Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2026-03-04
ECLI:NL:RBNHO:2026:3857
Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/6784 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak), en Dienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 mei 2024 heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van verweerders eerdere beschikking van 30 november 2022 afgewezen. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 9 september 2024 eisers bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 6 januari 2026 aangegeven dat zij en haar cliënt niet aanwezig zullen zijn bij de zitting. Hierna heeft verweerder per e-mail van 19 januari 2026 te kennen gegeven dat de zaak inhoudelijk kan worden afgedaan zonder zitting. De rechtbank heeft daarom bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen Feiten 1. Eiser is zoon van een gedupeerde van de toeslagenaffaire. 2. Bij besluit van 30 november 2022 heeft verweerder aan eiser bij beschikking ambtshalve een tegemoetkoming toegekend van € 10.000 (het tegemoetkomingsbesluit). De tegemoetkoming is gebaseerd op afdeling 2.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht). Dit wordt de Kindregeling genoemd. 3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het tegemoetkomingsbesluit. Verweerder heeft dit bezwaar op 18 april 2023 ongegrond verklaard. 4. Eiser heeft bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 18 april 2023. De rechtbank heeft op 25 januari 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat is ingediend. 5. Op 1 februari 2024 heeft eiser een herzieningsverzoek ingediend tegen het tegemoetkomingsbesluit. 6. Tot de gedingstukken behoort een e-mail van 25 maart 2024. Daarin vraagt verweerder aan de gemachtigde van eiser of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden (hierna: nova) die na het besluit zijn voorgevallen of feiten en omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet voor dat besluit konden worden aangevoerd. 7. De gemachtigde van eiser reageert hierop in een e-mail van 8 april 2024. Daarin geeft gemachtigde onder meer aan dat er geen sprake is van herzieningsprocedure in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar dat zowel de Wht als artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de mogelijkheid bieden om een herzieningsverzoek in te dienen. Daarvoor hoeven geen nova te worden aangevoerd, aldus de gemachtigde. 8. Op 6 mei 2024 wijst verweerder het herzieningsverzoek af. 9. Eiser maakt op 14 juni 2024 bezwaar tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek. 10. Verweerder verklaart eisers bezwaar op 9 september 2024 ongegrond. Beoordeling van het geschil 11. In geschil is of verweerder het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. 12. Eiser brengt in beroep inhoudelijke standpunten over de Kindregeling naar voren. 13. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of aan de voorwaarden voor een herziening is voldaan. Pas daarna kan zij toekomen aan de inhoudelijke standpunten over de Kindregeling. 14. Daarvoor kijkt de rechtbank naar artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Daarin staat dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan Dienst Toeslagen, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag onder verwijzing naar zijn eerste beschikking worden afgewezen. 15. Eiser, de aanvrager, heeft in het beroepschrift aangevoerd dat de vergoeding op grond van de Kindregeling te laag is, dat het persoonlijk dossier van eisers ouders moet worden verstrekt, dat