Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-11
ECLI:NL:RBNHO:2026:3798
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3798 text/xml public 2026-04-16T16:54:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-11 K/4101/11833346 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3798 text/html public 2026-04-16T16:53:44 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3798 Rechtbank Noord-Holland , 11-03-2026 / K/4101/11833346 Partijen hebben een geldleningsovereenkomst gesloten. Deze zaak gaat over de vraag of het volledige bedrag van de geldlening is afgelost. De kantonrechter oordeelt dat met de betalingen is voldaan aan de renteverplichting en dat daarmee niet op de geldlening is afgelost. Dat een van de hypotheekakte afwijkende afspraak is gemaakt dan wel dat gedaagde op grond van een mededeling van de makelaar er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij geen rente hoefde te betalen, is onvoldoende onderbouwd. Ook het standpunt van gedaagde dat een lagere rente is overeengekomen slaagt niet. De in de hypotheekakte vermelde afspraken, waaronder de hoogte van de rente, zijn duidelijk. De vordering van eiseres wordt daarom toegewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11833346 \ CV EXPL 25-2883 (NE) Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap SVB INVEST B.V. , te Schiphol-Rijk, eisende partij, hierna te noemen: SvB Invest, gemachtigde: S. Baldinger, tegen [gedaagde] te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 31 juli 2025 - de conclusie van antwoord - het tussenvonnis van 1 oktober 2025 - de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft een appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van een parkeerplaats gekocht. Voor de aankoop heeft SvB op 31 oktober 2023 een hypothecaire geldlening verstrekt aan [gedaagde] van € 35.000,00. 2.2. In de hypotheekakte van 31 oktober 2023 staat dat de geldlening is verstrekt voor een tijdsduur die eindigt op 1 augustus 2024 en dat daarvoor een rente is verschuldigd van € 2.400,00 per jaar, te betalen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling, voor het eerst op 28 juli 2023. Ook staat in de hypotheekakte dat [gedaagde] na het einde van de looptijd van de geldlening een rente is verschuldigd van € 4.800,00 per jaar. Verder staat in de hypotheekakte dat aflossing van de hoofdsom in één bedrag bij het einde van de looptijd plaatsvindt. 2.3. Eerder, op 4 augustus 2023 heeft de makelaar van SvB onder andere per e-mail aan [gedaagde] laten weten dat het rentebedrag voor de geldlening € 150,00 per maand is. 2.4. Op 8 november 2023 heeft [gedaagde] per Whatsapp aan de makelaar bericht dat hij er die dag achter is gekomen dat ‘de huur’ € 200,00 per maand is in plaats van € 150,00 per maand en vraagt of daar nog wat aan kan worden gedaan. 2.5. [gedaagde] heeft maandelijks betalingen aan SvB gedaan van € 200,00. 2.6. Op 24 september 2024 heeft SvB aan [gedaagde] laten weten dat de rente wordt verhoogd naar € 400,00 per maand. [gedaagde] heeft daarop geantwoord dat hij nu in de door SvB meegestuurde hypotheekakte de verdubbeling van € 200,00 naar € 400,00 ziet en hij de resterende € 200,00 zal overmaken. Ook heeft [gedaagde] gevraagd of hij nog een half jaar gebruik mag maken van de lening en dat hij dan € 400,00 per maand zal overmaken. Op 27 september 2024 heeft SvB geantwoord dat het geen probleem is om de lening te verlengen tot 31 maart 2025 met een maandelijkse vergoeding van € 400,00. 2.7. Bij het einde van de looptijd van de geldlening heeft [gedaagde] € 29.800,00 betaald aan SvB. 3 Het geschil 3.1. SvB vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.009,46, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 5.200,00, wettelijke rente van € 41,11 en buitengerechtelijke incassokosten van € 768,35 inclusief btw. 3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van SvB, met veroordeling van SvB in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. SvB stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] met de maandelijkse betalingen voldeed aan zijn rentebetalingsverplichting en dat met de betaling van € 29.800,00 aan het einde van de looptijd van de geldlening niet het volledige bedrag van de geldlening is afgelost. [gedaagde] betwist dat hij niet heeft voldaan aan zijn volledige betalingsverplichting. Volgens [gedaagde] heeft hij maandelijks afgelost op de geldlening en heeft hij het resteerde bedrag bij het einde van de looptijd van de geldlening betaald. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] maandelijkse betalingen van eerst € 200,00 en na een jaar van € 400,00 heeft gedaan aan SvB. Deze bedragen komen overeen met de in de hypotheekakte vermelde rentebedragen per maand. [gedaagde] stelt dat dit aflossingen waren en baseert dat op een telefonische mededeling van de makelaar van SvB dat ‘het geld toch naar hem toe zou komen’. Dit telefoongesprek, dat wordt betwist door SvB, zou hebben plaatsgevonden nadat [gedaagde] op 8 november 2023 aan de makelaar liet weten dat hij dacht dat een rente van € 150,00 per maand was overeengekomen maar er die dag achter was gekomen dat hij € 200,00 per maand aan rente moest betalen. De kantonrechter volgt het verweer van [gedaagde] niet en licht dit als volgt toe. 4.3. Met zijn bericht van 8 november 2023 heeft [gedaagde] weliswaar onderbouwd dat hij ten onrechte uitging van een rente van € 150,00 per maand, maar in de overgelegde stukken ontbreekt een aanknopingspunt voor zijn standpunt dat de makelaar tegen hem heeft gezegd dat het geld toch naar hem toekwam. Echter, ook als de makelaar deze mededeling aan [gedaagde] heeft gedaan, kon [gedaagde] daar naar het oordeel van de kantonrechter niet gerechtvaardigd uit afleiden dat hij geen rente hoefde te betalen. Dat staat niet alleen volledig haaks op de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in de hypotheekakte, maar ook op de e-mail van 4 augustus 2023 van de makelaar waarin eveneens staat dat [gedaagde] voor de geldlening een rentebedrag moet betalen. Het is ook niet logisch dat de makelaar met die mededeling zou hebben bedoeld dat [gedaagde] helemaal geen rente (meer) hoefde te betalen. Daarbij komt dat als [gedaagde] daadwerkelijk ervan uitging dat hij geen rente hoefde te betalen, hij dat ook kenbaar had gemaakt toen SvB op 24 en 27 september 2024 aan hem liet weten dat de rente conform de hypotheekakte was verhoogd naar € 400,00. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Dat een van de hypotheekakte afwijkende afspraak is gemaakt dan wel dat [gedaagde] op grond van een mededeling van de makelaar er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij geen rente hoefde te betalen, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Aan dat verweer wordt daarom voorbij gegaan. 4.4. [gedaagde] stelt zich ook op het standpunt dat een rentebedrag van € 150,00 per maand is overeengekomen in plaats van € 200,00. Volgens SvB daarentegen was de e-mail van de makelaar waarop [gedaagde] zicht beroept een indicatie van de rente en geen bindende afspraak en kan [gedaagde] daaraan geen rechten ontlenen. Ook als na de e-mail van de makelaar van 4 augustus 2023 geen communicatie is geweest over een hoger rentebedrag, wat wordt betwist door SvB, geldt dat [gedaagde] akkoord is gegaan met de inhoud van de hypotheekakte. [gedaagde] heeft volgens SvB de concept hypotheekakte op een eerder moment ontvangen en gelegenheid gehad deze door te nemen. [gedaagde] schrijft ook in een Whatsappbericht aan de makelaar dat hij er naar zal kijken en als hij vragen heeft, hij deze zal mailen. Daarna heeft de notaris de inhoud van de hypotheekakte met [gedaagde] besproken en daarbij de rentebedragen genoemd, aldus steeds SvB. Dat alles heeft [gedaagde] niet weersproken.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3798 text/xml public 2026-04-16T16:54:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-11 K/4101/11833346 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3798 text/html public 2026-04-16T16:53:44 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3798 Rechtbank Noord-Holland , 11-03-2026 / K/4101/11833346 Partijen hebben een geldleningsovereenkomst gesloten. Deze zaak gaat over de vraag of het volledige bedrag van de geldlening is afgelost. De kantonrechter oordeelt dat met de betalingen is voldaan aan de renteverplichting en dat daarmee niet op de geldlening is afgelost. Dat een van de hypotheekakte afwijkende afspraak is gemaakt dan wel dat gedaagde op grond van een mededeling van de makelaar er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij geen rente hoefde te betalen, is onvoldoende onderbouwd. Ook het standpunt van gedaagde dat een lagere rente is overeengekomen slaagt niet. De in de hypotheekakte vermelde afspraken, waaronder de hoogte van de rente, zijn duidelijk. De vordering van eiseres wordt daarom toegewezen. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: 11833346 \ CV EXPL 25-2883 (NE) Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap SVB INVEST B.V. , te Schiphol-Rijk, eisende partij, hierna te noemen: SvB Invest, gemachtigde: S. Baldinger, tegen [gedaagde] te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 31 juli 2025 - de conclusie van antwoord - het tussenvonnis van 1 oktober 2025 - de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] heeft een appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van een parkeerplaats gekocht. Voor de aankoop heeft SvB op 31 oktober 2023 een hypothecaire geldlening verstrekt aan [gedaagde] van € 35.000,00. 2.2. In de hypotheekakte van 31 oktober 2023 staat dat de geldlening is verstrekt voor een tijdsduur die eindigt op 1 augustus 2024 en dat daarvoor een rente is verschuldigd van € 2.400,00 per jaar, te betalen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling, voor het eerst op 28 juli 2023. Ook staat in de hypotheekakte dat [gedaagde] na het einde van de looptijd van de geldlening een rente is verschuldigd van € 4.800,00 per jaar. Verder staat in de hypotheekakte dat aflossing van de hoofdsom in één bedrag bij het einde van de looptijd plaatsvindt. 2.3. Eerder, op 4 augustus 2023 heeft de makelaar van SvB onder andere per e-mail aan [gedaagde] laten weten dat het rentebedrag voor de geldlening € 150,00 per maand is. 2.4. Op 8 november 2023 heeft [gedaagde] per Whatsapp aan de makelaar bericht dat hij er die dag achter is gekomen dat ‘de huur’ € 200,00 per maand is in plaats van € 150,00 per maand en vraagt of daar nog wat aan kan worden gedaan. 2.5. [gedaagde] heeft maandelijks betalingen aan SvB gedaan van € 200,00. 2.6. Op 24 september 2024 heeft SvB aan [gedaagde] laten weten dat de rente wordt verhoogd naar € 400,00 per maand. [gedaagde] heeft daarop geantwoord dat hij nu in de door SvB meegestuurde hypotheekakte de verdubbeling van € 200,00 naar € 400,00 ziet en hij de resterende € 200,00 zal overmaken. Ook heeft [gedaagde] gevraagd of hij nog een half jaar gebruik mag maken van de lening en dat hij dan € 400,00 per maand zal overmaken. Op 27 september 2024 heeft SvB geantwoord dat het geen probleem is om de lening te verlengen tot 31 maart 2025 met een maandelijkse vergoeding van € 400,00. 2.7. Bij het einde van de looptijd van de geldlening heeft [gedaagde] € 29.800,00 betaald aan SvB. 3 Het geschil 3.1. SvB vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.009,46, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 5.200,00, wettelijke rente van € 41,11 en buitengerechtelijke incassokosten van € 768,35 inclusief btw. 3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van SvB, met veroordeling van SvB in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. SvB stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] met de maandelijkse betalingen voldeed aan zijn rentebetalingsverplichting en dat met de betaling van € 29.800,00 aan het einde van de looptijd van de geldlening niet het volledige bedrag van de geldlening is afgelost. [gedaagde] betwist dat hij niet heeft voldaan aan zijn volledige betalingsverplichting. Volgens [gedaagde] heeft hij maandelijks afgelost op de geldlening en heeft hij het resteerde bedrag bij het einde van de looptijd van de geldlening betaald. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] maandelijkse betalingen van eerst € 200,00 en na een jaar van € 400,00 heeft gedaan aan SvB. Deze bedragen komen overeen met de in de hypotheekakte vermelde rentebedragen per maand. [gedaagde] stelt dat dit aflossingen waren en baseert dat op een telefonische mededeling van de makelaar van SvB dat ‘het geld toch naar hem toe zou komen’. Dit telefoongesprek, dat wordt betwist door SvB, zou hebben plaatsgevonden nadat [gedaagde] op 8 november 2023 aan de makelaar liet weten dat hij dacht dat een rente van € 150,00 per maand was overeengekomen maar er die dag achter was gekomen dat hij € 200,00 per maand aan rente moest betalen. De kantonrechter volgt het verweer van [gedaagde] niet en licht dit als volgt toe. 4.3. Met zijn bericht van 8 november 2023 heeft [gedaagde] weliswaar onderbouwd dat hij ten onrechte uitging van een rente van € 150,00 per maand, maar in de overgelegde stukken ontbreekt een aanknopingspunt voor zijn standpunt dat de makelaar tegen hem heeft gezegd dat het geld toch naar hem toekwam. Echter, ook als de makelaar deze mededeling aan [gedaagde] heeft gedaan, kon [gedaagde] daar naar het oordeel van de kantonrechter niet gerechtvaardigd uit afleiden dat hij geen rente hoefde te betalen. Dat staat niet alleen volledig haaks op de tussen partijen gemaakte afspraken, zoals vastgelegd in de hypotheekakte, maar ook op de e-mail van 4 augustus 2023 van de makelaar waarin eveneens staat dat [gedaagde] voor de geldlening een rentebedrag moet betalen. Het is ook niet logisch dat de makelaar met die mededeling zou hebben bedoeld dat [gedaagde] helemaal geen rente (meer) hoefde te betalen. Daarbij komt dat als [gedaagde] daadwerkelijk ervan uitging dat hij geen rente hoefde te betalen, hij dat ook kenbaar had gemaakt toen SvB op 24 en 27 september 2024 aan hem liet weten dat de rente conform de hypotheekakte was verhoogd naar € 400,00. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Dat een van de hypotheekakte afwijkende afspraak is gemaakt dan wel dat [gedaagde] op grond van een mededeling van de makelaar er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij geen rente hoefde te betalen, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Aan dat verweer wordt daarom voorbij gegaan. 4.4. [gedaagde] stelt zich ook op het standpunt dat een rentebedrag van € 150,00 per maand is overeengekomen in plaats van € 200,00. Volgens SvB daarentegen was de e-mail van de makelaar waarop [gedaagde] zicht beroept een indicatie van de rente en geen bindende afspraak en kan [gedaagde] daaraan geen rechten ontlenen. Ook als na de e-mail van de makelaar van 4 augustus 2023 geen communicatie is geweest over een hoger rentebedrag, wat wordt betwist door SvB, geldt dat [gedaagde] akkoord is gegaan met de inhoud van de hypotheekakte. [gedaagde] heeft volgens SvB de concept hypotheekakte op een eerder moment ontvangen en gelegenheid gehad deze door te nemen. [gedaagde] schrijft ook in een Whatsappbericht aan de makelaar dat hij er naar zal kijken en als hij vragen heeft, hij deze zal mailen. Daarna heeft de notaris de inhoud van de hypotheekakte met [gedaagde] besproken en daarbij de rentebedragen genoemd, aldus steeds SvB. Dat alles heeft [gedaagde] niet weersproken.