Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-09
ECLI:NL:RBNHO:2026:3810
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,300 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3810 text/xml public 2026-04-17T10:10:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-09 C/15/376644 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3810 text/html public 2026-04-17T10:10:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3810 Rechtbank Noord-Holland , 09-04-2026 / C/15/376644 Beschikking over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/376644 / JU RK 26-559 Datum uitspraak: 9 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: - het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 maart 2026 een machtiging verleend [de minderjarige] in het vrijwillig kader gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 9 september 2026. [de minderjarige] verblijft nu in een accommodatie voor jeugdhulp, te weten [een accommodatie voor jeugdhulp] , maar niet gesloten. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4 De beoordeling Uit de informatie die de kinderrechter heeft ontvangen blijkt dat er bij [de minderjarige] sprake is van zorgwekkend harddruggebruik. [de minderjarige] neemt dagelijks diverse soorten harddrugs tot zich. Door haar verslaving brengt zij zich in onveilige situaties, zoals contacten met dealers en loverboys. Eerder dit jaar heeft [de minderjarige] zich seksueel laten misbruiken door een meerderjarige dealer in ruil voor drugs. Ook heeft zij gestolen en schulden gemaakt om zichzelf te voorzien van drugs. Van de machtiging tot gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader van de kinderrechter van 9 maart 2026 is geen gebruik gemaakt. [de minderjarige] verblijft nu bij [een accommodatie voor jeugdhulp] (in een open setting). [de minderjarige] heeft niet willen meewerken aan de intensieve hulpverlening vanuit IHub en stelt momenteel geen behandeling te willen aangaan binnen [een accommodatie voor jeugdhulp] . [de minderjarige] heeft geen enkel ontzag (meer) voor moeder. Zij is zelfbepalend en manipulatief (passend bij verslavingsproblematiek) en zij is eerder veelvuldig weggelopen zowel van huis, maar ook van Joy Living (waar ze eerder verbleef) en van school. [de minderjarige] geeft aan dat het haar niet lukt om uit risicovolle situaties weg te blijven. Door middel van een telefoon heeft [de minderjarige] toegang tot haar zeer onveilige netwerk waarin zij, tot aan haar verblijf bij [een accommodatie voor jeugdhulp] actief wervend is geweest. Als zij behoefte heeft en kans ziet om weer middelen te gebruiken, kan zij in een levensbedreigende situatie komen te verkeren. Vanwege het zelfbepalende en risicovolle gedrag van [de minderjarige] vindt de Raad voor de Kinderbescherming dat de huidige vrijwillige plaatsing bij [een accommodatie voor jeugdhulp] onvoldoende bescherming biedt aan [de minderjarige] . 4.1. De kinderrechter is van oordeel dat gelet op het bovenstaande aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. 4.2. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. 4.3. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van vier weken. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. 4.4. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.5. De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 april 2026 tot 7 mei 2026; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 april 2026 tot 7 mei 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan; 5.5. roept op voor de zitting van mr. N. Cuvelier op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar. Deze beschikking is gegeven door mr. E. Jonker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3810 text/xml public 2026-04-17T10:10:49 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-09 C/15/376644 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3810 text/html public 2026-04-17T10:10:40 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3810 Rechtbank Noord-Holland , 09-04-2026 / C/15/376644 Beschikking over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/376644 / JU RK 26-559 Datum uitspraak: 9 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: - het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 maart 2026 een machtiging verleend [de minderjarige] in het vrijwillig kader gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 9 september 2026. [de minderjarige] verblijft nu in een accommodatie voor jeugdhulp, te weten [een accommodatie voor jeugdhulp] , maar niet gesloten. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4 De beoordeling Uit de informatie die de kinderrechter heeft ontvangen blijkt dat er bij [de minderjarige] sprake is van zorgwekkend harddruggebruik. [de minderjarige] neemt dagelijks diverse soorten harddrugs tot zich. Door haar verslaving brengt zij zich in onveilige situaties, zoals contacten met dealers en loverboys. Eerder dit jaar heeft [de minderjarige] zich seksueel laten misbruiken door een meerderjarige dealer in ruil voor drugs. Ook heeft zij gestolen en schulden gemaakt om zichzelf te voorzien van drugs. Van de machtiging tot gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader van de kinderrechter van 9 maart 2026 is geen gebruik gemaakt. [de minderjarige] verblijft nu bij [een accommodatie voor jeugdhulp] (in een open setting). [de minderjarige] heeft niet willen meewerken aan de intensieve hulpverlening vanuit IHub en stelt momenteel geen behandeling te willen aangaan binnen [een accommodatie voor jeugdhulp] . [de minderjarige] heeft geen enkel ontzag (meer) voor moeder. Zij is zelfbepalend en manipulatief (passend bij verslavingsproblematiek) en zij is eerder veelvuldig weggelopen zowel van huis, maar ook van Joy Living (waar ze eerder verbleef) en van school. [de minderjarige] geeft aan dat het haar niet lukt om uit risicovolle situaties weg te blijven. Door middel van een telefoon heeft [de minderjarige] toegang tot haar zeer onveilige netwerk waarin zij, tot aan haar verblijf bij [een accommodatie voor jeugdhulp] actief wervend is geweest. Als zij behoefte heeft en kans ziet om weer middelen te gebruiken, kan zij in een levensbedreigende situatie komen te verkeren. Vanwege het zelfbepalende en risicovolle gedrag van [de minderjarige] vindt de Raad voor de Kinderbescherming dat de huidige vrijwillige plaatsing bij [een accommodatie voor jeugdhulp] onvoldoende bescherming biedt aan [de minderjarige] . 4.1. De kinderrechter is van oordeel dat gelet op het bovenstaande aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. 4.2. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. 4.3. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van vier weken. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. 4.4. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.5. De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 9 april 2026 tot 7 mei 2026; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 april 2026 tot 7 mei 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan; 5.5. roept op voor de zitting van mr. N. Cuvelier op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar. Deze beschikking is gegeven door mr. E. Jonker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).