Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-18
ECLI:NL:RBNHO:2026:3137
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,250 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:3137 text/xml public 2026-04-09T11:57:19 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-18 11895468 \ CV EXPL 25-6403 Uitspraak Bodemzaak NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3137 text/html public 2026-04-09T11:56:53 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3137 Rechtbank Noord-Holland , 18-03-2026 / 11895468 \ CV EXPL 25-6403 Bekrassing auto door buurman. Camerabeelden. Geen vervolging door het OM en artikel 12 Sv-beklag afgewezen. In deze civiele procedure is de bekrassing wel komen vast te staan. Schadevergoeding. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11895468 \ CV EXPL 25-6403 Vonnis van 18 maart 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. R.P. Groot, tegen [gedaagde] , te [plaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: [gemachtigde]. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - het tussenvonnis van 3 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de akte aanvullende producties van [eiser] - de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarop [gedaagde] niet in persoon is verschenen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser] en [gedaagde] zijn overburen en leven al enige tijd in onmin met elkaar. 2.2. [eiser] heeft aangifte gedaan van vernieling tegen [gedaagde], die de auto van [eiser] op 28 juli 2023 zou hebben bekrast. Op camerabeelden is te zien dat [gedaagde], vlak voordat hij langs de auto van [eiser] rijdt, zijn linkerarm uit de zijruit aan de bestuurderskant van zijn auto steekt. Niet te zien is of [gedaagde] iets vasthoudt (afbeelding 1). AFBEELDING 1 Terwijl [gedaagde] de auto van [eiser] passeert, vermindert hij zijn snelheid. Vlak na het passeren van de auto, bevindt de hand van [gedaagde] zich ter hoogte van het zijknipperlicht van zijn auto (afbeelding 2). AFBEELDING 2 Vervolgens doet [gedaagde] zijn arm weer naar binnen (afbeelding 3). AFBEELDING 3 2.3. De officier van justitie heeft de zaak geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Het gerechtshof Amsterdam heeft het daaropvolgende artikel 12 Sv-beklag van [eiser] bij beschikking van 25 juli 2024 afgewezen. Het gerechtshof heeft het volgende overwogen: “ Hoewel de hiervoor omgeschreven camerabeelden beslist te denken geven, valt niet te verwachten dat deze de aangifte in voldoende mate ondersteunen om tot veroordeling van beklaagde wegens vernieling te komen. Op grond van de enkele waarneming dat beklaagde bij het passeren van klagers auto zijn arm uit het portierraam steekt kan immers niet worden vastgesteld dat beklaagde de auto van klager heeft bekrast. Aanknopingspunten voor relevant nader onderzoek waaruit alsnog voldoende steunbewijs zou kunnen voortkomen, ontbreken. ” 2.4. [eiser] heeft foto’s gemaakt van twee krassen aan de linkerachterzijde van zijn auto. [bedrijf] [plaats] heeft de herstelkosten op 29 januari 2024 berekend op € 1.100,01 (onder andere spuitkosten aan een stootlijst, portier en zijpaneel). Op navraag van de gemachtigde van [gedaagde] heeft mevrouw [betrokkene] van [bedrijf] [plaats] verklaard dat “ het zou gaan om een achter schade, dan zou er iemand achterop zijn gereden .” [betrokkene] heeft later aan [eiser] verklaard: “ De schade aan de auto gaat om LINKS ACHTER, per abuis is er alleen ACHTER verstuurd ” 2.5. [eiser] heeft de auto niet laten herstellen. Kort na het onderzoek van [bedrijf] [plaats] heeft [eiser] de auto ingeruild. 2.6. Op camerabeelden van 27 mei 2024 is wederom te zien dat [gedaagde] zijn arm vlak voor het passeren van de auto van [eiser] uit de zijruit steekt en direct daarna weer naar binnen doet. [eiser] heeft die dag geen schade aangetroffen aan de auto. 2.7. [gedaagde] is op 24 maart 2025 strafrechtelijk veroordeeld voor het bekrassen van de (nieuwe) leenauto van [eiser] op 2 maart 2024. Aan [gedaagde] is een geldboete van € 425,00 opgelegd. [gedaagde] heeft geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. 2.8. De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 2 juni 2025 en 30 juni 2025 aangemaand om de schade van [eiser] binnen vijftien dagen te vergoeden. Tekst Tekst Tekst 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.358,01, vermeerderd met rente vanaf 18 juni 2025 en kosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door de auto van [eiser] te bekrassen. De auto is daardoor minder waard geworden. Deze waardevermindering moet worden begroot op de herstelkosten (€ 1.100,01). [eiser] vordert verder vergoeding van de kosten van de offerte (€ 99,00) en de eigen bijdrage in de advocaatkosten van de strafrechtelijke procedure (€ 159,00). 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4. [gedaagde] voert het volgende aan. Hij betwist dat hij de auto van [eiser] op 28 juli 2023 heeft bekrast. [eiser] heeft bovendien in strijd met de waarheidsplicht gehandeld door in de dagvaarding te verzwijgen dat geen herstel van de auto heeft plaatsgevonden en door de offerte in te brengen, terwijl [betrokkene] van [bedrijf] [plaats] heeft verklaard dat het gaat om schade aan de achterzijde van de auto en niet aan de linkerachterzijde. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Bekrassing 4.1. Beoordeeld moet worden of is komen vast te staan dat [gedaagde] de auto van [eiser] op 28 juli 2023 heeft bekrast. Dat de officier van justitie en het gerechtshof Amsterdam tot de conclusie zijn gekomen dat er onvoldoende bewijs is voor een strafrechtelijke veroordeling, betekent niet dat de bekrassing ook in deze civiele procedure niet kan komen vast te staan. De strafrechter gaat namelijk uit van een strengere bewijswaarderingsmaatstaf dan de civiele rechter. De strafrechter moet overtuigd zijn dat een feit is begaan. In het civiele recht wordt algemeen aangenomen dat een redelijke mate van zekerheid voldoende is. In deze procedure is bovendien nieuwe informatie ingebracht die de officier van justitie en het gerechtshof Amsterdam niet hebben betrokken in hun bewijsafweging. 4.2. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft betwist dat hij de auto van [eiser] op 28 juli 2023 heeft bekrast. Op de camerabeelden van 28 juli 2023 is de bekrassing zelf weliswaar niet te zien, maar de waarneembare gedragingen van [gedaagde] leveren wel het vermoeden op dat hij een poging deed om de auto van [eiser] te bekrassen. Deze ongebruikelijke gedragingen vragen om een verklaring, zeker omdat op de camerabeelden van 27 mei 2024 grotendeels hetzelfde te zien is. Die verklaring heeft [gedaagde] – die niet in persoon op de mondelinge behandeling is verschenen – niet gegeven. 4.3. [gedaagde] is bovendien strafrechtelijk veroordeeld voor het bekrassen van de leenauto van [eiser] op 2 maart 2024. [gedaagde] is het oneens met deze veroordeling, maar het in kracht van gewijsde gegane strafvonnis levert dwingend bewijs op. Dat betekent dat de kantonrechter verplicht is om ervan uit te gaan dat [gedaagde] de leenauto heeft bekrast. In het licht daarvan kunnen hogere eisen worden gesteld aan de betwisting van [gedaagde]. 4.4. Voldoende aannemelijk is verder dat [eiser] de foto’s van de krassen dezelfde dag heeft gemaakt en dat deze zijn veroorzaakt door [gedaagde]. De positie van de krassen op de auto (linkerachterzijde) komt namelijk overeen met waar krassen te verwachten zijn op basis van de camerabeelden. 4.5. Gelet op het voorgaande staat als onvoldoende betwist vast dat [gedaagde] de auto van [eiser] op 28 juli 2023 heeft bekrast. Dat levert een onrechtmatige daad op, zodat [gedaagde] de schade die [eiser] daardoor heeft geleden moet vergoeden. Schade 4.6.
Volledig
De rechter dient de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Bij zaakschade is uitgangspunt dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering van de zaak. Die waardevermindering is in het algemeen gelijk aan de – naar objectieve maatstaven berekende – herstelkosten. De aard van deze schade rechtvaardigt dat de rechter bij de begroting in beginsel abstraheert van omstandigheden die de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffen. 4.7. [eiser] kan, gelet op het voorgaande, aanspraak maken op een schadevergoeding van € 1.100,09 (de door hem gestelde en met een offerte onderbouwde herstelkosten). Er is geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de waardevermindering van de auto gelijk is aan de herstelkosten. Of [eiser] de auto wel of niet heeft laten herstellen, is niet van belang. Van die omstandigheid wordt namelijk geabstraheerd. [eiser] heeft daarom ook niet in strijd met de waarheidsplicht gehandeld door niet te vermelden dat geen herstel heeft plaatsgevonden. De kantonrechter gaat er verder van uit dat de offerte van [bedrijf] [plaats] betrekking heeft op de krassen die te zien zijn op de overgelegde foto’s. De (later gecorrigeerde) verklaring van [betrokkene] dat het zou gaan om schade aan de achterzijde van de auto (zie r.o. 2.4), maakt dat niet anders. Uit de offerte blijkt dat het gaat om werkzaamheden aan een stootlijst, portier en zijpaneel. Die onderdelen bevinden zich niet aan de achterzijde van de auto. 4.8. Ook de kosten van de offerte (€ 99,00) komen voor vergoeding in aanmerking. Dit zijn redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. 4.9. [eiser] kan geen aanspraak maken op vergoeding van de eigen bijdrage in de advocaatkosten van de strafrechtelijke procedure (€ 159,00). Als gedoeld wordt op de artikel 12 Sv-procedure, geldt dat het beklag van [eiser] is afgewezen en [gedaagde] alleen al daarom niet kan worden veroordeeld in deze proceskosten. Als gedoeld wordt op de procedure die is geëindigd met het veroordelend vonnis van 24 maart 2025, geldt dat daarin al is bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. 4.10. [gedaagde] moet in totaal een schadevergoeding van € 1.199,01 betalen aan [eiser]. Hij moet over dat bedrag ook wettelijke rente betalen vanaf (zoals gevorderd) 18 juni 2025. Het verzuim is uiterlijk op die datum ingetreden, gelet op de ingebrekestelling van 2 juni 2025 (zie r.o. 2.8). Buitengerechtelijke incassokosten 4.11. [eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke incassokosten te hebben gemaakt. Deze kosten zijn in redelijkheid gemaakt, zodat [eiser] recht heeft op vergoeding daarvan. Voor de hoogte van de vergoeding zoekt de kantonrechter – net als [eiser] – aansluiting bij het wettelijke tarief dat volgt uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dat tarief is € 217,62 (inclusief btw). Dat bedrag en de gevorderde rente daarover zullen worden toegewezen. Proceskosten 4.12. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten . De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten × € 144,00) - nakosten € 72,00 Totaal € 450,00 4.13. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 1.199,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 juni 2025 tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 217,62 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 450,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sijm en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. Artikel 338 Sv. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/264. Artikel 151 lid 1 en 161 Rv. Artikel 6:162 BW. Artikel 6:97 BW. HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:315. Artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW. Artikel 6:82 BW.