Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-21
ECLI:NL:RBNHO:2026:413
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/366549 / HA ZA 25-366 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser sub 1] ,2. [eiseres sub 2] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiseres sub 2] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, advocaat: mr. L. Bosch, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. M.V. Vermeij. De zaak in het kort [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn de kinderen van erflater. Erflater was bij zijn overlijden gehuwd met [gedaagde] . Erflater en [gedaagde] waren gemeenschappelijk eigenaar van een molen, waarin ook een Bed & Breakfast werd geëxploiteerd. In deze zaak vorderen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , als enig erfgenamen van erflater verdeling van de gemeenschappelijke molen. De tegenvordering van [gedaagde] tot vestiging van het vruchtgebruik op de molen wordt toegewezen omdat zij ten tijde van het overlijden van erflater woonachtig is in de molen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] afhankelijk is van het inkomen uit de B&B. Zij heeft verder geen inkomen, zoals een nabestaandenpensioen. Dus ook ten behoeve van de ruimte waarin de B&B wordt geëxploiteerd mag [gedaagde] een recht van vruchtgebruik vestigen. De rechtbank wijst de vordering tot vestiging van een vruchtgebruik op de schuur nabij de molen af. Het is niet gebleken dat [gedaagde] deze ruimte nodig heeft voor de exploitatie van de B&B of voor de exploitatie van haar atelier. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 12 juni 2025 met producties 1 tot en met 7, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 6 augustus 2025 met producties 1 tot en met 30, - de conclusie van antwoord in reconventie tevens aanvulling eis van 17 september 2025 met productie 8, - het tussenvonnis van 24 september 2025, - de aanvullende producties 31 tot en met 49 van [gedaagde] , - de aanvullende producties 50 tot en met 59 van [gedaagde] , - de aanvullende productie 9 van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , - de aanvullende productie 60 van [gedaagde] , - de op 2 december 2025 gehouden mondelinge behandeling. De griffier heeft gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Feiten 2.1. Op 11 oktober 2024 is de heer [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater was de vader van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Erflater was bij zijn overlijden gehuwd met met [gedaagde] . Erflater en [gedaagde] hebben huwelijkse voorwaarden gesloten waarbij iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten 2.2. Enkele jaren geleden heeft erflater een molen gekocht, genaamd [de molen] , gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de molen). Een deel van de molen wordt als woonruimte gebruikt en in het overige gedeelte is een B&B. De molen was voor 80% eigendom van erflater en voor 20% eigendom van [gedaagde] . Op de molen rust geen financiering. 2.3. Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn, ieder voor gelijke delen, tot zijn enige erfgenamen benoemd. De nalatenschap is door hen zuiver aanvaard. Verder is er een executeur benoemd, maar hij heeft zijn taak niet aanvaard. 3 Het geschil in conventie 3.1. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen, na aanvulling van hun eis, – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad: I. de (wijze van) verdeling van de gemeenschap vaststelt, dan wel bepaalt dat het aandeel van [gedaagde] , te weten 1/5e deel, in de molen wordt toebedeeld aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] onder vergoeding van 1/5e deel van de waarde aan [gedaagde] ; II. bepaalt dat partijen gezamenlijk een taxateur opdracht geven tot een bindende bepaling van de waarde van de molen; III. bepaalt dat als de waarde bindend is vastgesteld, [gedaagde] v [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt mee te werken aan de vestiging van een (levenslang) vruchtgebruik ten behoeve van [gedaagde] op de molen en de in de molen aanwezige inboedel van erflater waaronder, maar niet uitsluitend door: - het opdracht geven aan een nader door [gedaagde] aan te wijzen notaris tot het vestigen van het (levenslange) vruchtgebruik van de molen en de aldaar aanwezige inboedel te vestigen ten behoeve van [gedaagde] ; - het akkoord geven op de (notariële) akte(s) tot vestiging van het vruchtgebruik van de molen en de inboedel ten behoeve van [gedaagde] door ondertekening van de (notariële) akte(s); - het opdracht geven aan de notaris tot de inschrijving van het vruchtgebruik van de molen ten behoeve van [gedaagde] in de openbare registers; op straffe van een dwangsom; Machtiging met betrekking tot vestiging vruchtgebruik II. Indien en voor zover [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet tijdig en/of niet volledig aan het onder II gevorderde hebben voldaan en dientengevolge het maximum aan dwangsommen is verbeurd, [gedaagde] machtigt om namens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] al hetgeen te doen wat noodzakelijk is om het vruchtgebruik op de molen en de inboedel ten behoeve van [gedaagde] te vestigen, waaronder maar niet uitsluitend door: - het opdracht geven aan een nader door [gedaagde] aan te wijzen notaris tot het vestigen van het (levenslange) vruchtgebruik van de molen en de aldaar aanwezige inboedel te vestigen ten behoeve van [gedaagde] ; - het akkoord geven op de (notariële) akte(s) tot vestiging van het vruchtgebruik van de molen en de inboedel ten behoeve van [gedaagde] door ondertekening van de (notariële) akte(s); - het opdracht geven aan de notaris tot de inschrijving van het vruchtgebruik van de molen ten behoeve van [gedaagde] in de openbare registers; Kosten vestigen vruchtgebruik III. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om de kosten voor of in verband met de vestiging van het vruchtgebruik op de molen en de inboedel aan [gedaagde] te betalen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend: - de kosten van de notaris voor of in verband met het vestigen van het vruchtgebruik op de molen; - de eventuele kosten voor het inschrijven van het vruchtgebruik op de molen in de openbare registers; Afwikkeling subsidie IV. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om alle noodzakelijke medewerking te verlenen met betrekking tot het correct afwikkelen van de subsidieregeling en verder voor recht verklaart dat, indien deugdelijke medewerking niet wordt verleend en [gedaagde] dientengevolge door de subsidie verlenende instanties wordt aangesproken, [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] jegens [gedaagde] aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door [gedaagde] geleden en te lijden schade en verder voor recht verklaart dat een terugbetalingsverplichting van de subsidie een schuld van de nalatenschap is die door de nalatenschap c.q. door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dient te worden voldaan aan de betreffende instantie; Medewerking/kosten met betrekking tot onderhoud molen V. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om hun medewerking te verlenen aan het noodzakelijk behoud en (groot) onderhoud van de molen, bestaande uit al hetgeen volgens het Besluit kleine herstellingen voor rekening van de verhuurder zou komen en – voor zover [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] daar niet na een daartoe schriftelijk verzoek van [gedaagde] zijn overgegaan – bepaalt dat [gedaagde] de werkzaamheden door een derde kan laten uitvoeren en dat [gedaagde] de kosten daarvan op [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] kan verhalen; VI. bepaalt dat de kosten van het onderhoud/behoud van de molen volledig voor rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] komen voor zover de kosten vallen onder de subsidieregeling; VII. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] veroordeelt om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 2.277,50 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 341,63 en de wettelijke handelsrente; VI Uit de beslissing van de Hoge Raad van 4 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:511) blijkt dat zaken die strekken tot veroordeling tot medewerking aan vestiging van een vruchtgebruik op grond van de artikelen 4:29 lid 1 BW of art. 4:30 lid 1 BW behoren tot de bevoegdheid van de kantonrechter en moeten worden ingeleid met een verzoekschrift. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel ten aanzien van de vordering in reconventie onder I tot en met III niet bevoegd is. Onbevoegdverklaring ten aanzien van deze vorderingen zou betekenen dat deze vorderingen moeten worden verwezen naar de kantonrechter en afzonderlijk van de conventie zullen worden behandeld. Dat is onwenselijk, gelet op de vergaande samenhang tussen de diverse vorderingen. Gelet hierop , alsmede het feit dat het grootste gedeelte van de overige vorderingen onder de absolute bevoegdheid van de rechtbank valt en de toestemming van partijen ter zitting dat de rechtbank deze vorderingen aan zich houdt, zal de rechtbank ook de vorderingen in reconventie onder I tot en met III behandelen. Het is in strijd met de goede procesorde om zich ten aanzien van de vorderingen in reconventie onder I tot en met III onbevoegd te verklaren. Vruchtgebruik 4.3. [gedaagde] maakt op grond van artikel 4:29 en 4:30 BW aanspraak op het vruchtgebruik van de molen. Zij voert daartoe aan dat zij behoefte heeft aan en belang heeft bij het vruchtgebruik omdat ze er woont en ze haar inkomen verdient via het atelier en de B&B in de molen. [gedaagde] is 59 jaar oud en exploiteert een onderneming, zodat zij geen pensioen opbouwt. Het vinden van een baan in loondienst zal niet makkelijk zijn. Daarnaast kampt [gedaagde] met de nodige medische problematiek. Ook is het vinden van een woning op de krappe woningmarkt nagenoeg onmogelijk. [gedaagde] staat niet ingeschreven voor een sociale huurwoning en voor een woning in de private sector heeft zij een inkomen nodig, aldus [gedaagde] . 4.4. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verzetten zich niet tegen vestiging van het vruchtgebruik op de molen en inboedel. Tegen het gevorderde vruchtgebruik op de schuur en de B&B verzetten zij zich wel omdat [gedaagde] hieraan geen behoefte heeft. In de schuur staan roerende zaken van erflater. De schuur staat los van de woning en is een zelfstandig object, waar [gedaagde] verder geen gebruik van maakt of voor haar verzorging geen gebruik van hoeft te maken. 4.5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 4:29 lid 1 BW zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de echtgenoot van de erflater op de tot diens nalatenschap behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, voor zover de echtgenoot van de erflater ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is tot die woning en voor zover de echtgenoot dit van de erfgenamen verlangt. 4.6. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn dus in beginsel verplicht hun medewerking te verlenen aan het vestigen van een vruchtgebruik op de molen ten behoeve van [gedaagde] . [gedaagde] voldoet immers aan de in artikel 4:29 BW gestelde voorwaarden. Zij is de echtgenote van erflater en woonde ten tijde van zijn overlijden in de molen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben meegedeeld dat zij kunnen instemmen met het vruchtgebruik van de woning in de molen. Naar het oordeel van de rechtbank doen zich geen feiten en omstandigheden voor op basis waarvan aan [gedaagde] haar wettelijk recht van artikel 4:29 BW moet worden ontzegd. De vraag rijst wel op welk deel van de molen het recht van vruchtgebruik rust. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben immers bezwaar tegen een recht van vruchtgebruik op de B&B en de schuur. Vruchtgebruik B&B 4.7. De rechtbank is van oordeel dat de ruimte waar de B&B wordt geëxploiteerd geen onderdeel uitmaakt van de woning in de mole Het zijn namelijk schulden van de nalatenschap zoals blijkt uit artikel 4:7 lid 1 sub f BW. De rechtbank wijst deze vordering toe. Afwikkeling subsidie 4.15. Ten behoeve van het onderhoud van de molen zijn subsidies verstrekt. [gedaagde] vordert veroordeling van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het correct afwikkelen van de subsidieregeling. Voor het geval [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat niet doen, vordert [gedaagde] dat de rechtbank voor recht verklaard dat een eventuele vordering in verband hiermee ten laste van de nalatenschap komt. Erflater heeft ten behoeve van het onderhoud van de molen subsidies op zijn bankrekening betaald gekregen. Eind 2025 dient de gehele ontvangen subsidie verantwoord te zijn en dat is nu nog niet het geval, aldus [gedaagde] . 4.16. Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] heeft [gedaagde] samen met erflater de subsidie aangevraagd en de gelden ontvangen op de bankrekening. Zij vermoeden dat erflater een groot deel van de werkzaamheden voor het onderhoud van de molen zelf heeft verricht. De accountant heeft bevestigd dat erflater vanuit zijn onderneming facturen zou sturen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn niet bekend met deze constructie en de uitvoering daarvan. Daarentegen, is [gedaagde] degene die alle ins en outs hierover weet, aldus [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . 4.17. De rechtbank wijst de vordering van [gedaagde] af omdat zij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke medewerking zij van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] verlangt om tot een deugdelijke afwikkeling van de subsidie te komen en waarom dit de verantwoordelijkheid van alleen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is. Onderhoud molen 4.18. Verder vordert [gedaagde] dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hun medewerking moeten verlenen aan het noodzakelijk behoud en (groot) onderhoud van de molen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] willen graag de mogelijkheid krijgen om onderhoudswerkzaamheden te kunnen beoordelen alsmede zelf offertes op te kunnen vragen en met elkaar te vergelijken. 4.19. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3:220 lid 1 BW bepaalt dat gewone lasten en herstellingen door de vruchtgebruiker worden gedragen en verricht. Wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn, is de vruchtgebruiker verplicht aan de hoofdgerechtigde van deze noodzakelijkheid kennis te geven en hen de gelegenheid te verschaffen tot het doen van deze herstellingen. De hoofdgerechtigde is echter niet tot het doen van enige herstelling verplicht. De vruchtgebruiker is bevoegd de buitengewone herstellingen voor eigen rekening uit te voeren, maar kan de uitgaven daarvoor niet van de hoofdgerechtigde terugvorderen, tenzij daarover van te voren overleg is gevoerd en behoudens een eventuele vordering uit ongerechtvaardigde verrijking 4.20. De rechtbank is van oordeel dat uit de vordering van [gedaagde] niet blijkt op welke manier [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] medewerking moeten verlenen en voor welk onderhoud zij dat dan moeten doen. Daarnaast komen deze kosten (of een deel daarvan), op grond van artikel 3:220 BW, vanaf het moment van vestiging van het vruchtgebruik voor rekening van [gedaagde] . Verder is ter zitting onduidelijk gebleven waarom moet worden aangesloten bij het Besluit kleine herstellingen, te meer omdat [gedaagde] mede-eigenaar is van de molen. 4.21. Ter zitting heeft [gedaagde] meegedeeld dat de vordering ten aanzien van het instemmen met de offertes kan komen te vervallen. Tijdens het opstellen van de conclusie van antwoord was er spoed bij het herstellen van een lekkage maar uiteindelijk heeft [gedaagde] geen kosten hiervoor gemaakt. Kosten onderhoud/behoud van de molen 4.22. [gedaagde] stelt dat de kosten van het onderhoud/behoud van de molen volledig voor rekening van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dienen te komen voor zover deze kosten vallen onder de subsidieregeling. 4.23. De rechtbank wijst deze vordering af omdat [gedaagde] onvoldoende inzicht heeft gegeven in [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben in de conclusie van antwoord in reconventie betoogd dat zij hun vordering ter zake de verdeling intrekken, indien het vruchtgebruik ex artikel 4:29 BW wordt toegewezen. Dat is het geval. De overige vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden hierna besproken. Opbrengsten B&B 4.31. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat [gedaagde] 80% van de netto-opbrengsten van de B&B aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moet afdragen. De molen en de daarbij behorende B&B zijn voor 80% van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , zodat [gedaagde] voor het gebruik een vergoeding aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moet betalen. 4.32. De rechtbank wijst deze vordering af. Zoals hiervoor onder 4.26 overwogen, was de gang van zaken dat [gedaagde] een factuur aan de onderneming van erflater stuurde voor de werkzaamheden die zij uitvoerde. De gefactureerde bedragen waren gelijk aan het bedrag dat er voor de boeking van de B&B door de gasten werd betaald. Dat erflater en [gedaagde] iets anders hadden afgesproken, blijkt niet uit wat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben aangevoerd. Dat [gedaagde] meer heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft blijkt niet, gelet op dat wat zij mocht facturen, niet. Gebruikers- en eigenaarslasten 4.33. Per datum overlijden worden er gebruikerslasten van de ervenrekening afgeschreven. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat [gedaagde] gehouden is deze lasten, als zijnde de gebruiker, aan de erven te vergoeden. Dit geldt ook voor de eigenaarslasten, in die zin dat partijen een verhouding van 80/20 in het eigendom hebben en [gedaagde] volgens die verdeelsleutel de eigenaarslasten dient te dragen, aldus [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . 4.34. Volgens [gedaagde] hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de eigenaarslasten en de gebruikerslasten niet nader gespecificeerd en dient een algemene veroordeling als gevolg van een gebrek aan onderbouwing te worden afgewezen. 4.35. De rechtbank is van oordeel dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ter zitting inzichtelijk hebben gemaakt om welke bedragen het gaat. De opsomming zoals is opgenomen in de pleitnota komt voor toewijzing in aanmerking. Dat betekent een bedrag van € 1.810,39 inzake de gebruikerslasten en een bedrag van € 424,30 inzake de eigenaarslasten. Echter hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geen veroordeling tot betaling van deze kosten gevorderd. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat [gedaagde] deze bedragen aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zal voldoen. Onderhoudswerkzaamheden 4.36. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat [gedaagde] de onderhoudswerkzaamheden aan de molen slechts zal laten uitvoeren, na overleg en instemming met [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Zij willen in de gelegenheid worden gesteld de werkzaamheden te laten inspecteren en hiertoe zelf ook offertes opvragen omdat zij beschikken over een netwerk van aannemers. 4.37. Zoals in 4.20 en verder is overwogen worden gewone lasten en herstellingen door de vruchtgebruiker gedragen en verricht en wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn, is de vruchtgebruiker verplicht aan de hoofdgerechtigde van deze noodzakelijkheid kennis te geven en hen de gelegenheid te verschaffen tot het doen van deze herstellingen. Uit deze regeling vloeit geen verplichting voor [gedaagde] voort om te overleggen met [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . De rechtbank wijst de vordering af. Administratie subsidieregeling 4.38. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen dat [gedaagde] alle administratie met betrekking tot de subsidieregeling (zie hiervoor onder 4.15) moet overleggen zodat zij de verplichtingen kunnen beoordelen en kwalificeren. Dat weigert [gedaagde] terwijl zij alle ins en outs kent. Het zou onredelijk zijn als [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] daardoor worden geconfronteerd met naheffingen of werkzaamheden moeten verrichten . 4.39. De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Artikel 194 lid 1 van het Wetboek van Burgerlij