Wht, omdat de commissie niet heeft kunnen vaststellen dat er sprake was van een ernstige financiële noodsituatie. Overweging ten overvloede Los van hetgeen de Commissie hierboven heeft overwogen, blijft onverminderd staan dat de KOT op initiatief van de kinderopvanginstelling is uitgekeerd per 12 oktober 2005 voor de rest van het jaar, terwijl de kinderopvanginstelling wist (of had moeten weten) dat het kind van belanghebbende begin oktober 2005 geen gebruik meer maakte van de opvang. Vervolgens is de KOT bij belanghebbende teruggevorderd. Duidelijk is dat belanghebbende niet betrokken is geweest bij het verzoek van de kinderopvanginstelling om de KOT voor de rest van het jaar over te maken (gelet op de stelling van belanghebbende en erkenning terzake in de aanvullende schriftelijke beschouwing). Door de handelwijze van de kinderopvanginstelling is er nadeel ontstaan bij belanghebbende. Ook het handelen van de Belastingdienst/Toeslagen heeft hieraan bijgedragen door het (opvallende) verzoek van de kinderopvanginstelling te honoreren en niet te verifiëren bij belanghebbende of dit verzoek juist was. Immers, in beginsel wordt de KOT maandelijks uitbetaald. Het opvallende verzoek van de kinderopvanginstelling om de resterende KOT in één keer uit te betalen, had vragen moeten oproepen. Hoewel de Commissie van oordeel is dat het handelen van B/T en de kinderopvanginstelling als laakbaar moet worden aangemerkt, ziet zij binnen de kaders van de Wht geen ruimte om tot toekenning van compensatie over te gaan.” Geschil 19. In geschil is of eiseres voor het jaar 2005 in aanmerking komt voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht wegens institutionele vooringenomenheid dan wel op grond van de hardheidsregeling. Daarbij is in geschil of het drempelbedrag van € 1.500, genoemd in artikel 2.1, vierde lid, van de Wht voor de toepassing van de hardheidsregeling buiten beschouwing moet blijven op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Voorts is in geschil of het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Beoordeling van het geschil Juridisch kader 20. Voor de beantwoording van de vraag of eiseres in aanmerking komt voor compensatie moet de rechtbank de omstandigheden toetsen aan de Wht. Dat doet de rechtbank aan de hand van het volgende juridische kader. 21. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, volgt dat verweerder compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem of haar in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wht) of doordat ten aanzien van hem of haar de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van over Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als: – een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoon baar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende; – een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of – een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was. Er is op zichzelf geen sprake van een bijzondere omstandigheid als: – de belanghebbende te kwader trouw is; – de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en het aantal uren kinderopvang op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag is berekend in dat berekeningsjaar; – de terugvordering het gevolg is van een afwijking tussen het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Bovenstaande opsommingen van bijzondere omstandigheden en van gevallen waarin op zichzelf geen sprake is van bijzondere omstandig heden, zijn niet limitatief. Op basis van ervaringen uit de praktijk kunnen de voorbeelden in beleidsregels nader worden in- en aangevuld. De financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, zullen in het algemeen niet leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling.” 26. Bij de invoering van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wht (de hardheidsregeling) is in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 16-20) het volgende overwogen: “Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld de wettelijke hardheidsregeling te laten vervallen en wordt de compensatieregeling uitgebreid naar situaties waarin het stelsel van de kinderopvangtoeslag te hard uitpakte. De verbreding van de compensatieregeling betekent dat aan een grotere groep gedupeerde ouders de meest ruimhartige vorm van compensatie wordt geboden. (…) De criteria om in aanmerking te komen voor herstel in verband met hardheid blijven gelijk. Daardoor komen, net zoals onder de hardheidsregeling, alleen door hardheid gedupeerde ouders voor compensatie in aanmerking die in enig jaar ten minste € 1.500 aan kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen of bij wie de aanspraak op kinderopvangtoeslag in enig jaar met ten minste € 1.500 is verlaagd. De AUT adviseerde een grens van € 10.000 te hanteren. Die vond het kabinet te hoog. Met de grens van € 1.500 zocht het kabinet aansluiting bij een tot 2017 geldende grens om in aanmerking te komen voor een persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden. [ voetnoot: Zie voor een nadere toelichting op de keuze voor de grens van € 1.500 de memorie van toelichting op de Wet hardheidsaanpassing Awir, Kamerstukken II 2019/20, 35 468, nr. 3, p. 7-8.] (…) Zoals hiervoor toegelicht, wordt het forfaitaire bedrag niet toegekend aan ouders die door hardheid of door een onterechte O/GS-kwalificatie zijn gedupeerd indien zij niet in enig jaar ten minste € 1.500 aan kinderopvangtoeslag moesten terugbetalen of indien de aanspraak op kinderopvangtoeslag niet in enig jaar met ten minste € 1.500 is verlaagd. Deze grens van € 1.500 is gelijk aan de grens die gold om in aanmerking te komen voor de hardheidstegemoetkoming en die geldt voor de verbrede compensatieregeling voor har Deze drempel voorkomt een te grote disbalans tussen enerzijds de mate waarin een aanvrager in het algemeen gedupeerd zal zijn en anderzijds het relatief hoge forfaitaire bedrag.” De (hoogte van de) terugvordering 29. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat tussen partijen niet in geschil is dat de KOT tot het juiste bedrag is teruggevorderd. In de stukken wordt wisselend gesproken van een teruggevorderd bedrag van € 383 dan wel € 393. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat het teruggevorderde bedrag € 383 moet hebben bedragen. De rechtbank gaat hier dan ook vanuit in het vervolg. 30. De rechtbank stelt vast dat er derhalve geen sprake is van een onterechte neerwaartse correctie. Aan eiseres is de KOT toegekend waar zij volgens de Wet kinderopvang recht op had. Alleen het meerdere is teruggevorderd. Het probleem zit hem in het feit dat de voorschotten aan de KOI zijn uitbetaald en dat het teveel uitbetaalde bij eiseres is teruggevorderd. Institutionele vooringenomenheid 31. Eiseres heeft zich eerst ter zitting op het standpunt gesteld dat er in haar situatie sprake was van institutionele vooringenomenheid. Desgevraagd heeft eiseres in dit verband verklaard ook hierover een beslissing van de rechtbank te verwachten. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het door eiseres ingenomen standpunt tardief is. Voor het geval de rechtbank die mening niet zou delen, heeft verweerder de rechtbank verzocht alsnog in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijk te reageren. 32. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres in een veel eerder stadium de institutionele vooringenomenheid ter discussie kunnen stellen. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank daarover toch haar oordeel geven. De rechtbank zal het verzoek van verweerder om een nadere reactiemogelijkheid niet honoreren, omdat eiseres gelet op het navolgende op dit punt in het ongelijk dient te worden gesteld. 33. Voor de stelling van eiseres dat de stopzetting van de KOT mogelijk samenhing met de vragen van verweerder over de verblijfsstatus van eiseres en haar kind, ziet de rechtbank geen aanwijzingen in het dossier. De rechtbank acht aannemelijk geworden dat verweerder de KOT heeft stopgezet, omdat uit de hem ter beschikking staande gegevens volgde dat het kind van eiseres op 24 september 2005 vier jaar oud werd en per oktober 2005 naar de basisschool ging. 34. Eiseres heeft voorts betoogd dat de terugvordering voorkomen had kunnen worden en dat de handelswijze van verweerder heeft bijgedragen aan het nadeel dat eiseres heeft geleden. Volgens eiseres wist verweerder dat er sprake was van een heel ongebruikelijke situatie. Eiseres leidt dat af uit de telefoonnotitie van verweerder (hierboven opgenomen onder 4) waarin staat dat het verzoek om uitbetaling ineens vrijwel zeker niet wordt gehonoreerd. De institutionele vooringenomenheid is er volgens eiseres in gelegen dat, ondanks aanwijzingen dat de situatie niet pluis was, er geen navraag is gedaan bij eiseres, en het bedrag van € 1.281 aan de KOI is uitbetaald. Eiseres verwijst in haar betoog ook naar hetgeen de Bezwaarschriftenadviescommissie in haar advies van 8 juni 2023 heeft overwogen, namelijk (zie onder 18): “dat de KOT op initiatief van de kinderopvanginstelling is uitgekeerd per 12 oktober 2005 voor de rest van het jaar, terwijl de kinderopvanginstelling wist (of had moeten weten) dat het kind van belanghebbende begin oktober 2005 geen gebruik meer maakte van de opvang. (…) Het opvallende verzoek van de kinderopvanginstelling om de resterende KOT in één keer uit te betalen, had vragen moeten oproepen. Hoewel de Commissie van oordeel is dat het handelen van B/T en de kinderopvanginstelling als laakbaar moet worden aangemerkt, ziet zij binnen de kaders van de Wht geen ruimte om tot toekenning van compensatie over te gaan.”. Dat eiseres (en niet de KOI) vervolgens door verweerder is aangesproken om het uitbetaalde bedrag terug te betalen, is volgens eise Volgens eiseres is de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht, bij uitstek van toepassing in haar geval, omdat toepassing van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, gelet op doel of strekking van dat artikel, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor eiseres. 40. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, maakt het feit dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om voor de hardheidsregeling in aanmerking te komen, op zichzelf niet dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank overweegt dat dit slechts het geval is wanneer de toepassing van de drempel van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor eiseres. 41. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht (hierboven opgenomen onder 25-28), leidt de rechtbank af dat de wetgever een drempelbedrag in de wet heeft opgenoemde vanwege de hoogte van het in het kader van de Catshuisregeling toe te kennen bedragen. De wetgever heeft te kennen gegeven dat door het stellen van een grens wordt voorkomen dat een lage terechte terugvordering kan leiden tot een hoog forfaitair bedrag. Deze bedoeling komt ook tot uitdrukking in de parlementaire geschiedenis (hierboven opgenomen onder 28) ten aanzien van de grens van € 1.500 van artikel 2.7, vijfde lid, onderdeel a van de Wht, waarin staat dat de drempel een te grote disbalans voorkomt tussen enerzijds de mate waarin een aanvrager in het algemeen gedupeerd zal zijn en anderzijds het relatief hoge forfaitaire bedrag. De wetgever heeft bewust gekozen voor een drempelbedrag van € 1.500 en heeft hiermee aansluiting gezocht bij een tot 2017 geldende grens om in aanmerking te komen voor een persoonlijke betalingsregeling voor toeslagschulden. 42. Gelet op doel en strekking van de regeling van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht, ziet de rechtbank niet in waarom er voor eiseres een uitzondering zou moeten worden gemaakt op basis van de hardheidsclausule. Compensatie op basis van de Catshuisregeling zou in disbalans zijn met het bedrag van de terechte terugvordering. Toepassing van de drempel ten aanzien van eiseres kan niet als onbillijk worden aangemerkt in het licht van doel en strekking hiervan. 43. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de terugvordering voor haar tot een schrijnende situatie heeft geleid. Eiseres heeft deze schrijnende situatie tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase, in het beroepschrift en tijdens de zitting bij de rechtbank mondeling toegelicht. Eiseres was in 2005 net in Nederland en was een tienermoeder. Zij sprak de Nederlandse taal niet en was de dupe van de handelingen van de KOI, die aan verweerder had verzocht om het gehele jaarbedrag in één keer uit te betalen terwijl geen gebruik meer werd gemaakt van kinderopvang. Een bedrag van een paar honderd euro was destijds zeer veel geld voor eiseres, omdat zij een minimum inkomen had. Eiseres hield door de terugvordering te weinig geld over voor de betaling van haar vaste lasten, waardoor er betalingsachterstanden ontstonden die extra kosten met zich meebrachten (zoals wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten). Uiteindelijk liepen de kosten hierdoor tot duizenden euro's op. De gehele situatie heeft volgens eiseres tot veel stress en depressieve klachten geleid, wat ook verstrekkende gevolgen heeft gehad voor haar inburgering en cursussen. Eiseres spreekt de Nederlandse taal nog steeds niet goed. Zij is vanaf 2005/2006 blijven hangen in een situatie waar zij tot op de dag van vandaag nog steeds niet is uitgekomen. Het leven van eiseres staat al jarenlang stil, aldus eiseres. 44. De rechtbank overweegt dat er sprake is van schrijnende omstandigheden in het geval van serieuze en structurele financiële nood, een ernstige medische omstandigheid of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Eiseres heeft toegelicht wat voor een impact de terugvordering destijds (20 jaar geleden) op haar heeft gehad.