Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-02
ECLI:NL:RBNHO:2026:3970
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,030 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3970 text/xml public 2026-04-17T09:04:30 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-02 HAA 25/2515 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3970 text/html public 2026-04-17T09:02:24 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3970 Rechtbank Noord-Holland , 02-04-2026 / HAA 25/2515 HHet beroep van eiseres is niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren zoals vereist in artikel 6:13 van de Awb en dit haar redelijkerwijs kan worden verweten. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2515 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen [B.V. 1] ., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. K. Rahimian), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (gemachtigde: B. Kooij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een geweigerde omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van de begane grond van het perceel dat eiseres huurt. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren zoals vereist in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), en dit haar redelijkerwijs kan worden verweten. Het beroep van eiseres is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. [B.V. 2] , van wie eiseres de ruimte huurt, heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om de begane grond van haar perceel afwijkend van het omgevingsplan te kunnen gebruiken. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 op het bezwaar van [B.V. 2] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 29 oktober 2025 heeft eiseres geantwoord op de vraag van de rechtbank waarom haar niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2024. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres, [naam 1] , de gemachtigde van het college bijgestaan door [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Eiseres is huurder van de ruimte in het pand en exploitant van de daarin gevestigde horecaonderneming ‘ [naam onderneming] ’ aan [adres] in [plaats] . [B.V. 2] is verhuurder en eigenaar van het perceel. Op 29 maart 2024 is door [B.V. 2] een aanvraag voor omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het wijzigen van het gebruik van de begane grond van het perceel naar Horeca-1. Het perceel heeft op grond van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan de bestemming ‘Gemengd-3’, zonder functieaanduiding ‘Horeca-l’. 3.1. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat het toestaan van zelfstandige horeca (‘Horeca-1’) op het perceel in strijd zou zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Staat artikel 6:13 van de Awb aan het beroep van eiseres in de weg? 4. Artikel 6:13 van de Awb luidt: ‘Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.’ 4.1. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2024 waarin de aanvraag van [B.V. 2] werd geweigerd. [B.V. 2] heeft wel bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2024 en op dit bezwaar is in het bestreden besluit beslist. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, nadat [B.V. 2] haar te kennen heeft gegeven zelf geen beroep in te zullen stellen. Eiseres voert aan dat haar niet verweten kan worden dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Zij is altijd in de veronderstelling geweest dat [adres] over een horecabestemming beschikt. Dit gebruik was ook opgenomen in artikel 1.3 van de huurovereenkomst waarin staat dat het gehuurde gebruikt zal worden voor ‘het verkopen en schenken van koffie, voeding en genotsmiddelen’. Toen bleek dat [adres] niet over een horecabestemming beschikte, heeft [B.V. 2] een aanvraag gedaan om het perceel voor horeca te mogen gebruiken. [B.V. 2] heeft ook zelf de bezwaarprocedure tegen de weigering van deze aanvraag gevoerd, maar heeft op 14 mei 2025 per e-mail aan eiseres aangegeven geen beroep te zullen instellen en dat eiseres dat zelf zou moeten doen. Tot dat moment ging eiseres ervanuit dat haar belangen door [B.V. 2] werden vertegenwoordigd. Toen duidelijk werd dat dit niet meer het geval was, heeft eiseres zelf binnen de termijn beroep ingesteld. 4.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het weigeren van de omgevingsvergunning. Het procesverloop biedt geen aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van vereenzelviging of toerekening van het bezwaar van [B.V. 2] aan eiseres. Het is evident dat zowel de aanvraag als het bezwaar alleen in naam van [B.V. 2] zijn gedaan. Zoals bevestigd ter zitting is de aanvraag gedaan door [B.V. 2] en is deze niet mede namens eiseres gedaan. Ook het besluit van 7 juni 2024 is alleen gericht aan [B.V. 2] Dat “ [naam onderneming] ” wordt genoemd in de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag is onvoldoende om vereenzelviging of toerekening te kunnen aannemen. Voor zover eiseres aanvoert dat zij dacht dat haar belangen werden behartigd door [B.V. 2] , kan dit dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden, nu dit uit het vorenstaande niet volgt. 4.3. Vervolgens is de vraag of het redelijkerwijs aan eiseres kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat zij op de hoogte was van de aanvraag door [B.V. 2] , de weigering daarvan en het bezwaar door [B.V. 2] Eiseres had dus zelf bezwaar kunnen maken tegen de afwijzing van de aanvraag. Eiseres heeft beroep ingesteld, omdat [B.V. 2] te kennen had gegeven de procedure niet door te willen zetten. Dit kan niet leiden tot het oordeel dat het eiseres redelijkerwijs niet verweten kan worden dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Te meer omdat eiseres met [B.V. 2] ook tot andere afspraken had kunnen komen teneinde de procedure voort te zetten. Dat eiseres dacht dat haar belangen werden behartigd door [B.V. 2] maakt ook deze beoordeling niet anders. 4.4. Uit het voorgaande volgt dat artikel 6:13 van de Awb aan het beroep van eiseres in de weg staat en dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar beroep. Nu eiseres niet-ontvankelijk is in haar beroep, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3970 text/xml public 2026-04-17T09:04:30 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-02 HAA 25/2515 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3970 text/html public 2026-04-17T09:02:24 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3970 Rechtbank Noord-Holland , 02-04-2026 / HAA 25/2515 HHet beroep van eiseres is niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren zoals vereist in artikel 6:13 van de Awb en dit haar redelijkerwijs kan worden verweten. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2515 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen [B.V. 1] ., uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. K. Rahimian), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (gemachtigde: B. Kooij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een geweigerde omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van de begane grond van het perceel dat eiseres huurt. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit om de omgevingsvergunning te weigeren zoals vereist in artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb), en dit haar redelijkerwijs kan worden verweten. Het beroep van eiseres is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. [B.V. 2] , van wie eiseres de ruimte huurt, heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om de begane grond van haar perceel afwijkend van het omgevingsplan te kunnen gebruiken. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 op het bezwaar van [B.V. 2] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 29 oktober 2025 heeft eiseres geantwoord op de vraag van de rechtbank waarom haar niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2024. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres, [naam 1] , de gemachtigde van het college bijgestaan door [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit 3. Eiseres is huurder van de ruimte in het pand en exploitant van de daarin gevestigde horecaonderneming ‘ [naam onderneming] ’ aan [adres] in [plaats] . [B.V. 2] is verhuurder en eigenaar van het perceel. Op 29 maart 2024 is door [B.V. 2] een aanvraag voor omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van het omgevingsplan ten behoeve van het wijzigen van het gebruik van de begane grond van het perceel naar Horeca-1. Het perceel heeft op grond van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan de bestemming ‘Gemengd-3’, zonder functieaanduiding ‘Horeca-l’. 3.1. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat het toestaan van zelfstandige horeca (‘Horeca-1’) op het perceel in strijd zou zijn met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Staat artikel 6:13 van de Awb aan het beroep van eiseres in de weg? 4. Artikel 6:13 van de Awb luidt: ‘Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.’ 4.1. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2024 waarin de aanvraag van [B.V. 2] werd geweigerd. [B.V. 2] heeft wel bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2024 en op dit bezwaar is in het bestreden besluit beslist. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, nadat [B.V. 2] haar te kennen heeft gegeven zelf geen beroep in te zullen stellen. Eiseres voert aan dat haar niet verweten kan worden dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Zij is altijd in de veronderstelling geweest dat [adres] over een horecabestemming beschikt. Dit gebruik was ook opgenomen in artikel 1.3 van de huurovereenkomst waarin staat dat het gehuurde gebruikt zal worden voor ‘het verkopen en schenken van koffie, voeding en genotsmiddelen’. Toen bleek dat [adres] niet over een horecabestemming beschikte, heeft [B.V. 2] een aanvraag gedaan om het perceel voor horeca te mogen gebruiken. [B.V. 2] heeft ook zelf de bezwaarprocedure tegen de weigering van deze aanvraag gevoerd, maar heeft op 14 mei 2025 per e-mail aan eiseres aangegeven geen beroep te zullen instellen en dat eiseres dat zelf zou moeten doen. Tot dat moment ging eiseres ervanuit dat haar belangen door [B.V. 2] werden vertegenwoordigd. Toen duidelijk werd dat dit niet meer het geval was, heeft eiseres zelf binnen de termijn beroep ingesteld. 4.2. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het weigeren van de omgevingsvergunning. Het procesverloop biedt geen aanknopingspunten om te oordelen dat sprake is van vereenzelviging of toerekening van het bezwaar van [B.V. 2] aan eiseres. Het is evident dat zowel de aanvraag als het bezwaar alleen in naam van [B.V. 2] zijn gedaan. Zoals bevestigd ter zitting is de aanvraag gedaan door [B.V. 2] en is deze niet mede namens eiseres gedaan. Ook het besluit van 7 juni 2024 is alleen gericht aan [B.V. 2] Dat “ [naam onderneming] ” wordt genoemd in de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag is onvoldoende om vereenzelviging of toerekening te kunnen aannemen. Voor zover eiseres aanvoert dat zij dacht dat haar belangen werden behartigd door [B.V. 2] , kan dit dan ook niet tot het door haar gewenste resultaat leiden, nu dit uit het vorenstaande niet volgt. 4.3. Vervolgens is de vraag of het redelijkerwijs aan eiseres kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat zij op de hoogte was van de aanvraag door [B.V. 2] , de weigering daarvan en het bezwaar door [B.V. 2] Eiseres had dus zelf bezwaar kunnen maken tegen de afwijzing van de aanvraag. Eiseres heeft beroep ingesteld, omdat [B.V. 2] te kennen had gegeven de procedure niet door te willen zetten. Dit kan niet leiden tot het oordeel dat het eiseres redelijkerwijs niet verweten kan worden dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Te meer omdat eiseres met [B.V. 2] ook tot andere afspraken had kunnen komen teneinde de procedure voort te zetten. Dat eiseres dacht dat haar belangen werden behartigd door [B.V. 2] maakt ook deze beoordeling niet anders. 4.4. Uit het voorgaande volgt dat artikel 6:13 van de Awb aan het beroep van eiseres in de weg staat en dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar beroep. Nu eiseres niet-ontvankelijk is in haar beroep, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.