Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-23
ECLI:NL:RBNHO:2026:4356
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
7,906 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4356 text/xml public 2026-05-19T10:17:42 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-23 K/4102/12157028 Uitspraak Kort geding NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4356 text/html public 2026-05-19T10:15:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4356 Rechtbank Noord-Holland , 23-04-2026 / K/4102/12157028 Kort geding. Een Chief Technical Officer is op staande voet ontslagen op 23 maart 2026. Hij heeft vanaf 1 maart 2026 geen loon meer ontvangen. Hij vordert het salaris en emolumenten over de periode gelegen vóór de ontslagdatum. Werkgever doet tevergeefs een beroep op het oude artikel 7:627 BW. In casu is onvoldoende reden om een uitzondering te maken op artikel 7:628 BW ‘geen arbeid, wel loon, tenzij,’ De vorderingen van werknemer, behoudens zijn bonus en buitengerechtelijke kosten, worden toegewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 12157028 \ KG EXPL 26-55 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: [gemachtigde], tegen EUROKEG B.V. , te Den Helder, gedaagde partij, hierna te noemen: Eurokeg, gemachtigde: mr. I.H. Castenmiller 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de betekende dagvaarding van [eiser] van 26 maart 2026 met 7 producties; nadere stukken van Eurokeg van 2 april 2026 met 2 producties; de mondelinge behandeling van 3 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; de pleitnota van Eurokeg; de aanhouding ter zitting tot en met 9 april 2026 ten behoeve van een mogelijke schikking; het bericht van de gemachtigde van [eiser] van 9 april 2026 dat geen schikking tussen partijen tot stand is gekomen met het verzoek om vonnis. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiser] (geboren [geboortedatum] 1978) is sinds 1 september 2019 in dienst bij Eurokeg, laatstelijk in de functie van Chief Technical Officer voor een maandloon van € 11.000,00 bruto exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. 2.2. Eurokeg is een internationale fabrikant van drankvaten voor onder meer bier, wijn en cider. Eurokeg is een dochteronderneming van Eurokeg Holding B.V., van wie de enig aandeelhouder het Zwitserde [bedrijf] AG is, met de heer [betrokkene 1] als eigenaar / enig aandeelhouder. Ten tijde van deze procedure zijn de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] statutair bestuurder van Eurokeg. [betrokkene 3] was de laatstelijk leidinggevende van [eiser], hij wordt binnenkort uitgeschreven uit het handelsregister waarna een nieuw management wordt aangesteld. 2.3. [eiser] heeft op basis van zijn arbeidsovereenkomst recht op een leaseauto met privégebruik. In plaats van een leaseauto kan ook een mobiliteitsvergoeding worden toegekend van € 1.250,00 netto per maand. 2.4. [eiser] heeft conform zijn arbeidsovereenkomst recht op diverse bonussen. Hierover zijn separate afspraken vastgelegd in een addendum d.d. 23 oktober 2024. 2.5. [eiser] heeft zich ziekgemeld in de periode van 2 mei 2025 tot 25 november 2025 (eerste ziekteperiode) en nogmaals in de periode van 17 januari 2026 tot 26 februari 2026 (tweede ziekteperiode). In de tussenliggende periode zijn partijen in onderhandeling geweest en is een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Deze is getekend door [eiser], maar niet door Eurokeg. 2.6. De bedrijfsarts adviseerde in haar laatste probleemanalyse van 27 februari 2026, voor zover relevant: “Er zijn op medische grond geen beperkingen ten aanzien van werk. Ik begrijp dat er geen oplossing is gekomen ten aanzien van het langer bestaande conflict. Ik raad aan conflictoplossing te continueren en tot een oplossing te komen.” 2.7. Op 11 maart 2026 had [eiser] een gesprek met de heer [betrokkene 4], de rechterhand van [betrokkene 1]. [betrokkene 4] was beperkt op de hoogte van het bestaande conflict. Op 13 maart 2026 heeft [betrokkene 4] aan [eiser] een email gestuurd waarin staat, voor zover relevant: “Thanks for the meeting yesterday. As discussed, I will have a look at the separation agreement that was drawn up in November and discuss this with [betrokkene 2]. I will get back to you with feedback next week. (…) As discussed, you were working on the task of analyzing and augmenting de production line that we took from Seaham (…) So please give me your status and any documentation you have on that.” 2.8. Op 17 maart 2026 heeft [betrokkene 4] aan [eiser] het volgende bericht gestuurd: “Have you done anything on the Seaham line task (how to reconfigure to enable manufacture of full product spectrum?)” 2.9. Op 23 maart 2026 is [eiser] op staande voet ontslagen wegens werkweigering sinds 10 maart 2026. Door Eurokeg is in de ontslagbrief van 23 maart 2026 bevestigd dat het loon over hele maand maart 2026 niet zou worden uitbetaald. Ook is geen eindafrekening opgemaakt dan wel uitbetaald. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert in kort geding onder meer betaling van € 8.161,29 bruto aan salaris en overige emolumenten over de periode 1 maart 2026 tot en met de datum van het ontslag op staande voet, te weten 23 maart 2026. Ook verzoekt [eiser] om betaling van € 8.572,87 bruto aan vakantiegeld over de periode 1 juni 2025 tot en met 23 maart 2026 en om betaling van € 7.742,51 bruto aan 15,25 openstaande, niet-opgenomen vakantiedagen. Daarnaast verzoekt [eiser] om een pro rato mobiliteitsvergoeding ter hoogte van € 1.083,42 netto over de periode na zijn betermelding tot aan de ontslagdatum alsmede de betaling van een bonus ter hoogte van € 12.000,00 bruto wegens door hem behaalde resultaten. Tot slot vordert [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 1.750,60. 3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Ongeacht of het ontslag op staande voet terecht is gegeven, hetgeen in een separate procedure door hem zal worden aangevochten, heeft [eiser] recht op zijn salaris en overige emolumenten in de periode voorafgaand aan zijn ontslag alsmede op een eindafrekening. Het feit dat hij niet heeft gewerkt in de periode tussen zijn betermelding en het ontslag op staande voet komt voor rekening van de werkgever op grond van artikel 7:628 BW. 3.3. Eurokeg voert verweer en stelt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Eurokeg is geen salaris verschuldigd, omdat [eiser] ondanks de betermelding en oproepen daartoe van Eurokeg, niet (meer) heeft gewerkt. Eurokeg beroept zich op ‘geen arbeid, geen loon’ conform artikel 7:627 BW. Ten aanzien van de vakantiedagen stelt Eurokeg dat geen 15,25 dagen openstaan, maar slechts 116,67 uur. Bovendien is deze vordering nog niet opeisbaar, nu de salarisronde van april 2026 nog niet is geweest. De mobiliteitsvergoeding en de bonus worden door Eurokeg beide betwist, nu [eiser] daarop geen aanspraak maakt. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten voert Eurokeg aan dat er geen fase is geweest die is voorafgegaan aan de voorbereiding op deze procedure, omdat maar enkele dagen tussen het ontslag op staande voet en de kort geding dagvaarding zaten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. 4.2. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde heeft. Alleen al de aard van de vordering, een loonvordering, maakt het spoedeisend belang voldoende aannemelijk. Loonvordering over de periode van 1 maart 2026 tot en met 23 maart 2026 4.3. De loonvordering ziet op een periode voorafgaand aan een ontslag op staande voet. Ongeacht of het ontslag op staande voet standhoudt in een separate procedure heeft [eiser] in beginsel recht op het loon over de periode gelegen vóór de ontslagdatum. 4.4.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:4356 text/xml public 2026-05-19T10:17:42 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-23 K/4102/12157028 Uitspraak Kort geding NL Haarlem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4356 text/html public 2026-05-19T10:15:55 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:4356 Rechtbank Noord-Holland , 23-04-2026 / K/4102/12157028 Kort geding. Een Chief Technical Officer is op staande voet ontslagen op 23 maart 2026. Hij heeft vanaf 1 maart 2026 geen loon meer ontvangen. Hij vordert het salaris en emolumenten over de periode gelegen vóór de ontslagdatum. Werkgever doet tevergeefs een beroep op het oude artikel 7:627 BW. In casu is onvoldoende reden om een uitzondering te maken op artikel 7:628 BW ‘geen arbeid, wel loon, tenzij,’ De vorderingen van werknemer, behoudens zijn bonus en buitengerechtelijke kosten, worden toegewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 12157028 \ KG EXPL 26-55 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: [gemachtigde], tegen EUROKEG B.V. , te Den Helder, gedaagde partij, hierna te noemen: Eurokeg, gemachtigde: mr. I.H. Castenmiller 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de betekende dagvaarding van [eiser] van 26 maart 2026 met 7 producties; nadere stukken van Eurokeg van 2 april 2026 met 2 producties; de mondelinge behandeling van 3 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; de pleitnota van Eurokeg; de aanhouding ter zitting tot en met 9 april 2026 ten behoeve van een mogelijke schikking; het bericht van de gemachtigde van [eiser] van 9 april 2026 dat geen schikking tussen partijen tot stand is gekomen met het verzoek om vonnis. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiser] (geboren [geboortedatum] 1978) is sinds 1 september 2019 in dienst bij Eurokeg, laatstelijk in de functie van Chief Technical Officer voor een maandloon van € 11.000,00 bruto exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. 2.2. Eurokeg is een internationale fabrikant van drankvaten voor onder meer bier, wijn en cider. Eurokeg is een dochteronderneming van Eurokeg Holding B.V., van wie de enig aandeelhouder het Zwitserde [bedrijf] AG is, met de heer [betrokkene 1] als eigenaar / enig aandeelhouder. Ten tijde van deze procedure zijn de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] statutair bestuurder van Eurokeg. [betrokkene 3] was de laatstelijk leidinggevende van [eiser], hij wordt binnenkort uitgeschreven uit het handelsregister waarna een nieuw management wordt aangesteld. 2.3. [eiser] heeft op basis van zijn arbeidsovereenkomst recht op een leaseauto met privégebruik. In plaats van een leaseauto kan ook een mobiliteitsvergoeding worden toegekend van € 1.250,00 netto per maand. 2.4. [eiser] heeft conform zijn arbeidsovereenkomst recht op diverse bonussen. Hierover zijn separate afspraken vastgelegd in een addendum d.d. 23 oktober 2024. 2.5. [eiser] heeft zich ziekgemeld in de periode van 2 mei 2025 tot 25 november 2025 (eerste ziekteperiode) en nogmaals in de periode van 17 januari 2026 tot 26 februari 2026 (tweede ziekteperiode). In de tussenliggende periode zijn partijen in onderhandeling geweest en is een vaststellingsovereenkomst opgesteld. Deze is getekend door [eiser], maar niet door Eurokeg. 2.6. De bedrijfsarts adviseerde in haar laatste probleemanalyse van 27 februari 2026, voor zover relevant: “Er zijn op medische grond geen beperkingen ten aanzien van werk. Ik begrijp dat er geen oplossing is gekomen ten aanzien van het langer bestaande conflict. Ik raad aan conflictoplossing te continueren en tot een oplossing te komen.” 2.7. Op 11 maart 2026 had [eiser] een gesprek met de heer [betrokkene 4], de rechterhand van [betrokkene 1]. [betrokkene 4] was beperkt op de hoogte van het bestaande conflict. Op 13 maart 2026 heeft [betrokkene 4] aan [eiser] een email gestuurd waarin staat, voor zover relevant: “Thanks for the meeting yesterday. As discussed, I will have a look at the separation agreement that was drawn up in November and discuss this with [betrokkene 2]. I will get back to you with feedback next week. (…) As discussed, you were working on the task of analyzing and augmenting de production line that we took from Seaham (…) So please give me your status and any documentation you have on that.” 2.8. Op 17 maart 2026 heeft [betrokkene 4] aan [eiser] het volgende bericht gestuurd: “Have you done anything on the Seaham line task (how to reconfigure to enable manufacture of full product spectrum?)” 2.9. Op 23 maart 2026 is [eiser] op staande voet ontslagen wegens werkweigering sinds 10 maart 2026. Door Eurokeg is in de ontslagbrief van 23 maart 2026 bevestigd dat het loon over hele maand maart 2026 niet zou worden uitbetaald. Ook is geen eindafrekening opgemaakt dan wel uitbetaald. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert in kort geding onder meer betaling van € 8.161,29 bruto aan salaris en overige emolumenten over de periode 1 maart 2026 tot en met de datum van het ontslag op staande voet, te weten 23 maart 2026. Ook verzoekt [eiser] om betaling van € 8.572,87 bruto aan vakantiegeld over de periode 1 juni 2025 tot en met 23 maart 2026 en om betaling van € 7.742,51 bruto aan 15,25 openstaande, niet-opgenomen vakantiedagen. Daarnaast verzoekt [eiser] om een pro rato mobiliteitsvergoeding ter hoogte van € 1.083,42 netto over de periode na zijn betermelding tot aan de ontslagdatum alsmede de betaling van een bonus ter hoogte van € 12.000,00 bruto wegens door hem behaalde resultaten. Tot slot vordert [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 1.750,60. 3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Ongeacht of het ontslag op staande voet terecht is gegeven, hetgeen in een separate procedure door hem zal worden aangevochten, heeft [eiser] recht op zijn salaris en overige emolumenten in de periode voorafgaand aan zijn ontslag alsmede op een eindafrekening. Het feit dat hij niet heeft gewerkt in de periode tussen zijn betermelding en het ontslag op staande voet komt voor rekening van de werkgever op grond van artikel 7:628 BW. 3.3. Eurokeg voert verweer en stelt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Eurokeg is geen salaris verschuldigd, omdat [eiser] ondanks de betermelding en oproepen daartoe van Eurokeg, niet (meer) heeft gewerkt. Eurokeg beroept zich op ‘geen arbeid, geen loon’ conform artikel 7:627 BW. Ten aanzien van de vakantiedagen stelt Eurokeg dat geen 15,25 dagen openstaan, maar slechts 116,67 uur. Bovendien is deze vordering nog niet opeisbaar, nu de salarisronde van april 2026 nog niet is geweest. De mobiliteitsvergoeding en de bonus worden door Eurokeg beide betwist, nu [eiser] daarop geen aanspraak maakt. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten voert Eurokeg aan dat er geen fase is geweest die is voorafgegaan aan de voorbereiding op deze procedure, omdat maar enkele dagen tussen het ontslag op staande voet en de kort geding dagvaarding zaten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. 4.2. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde heeft. Alleen al de aard van de vordering, een loonvordering, maakt het spoedeisend belang voldoende aannemelijk. Loonvordering over de periode van 1 maart 2026 tot en met 23 maart 2026 4.3. De loonvordering ziet op een periode voorafgaand aan een ontslag op staande voet. Ongeacht of het ontslag op staande voet standhoudt in een separate procedure heeft [eiser] in beginsel recht op het loon over de periode gelegen vóór de ontslagdatum. 4.4.
Volledig
Eurokeg stelt zich op het standpunt dat zij geen salaris is verschuldigd, omdat [eiser], ondanks de betermelding en oproepen daartoe van Eurokeg, niet meer heeft gewerkt na zijn betermelding en doet daarbij een beroep op 7:627 BW. 4.5. Allereerst merkt de kantonrechter op dat artikel 7:627 BW als gevolg van de WWZ is vervallen per 1 januari 2020. Dit hangt samen met een wijziging van art. 7:628 lid 1 BW. Deze artikelen dienden vroeger in samenhang te worden bezien en werden de risicoregeling genoemd. Deze regeling is met ingang 1 januari 2020 omgekeerd geformuleerd. Eerst was de hoofdregel ‘geen arbeid, geen loon, tenzij’. Nu luidt die: ‘geen arbeid, wel loon, tenzij’. 4.6. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij sinds zijn eerste ziekmelding in mei 2025 niet meer (inhoudelijk) heeft gewerkt, dat hij ook niet meer werd betrokken bij het werk (hij is uit alle mailingen gehaald) en dat het nooit de intentie van Eurokeg is geweest om [eiser] terug aan het werk te krijgen. De houding van Eurokeg was slechts gericht op beëindiging. [eiser] betwist ook dat hij formele oproepen om het werk te hervatten van Eurokeg heeft ontvangen. Daar komt nog bij dat de bedrijfsarts op 27 februari 2026 heeft aangegeven dat (eerst) aan conflictoplossing moest worden gewerkt. 4.7. In het licht van het voorgaande, oordeelt de kantonrechter dat Eurokeg met meer moet komen om onder de loonbetaling uit te komen. Het gesprek op 12 maart 2026 tussen [eiser] en [betrokkene 4] was mogelijk een begin van conflictoplossing. [betrokkene 4] heeft vervolgens op 13 maart 2026 schriftelijk toegezegd dat hij zou terugkomen op de -reeds door [eiser] getekende- vaststellingsovereenkomst. Het is niet onbegrijpelijk dat [eiser] op die terugkoppeling heeft gewacht. In het korte bericht van [betrokkene 4] van 17 maart 2026 werd vervolgens niets meer over deze vaststellingsovereenkomst gezegd. Daarna volgde binnen enkele dagen het ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelt dat hier geen sprake was van een normale situatie waarin van een werknemer kon worden verwacht gewoon weer aan het werk te gaan. Het risico van niet-werken blijft hierdoor liggen bij Eurokeg. De loonvordering van [eiser] wordt om deze reden toegewezen. 4.8. De wettelijke verhoging zal tevens worden toegewezen, nu Eurokeg het salaris niet tijdig heeft betaald. De salarisronde van maart 2026 is immers al geweest. Vakantiegeld en openstaande vakantiedagen 4.9. In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen inzake het achterstallige salaris, oordeelt de kantonrechter dat [eiser] ook recht heeft op uitbetaling van zijn opgebouwde vakantiegeld en uitbetaling van zijn resterende openstaande vakantiedagen. Nu Eurokeg het saldo van 15,25 openstaande dagen onvoldoende onderbouwd heeft betwist, zal de kantonrechter bij dit door [eiser] gespecificeerde saldo aansluiten. Mobiliteitsvergoeding 4.10. Vast staat dat [eiser] zijn lease auto in oktober 2025 moest inleveren toen het leasecontract van die specifieke auto afliep. Ook staat vast dat een arbeidsongeschikte werknemer bij Eurokeg na drie maanden ziekte de leaseauto (tijdelijk) moet inleveren. 4.11. De kantonrechter oordeelt dat een ter beschikking gestelde auto dan wel mobiliteitsvergoeding tussen partijen heeft te gelden als vast looncomponent. Het einde van een leasecontract leidt niet automatisch tot het eindigen van een vast looncomponent. [eiser] heeft na zijn betermelding van 26 februari 2026 geen auto meer gehad en hiervoor evenmin een mobiliteitsvergoeding ontvangen. Eurokeg dient hem hiervoor te compenseren. De kantonrechter acht in dit geval de gevorderde vergoeding van € 1.083,42 netto redelijk, nu deze vergoeding is gerelateerd aan het bedrag dat is opgenomen in de tussen partijen overeengekomen arbeidsovereenkomst. Bonus 4.12. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij voor 1 januari 2026 een bonus ter hoogte van € 12.000,00 zou moeten ontvangen indien hij succesvol was bij de productontwikkeling en marktintroductie van een ‘KeyKeg-A product’. [eiser] stelt dat hij deze doelstelling heeft behaald en dat de bonus ten onrechte niet door Eurokeg is uitbetaald. Eurokeg heeft ter zitting betwist dat [eiser] deze doelstelling heeft behaald. 4.13. De kantonrechter oordeelt dat het op de weg van [eiser] ligt om in ieder geval aannemelijk te maken dat hij een zodanig resultaat heeft behaald dat hem recht geeft op deze bonus. De kantonrechter constateert echter dat enig bewijsstuk met betrekking tot het gestelde doel ontbreekt. Door [eiser] is alleen de gemaakte afspraak van 23 oktober 2024 overgelegd. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om Eurokeg te veroordelen tot betaling aan [eiser] van deze bonus. Loonspecificaties 4.14. Eurokeg dient over de loonbetaling van 1 tot en met 23 maart 2026 en de eindafrekening een specificatie aan [eiser] te verstrekken. Zij krijgt daarvoor de tijd tot twee weken na de datum van dit vonnis. Ter zitting heeft Eurokeg aangegeven dat zij hieraan zal voldoen, zodat de gevorderde dwangsom niet nodig wordt geacht. Buitengerechtelijke kosten 4.15. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. Proceskosten 4.16. Eurokeg wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,67 - griffierecht € 93,00 - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.257,67 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 8.161,29 bruto aan achterstallig loon over 1 maart 2026 tot en met 23 maart 2026, te verhogen met de wettelijke verhoging van ex artikel 7:625 BW en te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.2. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 8.572,87 bruto aan verschuldigd vakantiegeld over 1 juni 2025 tot en met 23 maart 2026, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.3. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 7.742,51 bruto aan openstaande niet‑opgenomen verlofuren, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.4. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 1.083,42 netto, ter compensatie van de niet‑beschikbaar gestelde leaseauto over 26 februari 2026 tot en met 23 maart 2026, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.5. veroordeelt Eurokeg om binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan [eiser] de specificaties te verstrekken over de periode van 1 tot en met 23 maart 2026 en de eindafrekening, 5.6. veroordeelt Eurokeg in de proceskosten van € 1.257,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Eurokeg niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.7. veroordeelt Eurokeg tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.L. Grosheide en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.
Volledig
Eurokeg stelt zich op het standpunt dat zij geen salaris is verschuldigd, omdat [eiser], ondanks de betermelding en oproepen daartoe van Eurokeg, niet meer heeft gewerkt na zijn betermelding en doet daarbij een beroep op 7:627 BW. 4.5. Allereerst merkt de kantonrechter op dat artikel 7:627 BW als gevolg van de WWZ is vervallen per 1 januari 2020. Dit hangt samen met een wijziging van art. 7:628 lid 1 BW. Deze artikelen dienden vroeger in samenhang te worden bezien en werden de risicoregeling genoemd. Deze regeling is met ingang 1 januari 2020 omgekeerd geformuleerd. Eerst was de hoofdregel ‘geen arbeid, geen loon, tenzij’. Nu luidt die: ‘geen arbeid, wel loon, tenzij’. 4.6. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij sinds zijn eerste ziekmelding in mei 2025 niet meer (inhoudelijk) heeft gewerkt, dat hij ook niet meer werd betrokken bij het werk (hij is uit alle mailingen gehaald) en dat het nooit de intentie van Eurokeg is geweest om [eiser] terug aan het werk te krijgen. De houding van Eurokeg was slechts gericht op beëindiging. [eiser] betwist ook dat hij formele oproepen om het werk te hervatten van Eurokeg heeft ontvangen. Daar komt nog bij dat de bedrijfsarts op 27 februari 2026 heeft aangegeven dat (eerst) aan conflictoplossing moest worden gewerkt. 4.7. In het licht van het voorgaande, oordeelt de kantonrechter dat Eurokeg met meer moet komen om onder de loonbetaling uit te komen. Het gesprek op 12 maart 2026 tussen [eiser] en [betrokkene 4] was mogelijk een begin van conflictoplossing. [betrokkene 4] heeft vervolgens op 13 maart 2026 schriftelijk toegezegd dat hij zou terugkomen op de -reeds door [eiser] getekende- vaststellingsovereenkomst. Het is niet onbegrijpelijk dat [eiser] op die terugkoppeling heeft gewacht. In het korte bericht van [betrokkene 4] van 17 maart 2026 werd vervolgens niets meer over deze vaststellingsovereenkomst gezegd. Daarna volgde binnen enkele dagen het ontslag op staande voet. De kantonrechter oordeelt dat hier geen sprake was van een normale situatie waarin van een werknemer kon worden verwacht gewoon weer aan het werk te gaan. Het risico van niet-werken blijft hierdoor liggen bij Eurokeg. De loonvordering van [eiser] wordt om deze reden toegewezen. 4.8. De wettelijke verhoging zal tevens worden toegewezen, nu Eurokeg het salaris niet tijdig heeft betaald. De salarisronde van maart 2026 is immers al geweest. Vakantiegeld en openstaande vakantiedagen 4.9. In het verlengde van hetgeen hiervoor is overwogen inzake het achterstallige salaris, oordeelt de kantonrechter dat [eiser] ook recht heeft op uitbetaling van zijn opgebouwde vakantiegeld en uitbetaling van zijn resterende openstaande vakantiedagen. Nu Eurokeg het saldo van 15,25 openstaande dagen onvoldoende onderbouwd heeft betwist, zal de kantonrechter bij dit door [eiser] gespecificeerde saldo aansluiten. Mobiliteitsvergoeding 4.10. Vast staat dat [eiser] zijn lease auto in oktober 2025 moest inleveren toen het leasecontract van die specifieke auto afliep. Ook staat vast dat een arbeidsongeschikte werknemer bij Eurokeg na drie maanden ziekte de leaseauto (tijdelijk) moet inleveren. 4.11. De kantonrechter oordeelt dat een ter beschikking gestelde auto dan wel mobiliteitsvergoeding tussen partijen heeft te gelden als vast looncomponent. Het einde van een leasecontract leidt niet automatisch tot het eindigen van een vast looncomponent. [eiser] heeft na zijn betermelding van 26 februari 2026 geen auto meer gehad en hiervoor evenmin een mobiliteitsvergoeding ontvangen. Eurokeg dient hem hiervoor te compenseren. De kantonrechter acht in dit geval de gevorderde vergoeding van € 1.083,42 netto redelijk, nu deze vergoeding is gerelateerd aan het bedrag dat is opgenomen in de tussen partijen overeengekomen arbeidsovereenkomst. Bonus 4.12. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij voor 1 januari 2026 een bonus ter hoogte van € 12.000,00 zou moeten ontvangen indien hij succesvol was bij de productontwikkeling en marktintroductie van een ‘KeyKeg-A product’. [eiser] stelt dat hij deze doelstelling heeft behaald en dat de bonus ten onrechte niet door Eurokeg is uitbetaald. Eurokeg heeft ter zitting betwist dat [eiser] deze doelstelling heeft behaald. 4.13. De kantonrechter oordeelt dat het op de weg van [eiser] ligt om in ieder geval aannemelijk te maken dat hij een zodanig resultaat heeft behaald dat hem recht geeft op deze bonus. De kantonrechter constateert echter dat enig bewijsstuk met betrekking tot het gestelde doel ontbreekt. Door [eiser] is alleen de gemaakte afspraak van 23 oktober 2024 overgelegd. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om Eurokeg te veroordelen tot betaling aan [eiser] van deze bonus. Loonspecificaties 4.14. Eurokeg dient over de loonbetaling van 1 tot en met 23 maart 2026 en de eindafrekening een specificatie aan [eiser] te verstrekken. Zij krijgt daarvoor de tijd tot twee weken na de datum van dit vonnis. Ter zitting heeft Eurokeg aangegeven dat zij hieraan zal voldoen, zodat de gevorderde dwangsom niet nodig wordt geacht. Buitengerechtelijke kosten 4.15. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. Proceskosten 4.16. Eurokeg wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,67 - griffierecht € 93,00 - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.257,67 4.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 8.161,29 bruto aan achterstallig loon over 1 maart 2026 tot en met 23 maart 2026, te verhogen met de wettelijke verhoging van ex artikel 7:625 BW en te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.2. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 8.572,87 bruto aan verschuldigd vakantiegeld over 1 juni 2025 tot en met 23 maart 2026, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.3. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 7.742,51 bruto aan openstaande niet‑opgenomen verlofuren, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.4. veroordeelt Eurokeg tot betaling aan [eiser] van € 1.083,42 netto, ter compensatie van de niet‑beschikbaar gestelde leaseauto over 26 februari 2026 tot en met 23 maart 2026, te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment van verschuldigdheid tot de dag dat volledig is betaald, 5.5. veroordeelt Eurokeg om binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan [eiser] de specificaties te verstrekken over de periode van 1 tot en met 23 maart 2026 en de eindafrekening, 5.6. veroordeelt Eurokeg in de proceskosten van € 1.257,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Eurokeg niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.7. veroordeelt Eurokeg tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.L. Grosheide en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.