Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-01-15
ECLI:NL:RBNHO:2026:411
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zaanstad Zaaknummer: 11610963 \ CV EXPL 25-838 (BvdL) Vonnis van 15 januari 2026 in de zaak van de stichting STICHTING INTERMARIS , te Hoorn, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Intermaris, gemachtigde: Bosveld Beverwijk B.V., tegen 1 [gedaagde 1] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, hierna te noemen: [gedaagde 1] , gemachtigde: mr. E.B. Doganer, 2 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde 2] , gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg. De zaak in het kort In deze zaak vordert een verhuurder betaling van een huurachterstand. De huurders betwisten de huurachterstand niet, zodat deze vordering wordt toegewezen. De kantonrechter heeft de toepasselijke algemene voorwaarden ambtshalve getoetst en oordeelt dat deze oneerlijke bedingen bevatten, zodat deze bedingen worden vernietigd en de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente worden afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties - de conclusie van antwoord met eis in reconventie en producties van [gedaagde 2] - het incidenteel vonnis van 17 juli 2025 - het tussenvonnis van 23 oktober 2025 - de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Intermaris verhuurt met ingang van 6 januari 2010 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning aan het [adres] in [plaats] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 609,56 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. 2.2. Op deze huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden Woningstichting Wherestad versie juli 2009 (hierna: de algemene voorwaarden). 2.3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben (een deel van) de huur niet betaald. Intermaris heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangemaand op 23 december 2024 om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. 3 Het geschil 3.1. In de dagvaarding vorderde Intermaris ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 2.361,91 (de huurachterstand tot en met maart 2025 vermeerderd met € 2,60 voor wettelijke rente en € 221,27 voor buitengerechtelijke incassokosten). Op de zitting heeft Intermaris haar vordering tot ontbinding en ontruiming ingetrokken en de gevorderde huurachterstand vermeerderd, in die zin dat aan huurachterstand tot en met mei 2025 wordt gevorderd een bedrag van € 2.367,20. Intermaris legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst. 3.2. [gedaagde 2] heeft bij antwoord verweer gevoerd, met name tegen de aanvankelijk gevorderde ontbinding en ontruiming, en een tegenvordering ingesteld. Deze tegenvordering heeft [gedaagde 2] op de zitting ingetrokken. [gedaagde 1] heeft op de zitting zijn standpunten naar voren gebracht. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Na de wijziging van eis vordert Intermaris hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van huurachterstand, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De huurachterstand wordt toegewezen zoals gevorderd 4.2. Op de zitting hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet betwist dat er berekend tot en met mei 2025 sprake is van een huurachterstand van € 2.367,20. Ook staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegenover Intermaris hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van de huur. Dat betekent dat ieder van hen kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. De omstandigheid dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afspraken hebben gemaakt over de mate waarin zij in h