Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-04-02
ECLI:NL:RBNHO:2026:3530
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,087 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3530 text/xml public 2026-04-17T10:37:49 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-02 C/15/376424 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3530 text/html public 2026-04-17T10:37:23 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3530 Rechtbank Noord-Holland , 02-04-2026 / C/15/376424 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging uithuisplaatsing. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/376424 / JU RK 26-532 Datum uitspraak: 2 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] . De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam , hierna te noemen: de GI. 1 Het verloop van de procedure De kinderrechter neemt mee in de beoordeling het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026. 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van 29 oktober 2025 van deze rechtbank heeft de rechtbank bepaalt dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over [de minderjarige] . 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing, voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De Raad is door de rechtbank in de beschikking van 29 oktober 2025 verzocht om onderzoek te doen naar – en de rechtbank te adviseren over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats. De Raad heeft op 17 februari 2026 een rapport uitgebracht, waarbij de Raad de rechtbank onder andere adviseert om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te bepalen bij de vader en ook heeft verzocht om [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen. 4.2. De Raad heeft hierna een spoedonderzoek verricht naar aanleiding van een spoedmelding van de GI van 1 april 2026. Op 26 maart heeft er, volgens [de minderjarige] en de moeder, een incident voorgedaan tussen [de minderjarige] en de vader. De moeder zag op vrijdag 27 maart na school twee blauwe plekken op de keel van [de minderjarige] . [de minderjarige] gaf aan dat deze plekken zouden zijn ontstaan doordat de vader haar de avond ervoor (26 maart) zou hebben geknepen bij haar keel. Naar aanleiding hiervan heeft de moeder besloten [de minderjarige] niet terug te laten gaan naar de vader. Met toestemming van de vader heeft [de minderjarige] die nacht bij de moeder verbleven. Er is een Top tot Teen onderzoek uitgevoerd, waarbij (los van een krasje bij haar elleboog) naast de blauwe plekken in haar nek/keel verder geen bijzonderheden naar voren kwamen. Ook geen sporen van seksueel geweld. De arts heeft wel een VT-melding gedaan. De vader geeft aan dat hij niet instemt met een langer verblijf van [de minderjarige] bij de moeder en wil dat zij terugkeert naar hem. 4.3. De acute en ernstige bedreiging voor [de minderjarige] bestaat uit verschillende risico’s. Een risico is de mogelijke mishandeling van [de minderjarige] door de vader, gelet op de beschuldigingen van [de minderjarige] en de moeder en de geconstateerde blauwe plekken bij [de minderjarige] . Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen dat het daadwerkelijk de vader is geweest die de blauwe plekken bij [de minderjarige] heeft veroorzaakt. Daarbij komt dat [de minderjarige] eerder ook de moeder heeft beschuldigd van mishandeling, wat zij volgens de moeder later weer heeft ingetrokken. Uit het verzoek van de Raad blijkt dat de huidige problematiek en de uitspraken van [de minderjarige] over mishandeling mogelijk passen binnen het patroon dat is ontstaan binnen de complexe scheidingssituatie van de ouders, waarbij sprake is (geweest) van conflicten over en weer en over het hoofd van [de minderjarige] heen. 4.4. Tevens vormt een risico dat de moeder zich niet meer houdt aan de (in samenwerking met de GI in vrijwillig kader) afgesproken regeling voor de omgang en [de minderjarige] bij de vader weghoudt met als gevolg dat er een risico is dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict terecht komt, of al terecht is gekomen, waarbij zij een kant moet kiezen. Het uitblijven van contact tussen [de minderjarige] en de vader vormt een risico voor blijvend contactverlies tussen de vader en [de minderjarige] en haar identiteitsontwikkeling. 4.5. De kinderrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. 4.6. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst bij de vader. De moeder heeft momenteel geen vaste verblijfplaats, wat maakt dat zij [de minderjarige] op dit moment niet de benodigde rust, voorspelbaarheid en veiligheid kan bieden. De vader kan [de minderjarige] nu de meeste stabiliteit bieden en hij staat open voor directe inzet van hulpverlening. Vanuit de thuissituatie bij de vader kan verder worden gewerkt aan stabiliteit en kunnen contactmomenten met de moeder worden voortgezet. De GI zal een crisisinterventie inzetten met Bureau Mars om met intensief toezicht, en tijdens de eerste dagen (totdat [de minderjarige] weer naar school gaat na het Paasweekend) een vierogenprincipe, zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de vader thuis en zo ook op eventueel sprake is (geweest) van mishandeling van [de minderjarige] . De vader heeft toegezegd hieraan te zullen meewerken maar de moeder heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan dit plan. 4.7. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader voor de duur van vier weken. 4.8. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.9. De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 2 april 2026 tot 2 juli 2026; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met ingang van 2 april 2026 tot 30 april 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting; 5.5. bepaalt dat de griffier de Raad, de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] tijdig op te roepen voor de zitting. Deze beschikking is gegeven door mr. J. Lintjer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3530 text/xml public 2026-04-17T10:37:49 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-02 C/15/376424 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3530 text/html public 2026-04-17T10:37:23 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3530 Rechtbank Noord-Holland , 02-04-2026 / C/15/376424 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging uithuisplaatsing. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Haarlem Zaaknummer: C/15/376424 / JU RK 26-532 Datum uitspraak: 2 april 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] , [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] . De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam , hierna te noemen: de GI. 1 Het verloop van de procedure De kinderrechter neemt mee in de beoordeling het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026. 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van 29 oktober 2025 van deze rechtbank heeft de rechtbank bepaalt dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over [de minderjarige] . 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing, voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4 De beoordeling 4.1. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De Raad is door de rechtbank in de beschikking van 29 oktober 2025 verzocht om onderzoek te doen naar – en de rechtbank te adviseren over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de hoofdverblijfplaats. De Raad heeft op 17 februari 2026 een rapport uitgebracht, waarbij de Raad de rechtbank onder andere adviseert om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te bepalen bij de vader en ook heeft verzocht om [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen. 4.2. De Raad heeft hierna een spoedonderzoek verricht naar aanleiding van een spoedmelding van de GI van 1 april 2026. Op 26 maart heeft er, volgens [de minderjarige] en de moeder, een incident voorgedaan tussen [de minderjarige] en de vader. De moeder zag op vrijdag 27 maart na school twee blauwe plekken op de keel van [de minderjarige] . [de minderjarige] gaf aan dat deze plekken zouden zijn ontstaan doordat de vader haar de avond ervoor (26 maart) zou hebben geknepen bij haar keel. Naar aanleiding hiervan heeft de moeder besloten [de minderjarige] niet terug te laten gaan naar de vader. Met toestemming van de vader heeft [de minderjarige] die nacht bij de moeder verbleven. Er is een Top tot Teen onderzoek uitgevoerd, waarbij (los van een krasje bij haar elleboog) naast de blauwe plekken in haar nek/keel verder geen bijzonderheden naar voren kwamen. Ook geen sporen van seksueel geweld. De arts heeft wel een VT-melding gedaan. De vader geeft aan dat hij niet instemt met een langer verblijf van [de minderjarige] bij de moeder en wil dat zij terugkeert naar hem. 4.3. De acute en ernstige bedreiging voor [de minderjarige] bestaat uit verschillende risico’s. Een risico is de mogelijke mishandeling van [de minderjarige] door de vader, gelet op de beschuldigingen van [de minderjarige] en de moeder en de geconstateerde blauwe plekken bij [de minderjarige] . Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen dat het daadwerkelijk de vader is geweest die de blauwe plekken bij [de minderjarige] heeft veroorzaakt. Daarbij komt dat [de minderjarige] eerder ook de moeder heeft beschuldigd van mishandeling, wat zij volgens de moeder later weer heeft ingetrokken. Uit het verzoek van de Raad blijkt dat de huidige problematiek en de uitspraken van [de minderjarige] over mishandeling mogelijk passen binnen het patroon dat is ontstaan binnen de complexe scheidingssituatie van de ouders, waarbij sprake is (geweest) van conflicten over en weer en over het hoofd van [de minderjarige] heen. 4.4. Tevens vormt een risico dat de moeder zich niet meer houdt aan de (in samenwerking met de GI in vrijwillig kader) afgesproken regeling voor de omgang en [de minderjarige] bij de vader weghoudt met als gevolg dat er een risico is dat [de minderjarige] in een loyaliteitsconflict terecht komt, of al terecht is gekomen, waarbij zij een kant moet kiezen. Het uitblijven van contact tussen [de minderjarige] en de vader vormt een risico voor blijvend contactverlies tussen de vader en [de minderjarige] en haar identiteitsontwikkeling. 4.5. De kinderrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. 4.6. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst bij de vader. De moeder heeft momenteel geen vaste verblijfplaats, wat maakt dat zij [de minderjarige] op dit moment niet de benodigde rust, voorspelbaarheid en veiligheid kan bieden. De vader kan [de minderjarige] nu de meeste stabiliteit bieden en hij staat open voor directe inzet van hulpverlening. Vanuit de thuissituatie bij de vader kan verder worden gewerkt aan stabiliteit en kunnen contactmomenten met de moeder worden voortgezet. De GI zal een crisisinterventie inzetten met Bureau Mars om met intensief toezicht, en tijdens de eerste dagen (totdat [de minderjarige] weer naar school gaat na het Paasweekend) een vierogenprincipe, zicht te krijgen op de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de vader thuis en zo ook op eventueel sprake is (geweest) van mishandeling van [de minderjarige] . De vader heeft toegezegd hieraan te zullen meewerken maar de moeder heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan dit plan. 4.7. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader voor de duur van vier weken. 4.8. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.9. De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5 De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 2 april 2026 tot 2 juli 2026; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader met ingang van 2 april 2026 tot 30 april 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting; 5.5. bepaalt dat de griffier de Raad, de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] tijdig op te roepen voor de zitting. Deze beschikking is gegeven door mr. J. Lintjer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.