Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-07
ECLI:NL:RBNHO:2026:3728
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,591 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3728 text/xml public 2026-04-15T11:52:19 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-07 C/15/376561 / JU RK 26-550 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3728 text/html public 2026-04-15T11:51:46 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3728 Rechtbank Noord-Holland , 07-04-2026 / C/15/376561 / JU RK 26-550 Voorlopige ondertoezichtstelling en spoeduithuisplaatsing. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/376561 / JU RK 26-550 Datum uitspraak: 7 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Haarlem, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam , hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam. 1 Het verloop van de procedure De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: het mondelinge verzoek van de Raad op 7 april 2026; de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.2. [de minderjarige] woont bij haar ouders. 3 Het verzoek De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter heeft de volgende informatie, mondeling ontvangen op 7 april 2026. Op 3 april 2026 kwam er een melding van Veilig Thuis (VT) dat [de minderjarige] letsel in haar nek heeft door verwurging. [de minderjarige] heeft aangegeven dat haar vader dit heeft gedaan, omdat zij in bed lag met een jongen en make-up droeg. Zij heeft toen gezegd dat ze door haar vader zou worden vermoord. [de minderjarige] is forensisch onderzocht en er is vastgesteld dat het letsel toegebracht is. [de minderjarige] heeft bij VT in detail verteld over de verwurging door haar vader. De politie heeft een vermoeden van eergerelateerd geweld. De vader is aangehouden door de politie. De vader heeft erkend dat hij [de minderjarige] heeft geslagen en verder een beroep op zijn zwijgrecht gedaan. Hij heeft een contactverbod van 90 dagen voor [de minderjarige] gekregen en is inmiddels teruggekeerd naar huis. [de minderjarige] is tot 7 april 2026 op een noodbed van Levvel geplaatst, waartegen de ouders zich niet hebben verzet. In het weekend is er contact tussen [de minderjarige] en haar moeder geweest. [de minderjarige] gaf van tevoren aan dat zij dat eigenlijk niet wilde, omdat ze bang was dat ze zich dan zou laten overhalen om weer terug naar huis of naar haar oma van vaderszijde (hierna: vz) te gaan. Het contact is er wel geweest en daarna kwam [de minderjarige] inderdaad terug op haar verhaal en gaf aan naar huis terug te willen of naar haar oma (vz). De Raad vindt het niet veilig voor [de minderjarige] om naar huis terug te gaan vanwege het vermoeden van eergerelateerd geweld door de vader. Ook de plek bij oma (vz) is niet veilig voor [de minderjarige] , omdat opa (vz) eerder geweld heeft gebruikt tegen het gezin van [de minderjarige] . De ouders van [de minderjarige] stemmen niet meer in met het noodbed voor [de minderjarige] . 4.2. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen, de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en nader onderzoek te doen naar de thuissituatie van [de minderjarige] . 4.3. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, alsmede haar veiligheid, dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. 4.4. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. 4.5. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.6. De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde zitting. [de minderjarige] zal opgeroepen worden voor een kindgesprek om haar in de gelegenheid te stellen haar mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 7 april 2026 tot 7 juli 2026; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 april 2026 tot 5 mei 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan; 5.5. roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. M.C.A. Onderwater op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem; 5.6. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting; 5.7. vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. S. Ok, kinderrechter op 8 april 2026 in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:257 Burgerlijk Wetboek. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3728 text/xml public 2026-04-15T11:52:19 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-07 C/15/376561 / JU RK 26-550 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3728 text/html public 2026-04-15T11:51:46 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3728 Rechtbank Noord-Holland , 07-04-2026 / C/15/376561 / JU RK 26-550 Voorlopige ondertoezichtstelling en spoeduithuisplaatsing. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/376561 / JU RK 26-550 Datum uitspraak: 7 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Haarlem, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] , de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam , hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam. 1 Het verloop van de procedure De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: het mondelinge verzoek van de Raad op 7 april 2026; de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.2. [de minderjarige] woont bij haar ouders. 3 Het verzoek De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter heeft de volgende informatie, mondeling ontvangen op 7 april 2026. Op 3 april 2026 kwam er een melding van Veilig Thuis (VT) dat [de minderjarige] letsel in haar nek heeft door verwurging. [de minderjarige] heeft aangegeven dat haar vader dit heeft gedaan, omdat zij in bed lag met een jongen en make-up droeg. Zij heeft toen gezegd dat ze door haar vader zou worden vermoord. [de minderjarige] is forensisch onderzocht en er is vastgesteld dat het letsel toegebracht is. [de minderjarige] heeft bij VT in detail verteld over de verwurging door haar vader. De politie heeft een vermoeden van eergerelateerd geweld. De vader is aangehouden door de politie. De vader heeft erkend dat hij [de minderjarige] heeft geslagen en verder een beroep op zijn zwijgrecht gedaan. Hij heeft een contactverbod van 90 dagen voor [de minderjarige] gekregen en is inmiddels teruggekeerd naar huis. [de minderjarige] is tot 7 april 2026 op een noodbed van Levvel geplaatst, waartegen de ouders zich niet hebben verzet. In het weekend is er contact tussen [de minderjarige] en haar moeder geweest. [de minderjarige] gaf van tevoren aan dat zij dat eigenlijk niet wilde, omdat ze bang was dat ze zich dan zou laten overhalen om weer terug naar huis of naar haar oma van vaderszijde (hierna: vz) te gaan. Het contact is er wel geweest en daarna kwam [de minderjarige] inderdaad terug op haar verhaal en gaf aan naar huis terug te willen of naar haar oma (vz). De Raad vindt het niet veilig voor [de minderjarige] om naar huis terug te gaan vanwege het vermoeden van eergerelateerd geweld door de vader. Ook de plek bij oma (vz) is niet veilig voor [de minderjarige] , omdat opa (vz) eerder geweld heeft gebruikt tegen het gezin van [de minderjarige] . De ouders van [de minderjarige] stemmen niet meer in met het noodbed voor [de minderjarige] . 4.2. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen, de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en nader onderzoek te doen naar de thuissituatie van [de minderjarige] . 4.3. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, alsmede haar veiligheid, dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. 4.4. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. 4.5. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.6. De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde zitting. [de minderjarige] zal opgeroepen worden voor een kindgesprek om haar in de gelegenheid te stellen haar mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 7 april 2026 tot 7 juli 2026; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 7 april 2026 tot 5 mei 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan; 5.5. roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. M.C.A. Onderwater op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem; 5.6. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting; 5.7. vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, en op schrift gesteld en ondertekend door mr. S. Ok, kinderrechter op 8 april 2026 in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:257 Burgerlijk Wetboek. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.